De toekomst van onze kerken (3)
1988-07-01
5. Het eigene van deNGK waardoor zij een heus alternatief ten opzichte van de andere reformatorische kerken vormen (noem het de geringe traditiegebondenheid met behoud van de hoofdzaak) komt in het algemeen meer in de steden dan op het platteland tot uitdrukking.- Jaargang 32
- nummer 26
Daarom zullen wij zuinig moeten zijn op onze stadskerken, ook als deze afwijken van het geijkte patroon.
Ik acht het niet onmogelijk dat verschillende mensen zich over die vijfde stelling boos gemaakt hebben. Wat een verbeelding! Wat een stedelijk dédain!
Ja, dat vond ik zelf eerst ook. En ik heb er lang over nagedacht voordat ik dit zo opschreef.
Twee overwegingen gaven mij tenslotte toch vrijmoedigheid ertoe. In de eerste plaats: ik behoor dan zelf wel tot zo'n verwaande stadskerk, maar toch tot een die in het jongste verleden haar best gedaan heeft zo lang mogelijk solidair te zijn met de rest van de kerken in het land. Ik doel nu op ons wachten met 't toelaten van de zusters tot 't diakenambt.
Daar hebben we in eigen huis wel schade van ondervonden, maar we zijn met dat wachten toch doorgegaan. Mij persoonlijk te lang, maar dat kan hier buiten blijven. Ik beroep me dus op de lankmoedigheid die de Amsterdamse kerke raad heeft betracht, om u aan de hand, daarvan duidelijk te maken dat een stadsgemeente niet noodzakelijkerwijs zich boven het platteland verheft.
En een tweede overweging was deze:' wat zou u ervan gevonden hebben als ik het verschil anders had geformuleerd, bijvoorbeeld als een verschil tussen gestudeerden en niet-gestudeerden? Dat zou nog pijnlijker zijn geweest. Of als een verschil in leeftijd: jong tegenover oud. Ook dat zou gevoelig aangekomen zijn.
Ik heb 't in het demografische gezocht, daarbij een zo objektief mogelijk kriterium hanterend. Het is nu eenmaal zo' dat je in de moderne stad, als mens, maar ook als gemeente zo door elkaar geschud wordt dat je wel van hout moet zijn om daar geen invloed van te ondergaan.
Je past daardoor een reduktie toe om staande te blijven. Wat is belangrijk, wat doet het er toe, als 't erop aankomt?
En zo herken ik dat men in de stad meer dan op 't platteland tradities loslaat. Ik beroem me daar niet op, maar ik konstateer het. Ook dat de meesten van de jongelui die naar de stad komen, onze kerk niet bezoeken. Daar is niets roemrijks aan. Je raakt in de stad in een soort Prediker-situatie. Van zoveel dingen zie je de betrekkelijkheid. Maar - des te krachtiger houd je je aan de hoofdzaak.
En wees nu eerlijk. Dat ligt toch in 't verlengde van het Nederlands Gereformeerde?
Hoe is het met ons begonnen?
Op twee punten raakten we in moeilijkheden in de Vrijgemaakte kerken.
Wat betreft de leer van de enige ware kerk die dan de Vrijgemaakte moest zijn. En ten aanzien van de binding aan de belijdenis, die zo strak was dat er geen diskussie over randpunten was toegestaan. Op beide punten stonden we een versoepeling voor. Het ging tegen het rigorisme. En het ging om meer vrijheid tegenover de traditie.
Ik krijg wel eens de indruk dat we dat helemaal vergeten zijn en je hoort bij ons geluiden die nog rigoreuzer zijn dan bij de Vrijgemaakten.
Hoe dat ook zij. Juist in de stad ben ik blij met de Nederlands Gereformeerde souplesse waarmee we van start gegaan zijn. Die hebben we zonder meer nodig.
En daarom doe ik een goed woordje voor die kerken, (niet uitsluitend, maar toch hoofdzakelijk in de steden te vinden) waar op dat spoor van die vrijheid tegenover de traditie doorgegaan wordt.
Niet alles is daar goed. Er zijn ontwikkelingen die ook mij minder juist lijken.
Maar laten we elkaar een beetje vrijheid gunnen. En laat men ervaringen opdoen waar anderen hun winst mee kunnen doen.
Ik krijg wel eens de indruk dat er onder ons zijn die met het Nederlands Gereformeerde mee gegaan zijn en daar nu achteraf van schrikken. Hetzelfde hebben we gezien in de Vrijgemaakte kerken.
Zo in de vijftiger jaren kwam er een geest van verontrusting op. Men ging terugkrabbelen wat de Vrijmaking betreft en dat liep er op uit dat er weer een synode met een even sterke macht kwam als die van de Gereformeerde kerken in de veertiger jaren.
Begrijpt men dan niet dat Vrijmaking en Buitenverbandstelling betekenden het uittrekken van traditie-jasjes om zo mobiel te worden voor een andere tijd?
Ten behoeve ook van onze medechristenen.
6. In plaats van de uitzichtloze besprekingen met de Christelijke Gereformeerde Kerken over kerkelijke eenwording voort te zetten, kunnen we beter overleggen wat we, elk zelfstandig blijvende, in de praktijk samen kunnen doen.
Uit de zesde stelling zou iemand op kunnen maken dat ik iets tegen de Christelijke Gereformeerden heb. Ze klinkt een beetje bars. Maar ik kan dat gelukkig geheel ontkennen. Mijn stelling werd ingegeven door een verse ervaring.
Ik zat te lezen in wat op de eerskomende LV over de samenspreking met de Chr. Gereformeerden ter sprake zou komen en merkte dat 't nog steeds ging over zaken als de toeëigening des heiis. Net als twintigjaar geleden.
Ik had me er tijdenlang niet mee bemoeid en bij 't lezen daarvan kwam er een vreemde bekendheid over me: hé, nog steeds. Het gaat blijkbaar niet.
"Ja, maar het moet!", zegt men. Is dat zo? Van wie eigenlijk? Moet het vanwege Christus' gebed "opdat ze allen één zijn"? Ik denk dat we naar dat gebed gerekend voldoende één zijn. We herkennen elkaar, we erkennen elkaar, we vieren bij elkaar avondmaal, we staan naast elkaar in het alledaagse leven.
We bidden samen, we werken samen op allerlei gebied van school en politiek.
Onze studenten studeren aan hun school. Fijn.
Maar in dat ene, namelijk kerkelijk helemaal één worden, slagen we niet. Is dat nou zo erg? Als we wèl met elkaar in één kerk zaten, konden we misschien die andere dingen weer niet samen doen. Dat is gebleken toen we lid waren van de Vrijgemaakte kerken. Toen was er zo'n wrijving dat we niet eens meer samen baden. Het uiteengaan heeft hun en ons goed gedaan. De waardering over en weer is nu veel groter dan toen.
Vergelijk 't met Zuid-Afrika. Moeten de zwarte en de blanke kerken geheel integreren? Dat is toch met wijd open ogen en luidkeels vragen om moeilijkheden?
Laat ieder daar z'n eigen diensten hebben, waarin ieder zijn eigen kultuur kan ontplooien. En laten er dan van tijd tot tijd manifestaties van eenheid zijn, om de wederzijdse erkenning tot uitdrukking te brengen. Zodat het racisme geen voet krijgt.
Zelfs de Waalse kerk in ons land heeft een afzonderlijk kerkelijk leven georganiseerd.
Op gronden van taal en kultuur.
En zouden dan Christelijke Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden opeens bij elkaar moeten, met verwaarlozing van allerlei verschil in traditie? Dat is toch niet reëel?
Ik hou van mijn Christelijke Gereformeerde broeders en zusters, ik mag graag een dienst van ze bijwonen, ik leer van ze, - maar: dat tweemaal achter elkaar uittrekken van een traditie-jasje zoals wij dat gedaan hebben, - dat hebben zij zeer kennelijk niet. En mijn liefde voor hen gaat niet zover dat ik om hunnentwil die afgedankte kleren weer aantrek.
7. Naast zending en evangelisatie biedt de ontwikkelingssamenwerking op theologisch gebied met kerken uit de derde wereld een veelbelovend perspektief en deze dient dan ook krachtig bevorderd te worden.
Die laatste stelling is een hobby van ds De Jong, denkt u natuurlijk. Wel, het zou kunnen. Ik ga mij daar niet over verdedigen.
Maar er zit toch iets meer achter.
"Gesteld nu eens dat wij hier in West-Europa in een eindtijd leven. Tussen .haakjes: ik denk 't liefst in eindtijden meervoud. De geschiedenis geeft daar vele voorbeelden van te zien, dat er zich telkens een eindtijdsituatie voordoet.
Welke eindtijd dan echt de eindtijd is, de uiteindelijke, dat weet de Here.
Maar dat er eindtijden zijn, moet ons waakzaam maken. Stel nu eens dat 't hier gaat zoals in Turkije of Noord-Afrika, waar destijds de Islam overheen gegaan is en de kerk bijna volledig verdwenen is. Dat kan bij ons ook weer gebeuren. Zelfs kan 't opnieuw de Islam zijn die dat doet. Want de Islam is eigenlijk een vervlakt soort christendom. Zomaar kan ons vervlakt christendom de Islam naar zich toe trekken, alle emancipatie ten spijt.
Maar goed, dat daargelaten. Stel nu eens dat wij in West-Europa inderdaad in de nadagen van het heden der genade leven. En dat 't één generatie verder met ons christenen hier gedaan is. Ik reken daar niet op, maar ik reken er wel mee. Zou dan ook het christelijk erfgoed niet met ons verloren gaan? Het zeer kostbare dat hier in de loop der eeuwen is verworven, het diepe inzicht in de Schrift dat juist in de Gereformeerde traditie is gerijpt?
Dat moet dan op tijd in veiligheid gebracht worden. Het mag niet zo zijn dat dat verloren gaat.
Van de andere kant, de Afrikaanse en Aziatische kerken zitten om kader te springen. Hun is, vooral in deze eeuw, het evangelie gebracht op Amerikaanse wijze. Met weinig diepgang, met weinig doordenking van de vragen op politiek, maatschappelijk, wetenschappelijk, kunstzinnig en kultureel gebied. Ik zeg niet dat 't allemaal goed is wat door ons op die gebieden is bedacht, maar er was bij ons feeling voor al zulke problematieken.
En daar is vraag naar.
De jonge kerken die daar in hun wereld voor de taak staan, mede de samenleving in te richten, kunnen daar hun winst mee doen.
En om dáár nu aandacht voor te vragen, daarom heb ik die zevende stelling toegevoegd.
Om een perspektief te bieden dat ons verwarmen kan. Verenigen ook.
Maar dat zal toch slechts een enkeling raken? Is dat iets om het kerkvolk mee te vermoeien? Theologische ontwikkelingssamenwerking?
Toch dankt Paulus God voor de Filippenzen, "wegens hun deelhebben aan de prediking van het evangelie?" (Fil. 1 : 5). Dan denk je ook: hebben die eenvoudige mensen daar in Filippi dan meegedaan aan het verbreiden van de goede boodschap?
Blijkbaar wel. En zo kan ook dit werk, waardoor we de broodnodige theologische verdieping brengen in de Afrikaanse kerken, door ons allen gedragen worden.
U moet van dat woord theologie niet schrikken. U moet dan hieraan denken.
U hebt vast wel eens een dienst meegemaakt in een evangelische kerk. En u hebt genoten van de warmte die daar heerst. Maar de preek viel tegen. "Moeten ze daar elke zondag naar luisteren?"
Precies, zo is het in Afrika ook, heb ik gemerkt. Dus theologische verdieping is verdieping van de prediking. En zouden we die onze Afrikaanse en Aziatische broeders en zusters niet gunnen?