Persschouw
1989-12-22
De beginnende predikant- Jaargang 33
- nummer 26
De redaktie heeft mij gevraagd om een artikel te schrijven over de verhouding tussen de kerkeraad en de gemeente aan de ene en de (veelal) jonge beginnende predikant aan de andere kant. Er blijken zich nl. in de praktijk nogal eens wat problemen voor te doen. De predikant komt kersvers van de universiteit. Via stages (leervicariaat) heeft hij wel wat aan de problematiek van het pastoraat geroken, maar ineens wordt hij er dan zelf voor geplaatst.
Hoe moet hij er in vredesnaam mee aan? Hij wordt geacht er alles van af te weten. Dominee heeft er toch voor geleerd? Ik wil enkele knelpunten noemen.
1) De verwachtingspatronen, die men over en weer als predikant en gemeente ten opzichte van elkaar heeft, lopen sterk uiteen. De predikant start enthousiast. Maar na verloop van tijd begint zijn ijver wat te tanen. De gemeente van haar kant wil de jonge predikant wel het voordeel van de twijfel geven, maar neemt onwillekeurig een wat gereserveerde of onwelwillende houding aan wanneer hij daarbij ontaktisch optreedt of een paar blunders maakt.
En dat geeft dan frikties.
2) De predikant dreigt de inzet te worden bij allerlei spanningen die er binnen een gemeente liggen. In een samenleving, die er niet eenvoudiger op wordt, in een maatschappij waar de meningen sterk uiteenlopen over sociale, ethische en politieke vraagstukken ontkomt ook de kerk niet aan innerlijke spanningen. Aan de ene kant treffen we binnen de gemeente mensen aan met de stellige overtuiging dat de kerk duidelijk partij moet kiezen en de hedendaagse uitdagingen moet aanvaarden.
Aan de andere kant zijn zeker ook genoeg kerkgangers die vinden dat de kerk in deze turbulente tijden een schuilplaats moet zijn waar men nog een stukje eigenheid aantreft.
Daarom wil men vooral geen andere koers. Iedere groep of stroming probeert dan de jonge predikant voor zijn eigen karretje te spannen.
Een predikant die in zo'n situatie niet weet wat hij wil of gaat zigzaggen dreigt de speelbal te worden van degenen die het luidste de trom roeren met alle fatale gevolgen van dien.
3) Een ander punt kan de werkdruk zijn. Er wordt van een predikant het nodige gevraagd. Er komt veel op hem af. De verwachting bij de gemeente is hoog. Het gemeentewerk staat of valt vaak met de predikant.
Hij moet het allemaal maken en wanneer hij het niet goed doet roept dat de nodige frustraties op. Die spanning kan dan wel eens te groot worden. Niet alleen bij jonge predikanten trouwens. Ik hoorde eens een collega opmerken: vroeger droeg het ambt ons ... en dat gaf je een gevoel van veiligheid. Tegenwoordig dragen wij het ambt en je wordt er soms doodmoe van! Hij die naar het ambt van dienaar des Woords staat, moge nog steeds een voortreffelijke zaak begeren, maar de coulissen tegen welke achtergrond er gewerkt moet worden zijn nu wel totaal anders dan in de gouden eeuw: en ook anders dan bijv. in de periode net na de tweede wereldoorlog toen, de kerk in de samenleving (nog) een zekere goedwil had.
4) Een heet hangijzer kan vandaag de dag ook gelegen zijn in de spanningen rond de z.g. voorbeeldfunktie van de predikant en de pastoriebewoners. Hoe ver reikt hun privacy?
Wat is daarbij oorbaar en wat geeft aanstoot? Een dominee woont in een glazen huis. Gemeenteleden kunnen dienaangaande wel eens kinderachtig reageren op futiliteiten.
Omgekeerd blijken bepaalde predikanten niet altijd een zuiver afgestelde antenne te hebben voor dingen die eventueel aanstoot zouden kunnen geven. Mijn persoonlijke indruk is overigens wel dat wanneer de 'predikant in de smaak valt hij - wat zijn privacy betreft - wel een potje mag breken, licht hij minder goed in de markt dan valt men eerder over bepaalde uitingen van zijn levensgedrag.
Helemaal eerlijk is dat niet!
Aangezien naar ik meen de meeste spanningen zich voordoen rond het eerste knelpunt, nl. dat van de verschillende verwachtingspatronen, wil ik daar nog wat nader op ingaan.
Bij kerkeraden en/of gemeenteleden heerst toch nog wel (of misschien moet ik zeggen het gaat weer heersen) het duidelijk omlijnde klassieke verwachtingspatroon: een dominee moet goed preken, trouw huis- en ziekenbezoek doen, catechiseren, klaar staan voor ieder die hem nodig heeft en voor de rest geen fratsen.
Zelf denkt de jonge predikant vaak wat anders over zijn opdracht. Hij zal het zoëven genoemde niet ontkennen, maar er komt vandaag toch meer kijken. Daar is de wereld met haar nood: daar zijn de vergeten groepen; jongeren met andere opvattingen; we stuiten - bijna dagelijks - op de vragen rond de grenzen van de medische macht en de medische ethiek; daar zijn de problemen die vanuit de derde wereld op ons afkomen; zorgen .rondom milieu en luchtverontreiniging, enz. Zou een andere aanpak rond pastoraat, catechese, en kringwerk niet overwogen moeten worden?
Het kan zijn dat er in een goede dialoog met kerkeraad en gemeente iets constructiefs geboren wordt. Het kan zijn dat dit niet gebeurt of op weerstanden stuit. Misschien reageert de predikant niet adequaat.
Mogelijk stelt een kerkeraad (of een paar dominerende figuren daarin) zich star op. Wanneer dan bovendien de preken niet goed vallen of er klachten komen over het bezoekwerk, dan ligt de brändstof voor het konflikt klaar. Naàr twee kanten is het dan mogelijk om uit te glijden.
Vanuit de visitatie vernam ik dat er bij bepaalde kerkeraden (die hierin - geruggesteund worden door hun collega's van kerkvoogden) in toenemende mate de neiging bestaat hun predikant vooral te gaan beschouwen als werknemer, die eenvoudig te doen heeft wat zij zeggen. Wanneer dat waar zou zijn (en ik heb niet de minste neiging om deze informa-_ tie in twijfel te trekken) dan vind ik dat een uitermate zorgelijke ontwikkeling.
Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt...
Daarnaast - en nu spreek ik wel vanuit vroegere ervaringen - drijven predikanten hun kerkeraden of gemeenteleden soms ook wel tot het uiterste. Zij hebben alle wijsheid in pacht; zij zijn de theologen; zij voelen zich geroepen om de dingen eens goed op een rijtje te zetten. Het laatste jaarlijks overzicht van de visitatoren generaal sprak in dit verband op blz. 26 over "predikanten die zijn geladen met een messiaans roepingsbesef". Het is een term die voor zichzelf spreekt. In de praktijk heeft een dergelijk drijven al heel wat verdriet en narigheid teweeggebracht.
Mijn dringend advies is dat men het zover niet moet laten komen. Een zorgvuldig opgestelde profielschets als basis voor een uit te brengen beroep kan veel moeilijkheden voorkomen.
Duidelijke en goede afspraken aan het begin gemaakt kunnen klaarheid scheppen zodat ieder weet waar hij aan toe is. Wanneer men teveel op zijn beloop laat in het begin, kan dat later opbreken.
Verder is het niet korrekt om een beginnende predikant op te hangen aan het beeld van zijn voorganger, die het zoveel beter gedaan zou hebben dan hij. Gemeenteleden zijn -op dit punt bepaald niet altijd even taktisch. Het is niet erg wanneer een nieuwe predikant andere accenten legt dan zijn voorganger, die op zijn beurt natuurlijk ook niet volmaakt was. Van zijn kant moet de nieuweling ook niet de pretentie voeren dat de kerkgeschiedenis pas goed begonnen is nu hij in het ambt gekomen is. Een zekere mate van bescheidenheid kan geen kwaad. De praktijk doet hem trouwens - wanneer het goed is - ook wel een toontje lager zingen. Bovendien moet hij goed weten op wiens kompas hij in de gemeente wil varen. Grote voorzichtigheid is hier geboden. Ik heb predikanten zien mislukken doordat zij zich op de verkeerde mensen oriënteerden.
Een gelukkige ontwikkeling valt er wat deze problematiek aangaat - te constateren rond het mentoraat voor de jonge predikant. Dat is nu zowaar eens één van de dingen die in de kerk wèl schijnen te lukken en die zonder al te veel morren aanvaard zijn. Het kan de nodige ongelukken voorkomen. Al met al: er zijn ook hoopvolle perspectieven voor toekomstige predikanten. Nog altijd zijn er meer voorbeelden te geven van een goede tot redelijke samenwerking tussen predikant en kerkeraad / gemeente dan die van het tegendeel getuigen. Hij die naar het ambt van dienaar des Woords staat begeert nog steeds een voortreffelijke zaak.
Hoogeveen
A.W. Kranenburg
Uiteraard heeft dit stuk, dat we uit het 'Hervormd Weekblad' knipten, betrekking op de situatie in de Ned. Herv. Kerk. Maar ik denk, dat we er in de Ned. Geref. Kerken ook wel onze winst mee kunnen doen. Een predikant op leeftijd kan zich de vraag stellen hoe hij zèlf van start is gegaan in 'zijn' eerste gemeente. Hij heeft ongetwijfeld gezwoegd en gedraafd. Het moest allemaal zo nodig. Het leek wel alsof hij getrouwd was met 'zijn' gemeente. Dat kon zijn vrouw wel merken. Er bleef voor haar niet veel tijd over. Aan studeren kwam hij niet echt toe buiten de preekvoorbereiding. De gemeente riep. Het verwachtingspatroon van het kerkvolk zette hem gedurig onder pressie. Als een dominee heel wat dienstjaren achter de rug heeft gaat hij er soms anders over denken. Hij gaat beter inschatten waar hij wèl en niet moet zijn, wat hij wèl en niet moet doen. Hij gaat dingen aan anderen overlaten, leert delegeren. De gemeente moet geaktiveerd en niet gedemotiveerd worden. Als je altijd anderen werk bij voorbaat uit handen neemt dat de gemeente in de dominee doet het wel, zo denkt men. Dat is de man van het 'vak'. Alleen wanneer het gaat over liturgische aangelegenheden en over de centen beslist moet worden zullen wij ons zegje wel doen. Wat voor een gemeente heb je dan gekweekt! Wèl valt het mij steeds op, dat de gemeente in een bepaald opzicht zo barmhartig is.
Preken gaan soms de mist in, maar de gemeente kraakt haar herder en leraar niet. Ze vergeven hem ook vaak de fouten, die hij maakt. Zeker als hij net begint, zeggen de kerkmensen: Och, hij moet het nog teren; Als ze maar ervan overtuigd zijn, dat je pastoraal bewogen bent en met de 'inzet van je hele persoon je ambt bedient. Dan rijpt door Gods Geest de vrucht. Want het Woord van God keert nooit leeg weer, lezen we in de Bijbel. Vele gevaren bedreigen de pastor in zijn werk. Altijd moet hij knokken met de duivel, die spekuleert op zijn eergevoel en eerzucht.
Die hem ook tracht te verleiden, zodat hij struikelt in de omgang met de mensen. Die hem wil doen twijfelen aan eigen zaligheid. De predikant moet juist van zijn eigen preken leven. Hij staat elke zondag ook tegen zichzèlf te preken. Ook hij moet als mens van vlees en bloed, zalig worden door qeloof alleen, door genade alleen in verbondenheid met Christus en zijn evangelie!
De Here beoordeelt hem en bij God heeft de liefde het laatste woord!