Slotopmerkingen inzake Ef. 5

1989-12-22
  • Jaargang 33
  • nummer 26
De beslissing van ds. M.R. van den Berg van zijn kant de discussie te stoppen maakt mij, zoals men begrijpen zal, terughoudend in de voortzetting ervan van mijn kant, Evenals hij vind ik trouwens, dat een discussie niet te lang moet duren. Ook geloof ik, dat wat tot dusver over en weer is gezegd, voor de lezers reeds in belangrijke mate helderheid heeft gebracht in de standpunten. Daarom besluit ik met slechts twee opmerkingen.
1, Van, 'zich onderwerpen' (hupotagènai) is in het NT alleen sprake, wanneer objectief gezien de ander boven je staat, gezag over je heeft.
Tornen aan de striktheid van deze term is de exegeten ten onrechte ingegeven o.a, door het misverstaan van 'elkaar' in Ef. 5, 21, In Fil. 2, 3 wordt niet gevraagd 'zich te onderwerpen' aan den ander, maar den ander 'hoger te achten', 'te houden voor hoger'. Hier gaat het dus om 'een subjectieve taxatie van den ander, niet om een objectieve erkenning van diens feitelijke hogere status, In dit geval is het 'meerdere' , zijn van dien ander een - liefdevolle! - fictie. Je doet slechts alsof je in hem met een meerdere te maken hebt. Dat brengt je wèl tot dienst, maar nièt tot onderwerping, Ik hecht eraan, dat men de striktheid van de term 'zich onderwerpen' ook t.a.v. Ef. 5 blijft erkennen, omdat men anders de teneur van de eis tot onderwerping in Ef. 5 vertekent. Evenals Petrus in 1,2 en 3 de vrijheidsbeleving van de jonge christenen indamt 'naar buiten toe' - ondanks hun vrijheid-in-Christus houdende gelovigen 'wereldse' meerderen boven zich (keizer en stadhouder, baas, ongelovige echtgenoot) en diene ze die als zodanig te erkennen - zo doet Paulus dat in Ef. 5, 22-24 en 6, 1-3.5-8 'naar binnen toe' ('elkaar'): ondanks hun onderlinge gelijkheid in Christus blijven ook christenen toch mede-christenen als maatschappelijk meerderen boven zich houden, welke gezagsverhouding God gerespecteerd wil zien.
Alleen wanneer Paulus over maatschappelijke onderwerping binnen de gemeente ('onder elkaar') heeft gesproken, belicht hij ook de keerzijde, het gedrag van den meerdere tegenover den mindere, 5, 25-33 en 6, 4.9. Petrus doet dat slechts voor het geval van dát huwelijk waarin ook de meerdere (de man) gelovig is, I 3, 7. Aan ongelovige meerderen (keizer en stadhouder, ongelovige baas; ongelovige echtgenoot) kan hij Gods eis niet kwijt.
2. Als Paulus in Ef. 6 de oproep aan de slaven tot gehoorzaamheid besluit met de woorden "wetend; dat ieder, wanneer hij iets goeds doet, ' dat terug zal krijgen van den Heer, hetzij slaaf hetzij vrije", dan maakt hij in de uitbreiding "ieder ... hetzij slaaf hetzij vrije" reeds de overgang naar de categorie die volgt in v. 9, t.w. de heren. Hoe kan men dan de oproep waarmee, v. 9 begint ("ook gij heren, doet tegenover hen hetzelfde") anders verstaan dan zo: "doet tegenover hen het goede"?
(N.B. Het woord 'doen' valt hier drie maal in successie, waarvan de eerste keer in v. 6 "de wil van God doende", wat op hetzelfde neerkomt als "het goede doende", vgl. Rom.
12,2!)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief