Het begon allemaal met de woordvoerder ... (1)
1989-12-22
Wij denken vaak dat van alle evangelisten Johannes het verst teruggaat in de tijd. Marcus begint bij de doop van Jezus. Mattheüs en Lucas beginnen bij Jezus' geboorte en ontvangenis. Maar Johannes gaat helemaal terug tot het begin, de schepping van hemel en aarde. En misschien wel tot vóór het begin, als men dit tenminste zo mag zeggen, tot in de eeuwigheid. We noemen dit: het voortbestaan, de preëxistentie, het leven van de tweede persoon in het Goddelijke wezen voordat Jezus werd geboren.- Jaargang 33
- nummer 26
Toch kon het wel eens zijn, dat ook Johannes ons wil laten zien: Hij was één van ons (Rien Poortvliet).
We kunnen de proloog van het vierde evangelie verdelen in vieren.
Elk onderdeel zegt iets over de relaties waar Jezus in staat of stond.
Namelijk: (a) zijn relatie tot God, (b) zijn relatie tot Johannes de Doper, (c) zijn relatie tot de wereld, en (d) zijn relatie tot de ooggetuigen.
Welke gegevens in de proloog doen nu denken aan het voortbestaan, de preëxistentie?
In (a), vers 1-5, zijn dit de woorden: 'in den beginne', 'het Woord', 'was bij God', 'was God', en 'alle dingen zijn door Hem geworden en zonder Hem is geen ding geworden dat geworden is'.
In (c), vers 9-13, komen we de volgende uitdrukkingen tegen: 'het waarachtige licht was komende in de wereld', 'de wereld is door Hem geworden', en 'Hij kwam tot het zijne'.
In (d), vers 14-18, denken we aan: 'het Woord is vlees geworden', 'de eniggeborene des Vaders', 'die na mij komt is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik', en 'de Zoon die aan de boezem des Vaders is'.
Het valt op, maar het spreekt eigenlijk ook wel vanzelf, dat we in (b), vers 6-8, geen verwijzingen naar het voorbestaan aantreffen: hierin gaat het immers over de verhouding van Jezus tot Johannes de Doper, Dit speelt allemaal in de tijd, op het eind van de jaren twintig van de eerste eeuw.
Aan de andere kant geeft het natuurlijk wel te denken, dat midden tussen al deze 'eeuwigheids' - elementen zo'n massief 'tijdelijk' blok staat Er zijn dan ook verklaarders die beweren, dat ná de vermelding van Johannes de Doper het niet meer over de eeuwigheid kàn gaan. Eén uitlegger is zelfs van mening, dat het in héél de proloog over het aardse leven van Jezus gaat. Vers 17 lijkt daar voor te pleiten: daar wordt 'het Woord' en de 'eniggeborene' ronduit Jezus Christus genoemd. Aardser, tijdelijker, dichterbij kan het al niet: Jezus Christus is één van ons.
Dit brengt oné tot de vraag: is het mogelijk om in de proloog van Johannes niét aan de preëxistentie te denken? Anders gezegd: waar zouden we bij bovengenoemde gegevens óók aan kunnen denken? We gaan alle gevallen na.
(a) Jezus' relatie tot God, vers 1-5.
In den beginne kan niet verder teruggaan dan de schepping van hemel en aarde. Misschien is het een aanduiding van heelde oudtestamentische tijd, de 'engel Gods uit Isrels oude dagen'.
We kunnen echter ook denken aan het begin van Jezus' publieke optreden.
Deze gedachte wordt ons aangereikt door het vierde evangelie zelf. Hierin is sprake van het begin van Jezus' tekenen te Kana in Galilea, waar Hij water in wijn veranderde.
Zie ook uitdrukkingen als: 'Jezus wist van den beginne wie het waren die niet geloofden' en: de discipelen zijn 'van het begin aan bij Jezus' (2: 11, 6:64, 15:27, 16:4).
Ook Marcus heeft het over 'Begin van het evangelie val) Jezus Christus', en ook hij denkt dan aan het optreden van Johannes de Doper (1:1). Op dezelfde manier heeft Lucas het over 'de dingen die geschied zijn door het gehele joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop die Johannes verkondigde' (Hand. 10:37).
'Begin' betekent dus niet per definitie het absolute begin!,maar het relevante begin. In dit verband: het begin van Jezus' leven en werken op aarde. Natuurlijk doet de inzet van het evangelie denken aan de inzet van het oude testament: in den beginne, woord, licht, duisternis. Met enige goede wil zou men in Johannes 1 en 2 zelfs een (her)scheppingsweek kunnen herkennen (1:19, 29,35,44,2:1). Johannes 1 wordt echter niet gelijkgesteld maar vergeleken met Genesis 1. Het heeft de inhoud van een gewoon evangelie, maar de stijl van het scheppingsverhaal.
Het optreden van Jezus markeert een nieuw begin; het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Inderdaad: het begin van de herschepping!
Het Woord behoeft niet per sé het preëxistente karakter te hebben van de 'logos' uit de heidense filosofie' en de 'wijsheid' uit de joodse theologie.
In de eerste plaats moeten we ons realiseren dat 'woord' in het grieks niet onzijdig maar mannelijk is.
Geen 'het' maar 'de'. We zouden het kunnen vertalen met: de Spreker, de Woordvoerder. Zo'n vertaling alleen al zorgt ervoor dat we 'Woord' minder speculatief en meer historischkonkreet opvatten. Op deze manier associëren we deze aanduiding meteen met Jezus Christus - wat natuurlijk ook de bedoeling is.
Verder is er geen evangelie waar' Jezus zoveel in spreekt, als juist het evangelie naar Johannes. Bijna eindeloze gesprekken met mensen en scharen, met vrienden en vijanden typeren dit evangelie. Jezus is metterdaad de Woordvoerder. Hij spreek voortdurend het verlossende woord. De uitdrukking 'logos' is niet zozeer gericht op de voorafgaande eeuwigheid als wel op de volgende tijd.
Zoals de Here God in het eerste begin door te spreken het licht en alle andere goede dingen heeft gemaakt, zo heeft de Here Jezus bij het begin van de herschepping door te spreken licht en leven om zich heen verspreid. Hij voerde een hoog woord en de mensen konden hun licht bij Hem opsteken!
Hij was bij God. Het is duidelijk dat het hier gaat over de relatie van de Woordvoerder tot God. Maar er is geen enkele noodzaak om te denken aan de onderlinge verhouding tussen de Vader en de Zoon 'van eeuwigheid;.
Het ligt veel meer voor de hand om aan de jeugd van Jezus te denken.
Zoals Lucas schrijft: Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen' (2:52). Het is waar dat hier voor 'bij' een ander voorzetsel wordt gebruikt dan in de proloog van Johannes. Maar daar staat tegenover, dat Lucas' voorzetsel óók door Johannes wordt gebruikt, en dan zowel voor Jezus als voor Johannes de Doper. En van de Doper zal toch niemand willen beweren dat hij van eeuwigheid af of vóór zijn geboorte bij God was.
Jezus was bij God - bijvoorbeeld in Nazareth waar Hij opgroeide, en in Jeruzalem waar Hij in de dingen van zijn Vader was. Gedurende heel zijn jeugd was Hij in de leer bij God.
Dat Hij God was spreekt vanzelf als het om de interne verhouding tussen de Vader en de Zoon zou gaan: in de eeuwigheid was er niemand anders dan God.
Het feit dat Johannes desondanks schrijft: 'en God was de Woordvoerder', en daarna nog eens herhaalt: 'deze was in het begin bij God bewijst dat het over de tijd gaat, over de geschiedenis van Jezus.
Bovendien, men heeft er wel eens op gewezen dat er deze keer geen lidwoord staat bij het woordje 'God'.
Maar er staat eenvoudigweg 'God'.
Er is wel verondersteld dat dit nederiger klinkt dan met het lidwoord. Als dit juist is, zou de aanduiding beter slaan op de aardse Jezus dan op de hemelse Zoon.
Hoe dit ook zij: de heilige Geest is over Maria gekomen en de kracht des Allerhoogsten heeft haar overschaduwd.
Daarom wordt ook het heilige dat verwekt is Zoon Gods genoemd (Luc. 1:35). Ook de Zoon van God moest bij God zelf in de leer. Ook Hij moest de gehoorzaamheid leren (vgl. Hebr. 5:8). En dit heeft Hij: tijdens zijn dagen in het vlees!
Alle dingen zijn door Hem geworden.
Het valt op dat in Johannes 1, anders dan in Genesis 1, niet het woord 'scheppen' maar het woord 'worden' wordt gebruikt. Hoewel Johannes het woord 'maken' in de zin van 'scheppen' wel kent en gebruikt (5: 19-20, vgl. Gen. 1:1 vv in de Griekse vertaling).
Het gaat dan ook niet om het eerste ontstaan, maar om het latere bestaan.
Om wat er gebéurde. Wat er gebeurde onder de handen en door de woorden van Jezus van Nazareth.
Hoe Hij nieuwe dingen tot stand bracht voor de mensen. Echt een herschepping.
De oudste opvattingen over deze tekst lijken dit te bevestigen. De eerste christenen trokken het laatste stukje van vers 3 bij het eerste stukje van vers 4. Wij vertalen: alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is. In het Woord was leven. Zij lazen: alles.
gebeurde door Hem en buiten Hem gebeurde er niets. Wat in Hem is gebeurd, was leven en het leven' was het licht der mensen. Vergelijk hetwoord van Jezus: 'zonder Mij kunt gij niets doen' (15:5).
Het 'gebeuren' waarvan hier sprake is, was duidelijk gericht op de mensen.
En mensen wáren er nog niet in het begin, zeker niet in het absolute begin.
Ook langs deze weg komen we uit niet bij een speculatieve maar bij een historisch-konkrete uitleg van de tekst. Waar Jezus kwam, werd alles nieuw. Het oude was voorbijgegaan, zie het was alles nieuw geworden.
Trouwens: het licht scheen in de duisternis, en 'duisternis' in deze zin (duisternis = zondige mensheid) was er nog niet bij de schepping van hemel en aarde.
(wordt vervolgd)