Magnificat ... voor de redder der armen

1989-12-22
  • Jaargang 33
  • nummer 26
"Mijn ziel maakt groot de Here en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland."

(Luc 1:46-47)

Waar het hart vol van is daarvan spreekt de mond. Als dit gezegde ergens van toepassing is dan wel in de lofzang van Maria. Maar waar is zij nu het meest vol van?
Wellicht lazen we de jubelroep van Maria wel eens in het verlengde van het welkomstwoord van Elizabeth.
Spontane woorden waren het, die Maria voor het voetlicht brachten, zeker, en ze zijn door de heilige Geest ingegeven: "Gezegend zijt gij onder de vrouwen ..." Maria moest op dat moment belicht worden als een bijzonder bevoorrechte vrouw, aan wie het hoogste dat een Israëlitische zich maar kon wensen, in vervuiling zou gaan.

Maria's plaats
Na het vertrek van de engel Gabriël zullen de vragen haar weer bestormd hebben. Of was er meer? De engel had haar in ieder geval een goede plaats gewezen: In de eerste plaats onder Gods genadezon. Ze had genade gevonden in Gods ogen.
Over dit wonder vooral moest ze met iemand spreken, maar met wie? Bij Elizabeth moest ze zijn. Ze ging met spoed, ze kon het niet voor zich houden. En daar hoorde ze bij het binnenkomen dat ze een bijzonder gezegende vrouw was! Dat moest op dat moment gezegd worden. De Geest van God stond erachter. Elizabeth vertegenwoordigde nu de wolk van Israëlitische vrouwen, die gehoopt hadden de komst van de Messias tijdens hun leven te zien. Namens hen brengt ze a.h.w. de felicitaties over. En de nog ongeboren Johannes - volgens Jezus de grootste in de rij van de profeten (Luk.
7:28) - springt op van vreugde. Maria werd op het toneel van Gods heilshandelen geplaatst en alle generaties mogen haar daarom gelukkig prijzen.
Maar: als we Gods Woord serieus nemen, dan is er geen plaats voor een denken over Maria dat met haar positie aan de haal is gegaan. Dat dit nooit de bedoeling kan zijn geweest blijkt uit verschillende gedeelten: 'vlees en bloed' en natuurlijke afstamming zijn niet zo in tel in het N.T. (Matth. 16:17; Joh. 1:13; 2 Cor. 5:16; Gal. 2:6). Wanneer haar moederhart in conflikt kwam met wat de Heer als zijn opdracht zag, moest ze terug treden (Joh. 2:4; Luk. 2:48).
Haar poging tot voorspraak wordt afgewezen. Voortaan schept alleen ware gehoorzaamheid, het horen en doen van Gods woord, een familieband met Jezus (Luk. 8:19-21; 11:27-28).
Ook Maria zelf wijst radicaal van 'zichzelf af, net als Johannes de doper: "Hij moet wassen, ik minder worden"; en: "Ik ben niet waardig de schoenriem van Jezus los te maken".
Hoe zou Maria dan over zichzelf gesproken hebben?

God centraal
Maria is duidelijk vol van Iemand anders dan zichzelf. Haar beginwoorden: "Mijn ziel maakt groot de Here" richten de schijnwerper op God, en ze gaat op in Zijn grote daden. "Daarom," zoals Luther zegt in zijn uitleg van het Magnificat (1), "begint ze ook niet met 'Ik' te zeggen. Ze kán niet anders dan Gods lof zingen, overweldigd als ze is door Gods grote genade, ja door God zelf.
Op God richt zich de vreugde van haar leven. Wij zouden misschien zeggen: "Met al de vezels van mijn bestaan loof ik mijn Heer!" Hij neemt haar zo in beslag dat het eerder God zelf is die Zijn lof in haar schept, dan dat Maria looft. Dat kende ook Augustinus toen hij zei: "Gij drijft ons uit dat U te prijzen een verheuging is ..." Om God en om Zijn reddend ingrijpen cirkelen haar gedachten.

Geen opwelling
De hebreeuwse stijlvorm, waarbij een tweede regel de eerste aanvult of onderstreept, en die heel Maria's loflied beheerst, wijst erop dat het meer was dan een spontane opwelling.
Ze was er sinds de komst van de engel Gabriël voortdurend mee bezig geweest., Maria was een overleggende geest, gewend om de dingen in haar hart te overwegen. Haar loflied geeft dan ook de indruk van een bewuste creatie. De overeenkomst met het lied van Hanna in 1 Sam. 2:1-10 toont dat wel aan. De taal van Psalmen en Profeten moeten haar zo eigen zijn geweest dat het niet moeilijk was spontaneïteit, leven en compositie te combineren.
Dus, met ziel en geest, hoofd en hart begint Maria God centraal te stellen.
Dat zien we ook in het vervolg, want het verkondigen van Gods heilsdaden is naar bijbels besef het verkondigen van Gods lof. De Psalmen illustreren dat. (Zie Ps. 22:23-27; 35:28; 48:11; 71; 105; 106:2). In het noemen van Gods machtige daden wordt Zijn lof vermeerderd. Dát doet Maria. In de weg die God met haar gaat is Zijn Naam heilig, verheven boven elk menselijk bedenken.

Arm voor God
De eerste Godsnaam die ze gebruikt is Héer, kurios, de griekse vertaling van de verbondsnaam Jahwe. Aan Hem, de souvereine Heer, heeft zij zich toevertrouwd, de zeggenschap gegeven: 'Mij geschiede naar Uw Woord.' De vreugde van haar geest richt zich op deze God als haar Heiland, haar, Redder. De verzen 48-55 geven daar verder invulling aan. Het "omzien naar haar lage staat", het "krachtige werk van Zijn arm", het "verstrooien van de hoogmoedigen" (vs. 51), “het "verhogen van de eenvoudigen", het "verzadigen van hongerigen" en het "Zich aantrekken van Israël" - Maria ziet het allemaal als het werk van haar Redder. Ze trok het zich persoonlijk aan. Wij mogen hieruit waarschijnlijk afleiden dat Maria behoorde tot die eenvoudige, arme godvrezenden, de geringen die de vertroosting van Israël verwachtten (2). Ze kende haar eigen kleinheid. Dat proeven we in haar verwondering om Gods omzien naar haar 'lage staat'. Voor 'dienstmaagd' kunnen we ook vertalen 'slavin'. Haar woorden doen denken aan één van haar stammoeders: Ruth die zich bij de armsten had aangesloten om aren te lezen. Tot de toekomstige losser zei deze: "Waarom betoont gij mij uw gunst, dat gij uw oog slaat op mij ...?" ' Zo staat Maria te midden Van haar volk. Haar individuele problemen verdwijnen naar de achtergrond. Ze heeft nu de Redding op het oog die God in de eindtijd in de Messias zou geven. HaarJehoshua (= God redt) is haar Heiland. In het Kind dat zij mocht dragen zag Maria God persoonlijk als Redder verschijnen. Zijn arm zou een nieuwe exodus (Luk. 9:31) bewerken.

Hiermee werd Lukas een hoofdmotief aangereikt, dat zijn evangelie zal blijven beheersen. Zacharias mag in zijn lofzang (1:68-79) aangeven waarin deze redding bestaat: in de vergeving der zonden (1:77). Op deze manier zal God, de Opgang uit de hoogte, onze voeten richten op de weg des vredes (vs. 79). Simeon kan heengaan in vrede als hij dit heil, deze redding, gezien heeft. In het belangrijke vierde hoofdstuk wordt Jezus voorop geplaatst als de, brenger van goed nieuws: het aangename jaar des Heren is aangebroken, redding voor armen, (3) gevangenen, blinden en verbrokenen. En dit alles is volle werkelijkheid geworden als Lukas Maria's loflied opneemt, Hanna had God geprezen omdat Hij haar gered had van de schande van onvruchtbaarheid. Mogelijk heeft Maria daaraan gedacht wanneer ze de toestand van haar volk overdacht.
Het volk was verdeeld in allerlei partijen: 'orthodoxen' (farizeeën), 'liberalen' (sadduceeën) en revolutionairen (zeloten). Politiek was de zaak uitzichtloos. Het volk lag in de wurggreep van Romeinen el') Herodianen.
De Farizeeën met hun ijveren voor de wet ("als heel het volk de wet maar hield dan ...") deden er nog een schepje bovenop. Volop reden dus voor de armen om uit te zien naar Gods eindtijdelijke uitredding, bijvoorbeeld met Psalm 72: "Hij verschafte recht aan de ellendigen des volks, Hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker."

Maria en Jozef zullen ook letterlijk arm zijn geweest. Hun plaats was niet in de herberg (2:7) en zij brachten het offer voor de armen (2:24).
Het is niet voor niets dat Lukas dit vermeldt. Men wijst er wel op dat de manier waarop Lukas de mensen rondom Jezus tekent laat zien dat hij als de geliefde geneesheer (Col. 4:14) deelde in de ontferming die Jezus had met de scharen, de outcasts en de eenvoudigen, die niet in tel waren.
De rijke daarentegen kan nog moeilijker binnengaan dan een kameel door het oog van een naald (18:24-25): We moeten dat maar niet afzwakken, maar het onmogelijke gebeurt: van de rijke Zacheüs wordt op een cruciaal punt gezegd: "Heden is aan dit huis redding geschonken,"
(19:9). Hij zag tegenover Jezus zijn geestelijke armoede en wel zo dat de deuren van zijn geIdgevangenis wijd open gingen. Armoede is dus volgens Lukas op zichzelf niet zaligmakend, al mogen de armen, die in hun nood op God zien, erop rekenen dat Hij speciaal naar hen zal omzien.

Een perspektief!?
Zokende Maria haar plaats tegenover God. Net als Mattheüs en Lukas zag ie de arme in geestelijk perspektief: als eenvoudig, machteloos, als een hongerige, die vanuit zijn concrete armoede naar God uitziet.
In deze mensen ziet zij Israël. Naar hen heeft God omgezien als de Redder der armen. Zie Ps. 22:25-27.
Voor hen zag zij het heil dagen.
Hoe? Door de komst van Gods Zoon in het vlees: Hij werd arm om velen rijk te maken. Maar dan ook in de uitwerking van dit alles door de Geest, die graag bij armen van geest woont. Maria mocht er getuige van zijn (Hand. 1:14).
"Mijn ziel maakt groot de Here."
Maria stelde niet zichzelf centraal, het gaat nu alleen om Gods heilige Naam. Ze verhaalde van het krachtige werk van Gods arm, van Gods genadige omzien naar haar volk, van Zijn trouw. Zo verhoogde ze haar Heer en Redder. Ze verliest zich niet in ijle speculaties. De conclusie lijkt onvermijdelijk: de lofzang van Maria laat zich niet lezen als een portret van een begenadigde of vrome vrouw op zichzelf. Het is geen vrome zelfbeschouwing. Veeleer is het een machtig getuigenis van Godswege aangaande Hemzelf als de Redder der armen. Voor Maria en voor allen die Hem liefhebben heeft Hij de redding bereid, zoals geen oog heeft gezien en ... in geen mensenhart is opgekomen.
Dus: als wij ziende op Hem lofzeggende vreugdeboden worden als Maria, mogen wij dan niet veel meer vreugde en zegen!,verwachten voor de arbeid (4) in Gods koninkrijk? Dat zal niet vanzelf gaan. We zullen een prijs moeten betalen: heidense aanslibsels en vreemd theologisch tolgeld moeten afleggen. Alleen zo Ieren we het wonder van Zijn genade weer verhalen, door het oog van de naald. Zijn lof verkondigen, blij als een kind voor Zijn aangezicht.
Is er iets heerlijkers?

(1) Het Magnificat, vertaald en uitgelegd door Maarten Luther, Hilversum, 1966. Met een verklarend nawoord van Anno Lampe o.s.a. en Samuel IJsseling o.s.a.
(2) Zo F.F, Bruce in New Testament History, New Vork, 1972, p. 126: " ...Zechariah and Elizabeth, Joseph and Mary, Simeon and Anna - who look for 'the consolation of Israel' and 'the redemption of Jerusalem', apparently belonged to a pious group of 'the quiet in the land' not unlike the group which produced the Psalms of Salomon
(3) Voor het inzicht in de centrale plaats die redding (sooteria) bij Lukas inneemt ben ik dank verschuldigd aan, I. Howard Marshall, Luke: Historian & Theologian Exeter, 1970.
(4) Zie A.A. van Ruler in:(Theologie van het Apostolaat.In: Verwachting en voltooiing, Nijkerk 1978.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief