Ingezonden

1988-07-01
  • Jaargang 32
  • nummer 26
Onjuiste kritiek
Het slot van de artikelen "Geleerde eenvoud" door drs A. van der Dussen (Opbouw van 15 april 1988) geeft enige kritische opmerkingen, tegen welke ik wel enige bezwaren heb. Ik geloof niet, dat volgens prof. Jager "de Here Abraham rechtvaardig heeft verklaard, omdat deze ook werkelijk rechtvaardig wás doordat hij God vertrouwen gaf."
De Heere rechtvaardigt ons niet omdat wij rechtvaardig zijn door ons geloof. In het Evangelie spreekt Hij ons,goddelozen in ons zelf, van nature, en in wie die goddeloosheid nog telkens nawerkt, ná onze rechtvaardiging, vrij door het geloof in dat Evangelie. Door dat geloof "aan dat evangelie geketend" worden we de ons verkondigde vergeving deelachtig.
Dan behagen we God, dan zijn, we op grond van Christus' verdienste werkelijk rechtvaardig, staan we in de rechte verhouding tot God, Die ons in Christus aanziet. Er is geen sprake van dat onze verbondsvroomheid in Gods beoordeling van ons leven een rol speelt.
Hoe heerlijk het ook is, dat Janse de genade van het verbond Gods met ons, "met zoveel verve en liefde" ons heeft voorgehouden, dat onderwijs heeft niet verzwakt de waarheid dat God ons als goddelozen rechtvaardigt. Vaneen zwakke plek in het 'verbondsmatig denken' is m.i. bij Janse geen sprake. En ik stem dan ook niet in met wat vdD schrijft: "Hoe licht komt daar toch niet een zekere bedaardheid in naar voren: ik leef ootmoedig naar Gods verbond, nu zal mij ook de te verwachten zegen ten deel vallen. De keerzijde van dit wel heel kalme vertrouwen is het harde oordeel over hen die niet naar het verbond leven: zij halen de welverdiende vloek over zich heen. "De rechtvaardiging van de goddeloze is zeker een vreemde vrijspraak. Het maakt bij die rechterlijke uitspraak géén verschil of men heiden, ootmoedige gereformeerde is of een Dostojewski-figuur. En hier is een zekere bedaardheid niet op z'n plaats, en evenmin een wel heel kalm vertrouwen dat ik ootmoedig leefde naar Gods verbond. En wat aangaat Gods zegen en vloek des verbonds over de kinderen des verbonds, al naar hun gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid, daarbij is helemaal geen bedaardheid, noch hard oordeel te bespeuren bij hem. Men leze hierover Janse's leven in-het verbond.
En over de rechtvaardigmaking leze men Van de Rechtvaardigen, het hoofdstukje Bidden wij om vergeving of om besef van vergeving?
Duidelijkheidshalve merk ik tenslotte op, dat mijn kritiek niet geldt de eigen opvatting van drs Van der Dussen over de rechtvaardiging van de goddeloze, maar diens kritiek op de opvatting van Janse.

J. L. Struik, Heino (door de redaktie bekort)

Naschrift
1. Wat Jager betreft: in zijn uitleg van Rom. 4: 3-5 maakt hij bezwaar tegen de opvatting, dat God Abraham een rechtvaardigheid toerekende die hij in werkelijkheid niet bezat. In dit vers staat volgens hem eenvoudig, dat God Abraham als rechtvaardig beschouwde vanwege zijn geloof. Immers, volgens het OT is rechtvaardigheid niet hetzelfde als 'zondeloosheid', maar de trouw aan Gods genadeverbond. Die trouw wordt gevonden bij hen, die gelovig ingaan op Gods beloften. "Er is aequivalentie tussen geloof en rechtvaardigheid.
Abrahams geloof is zijn rechtvaardigheid, en dat geloof wordt als zoodanig erkend door God".
(Rechtvaardiging en zekerheid des gelooft, -104). De gelovigen houden aan Gods verbond vast "en dit is hunne gerechtigheid, waarop ze God wijzen." (a.w. 69, waar Jager J. Ridderbos citeert).
Gezien deze gedachtengang kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat Jager het niet met de heer Struik eens zou zijn geweest als deze konkludeert: "Er is geen sprake van dat onze verbondsvroomheid in Gods beoordeling van ons leven een rol speelt."

2. Mijn kritische opmerkingen over Janse wil ik toelichten aan de hand van een citaat uit zijn boek De heerlijkheid der Psalmen als liederen des Verbonds, 1964. Hij schrijft op blz. 45 ter bestrijding van Kohlbrügge en Barth: "De leer van de bovengenoemde richting, dat de Here een verterend vuur is voor Zijn volk, is tegen de Schrift. Want er staat in Jes. 33: 14-18 dat de Here een verterend vuur is voor de zondaars in Sion, dat is voor de kerkmens en die in de zonde leven of die in de zonde vallen en geen bekering of berouw tonen.
Wie echter teer en nauw bij de Schrift leeft, behoeft zich niet te verontrusten door de vraag of hij niet te rustig leeft in de nabijheid van die vreselijke God ... Er is veel meer gevaar, dat zulken door kleingeloof te vreesachtig zijn, dan dat zij te gerust zouden zijn.
De vrede door het bloed des kruises sluit de vrees buiten."
Lettende op het front waaraan Janse streed, begrijp ik waarom hij zich zo uitdrukte: hij werd voortdurend gekonfronteerd met bevindelijke gelovigen die eraan twijfelden of zij wel uitverkoren waren en daarom in angst voor Gods oordeel leefden. Terecht wijst hij daartegenover op de vrijmoedigheid tegenover God die wij door Christus mogen hebben (Ef. 3 : 12). Ik meen echter, dat bij Janse een bepaalde spanning uit die vrijmoedigheid verdwijnt, die er in OT en NT zo kenmerkend voor is. Juist zij die 'teer en nauw bij de Schrift leven' zullen altijd iets van huiver kennen voor de heilige God en zijn oordelen. Ik denk aan psalm 119: 120: Mijn vlees beeft van schrik voor U, ik vrees voor uw oordelen.
Dat wordt gezegd door een zondaar die zich bekeerd heeft en nu niets liever doet dan naar Gods geboden leven! Ik denk ook aan Paulus' aansporing in Fil. 2 : 12: "Blijft uw behoudenis bewerken met vreze en beven." Dat wordt gezegd door een man die erin kon roemen dat God vóór ons is en niet tégen ons!
Het komt mij voor dat in teksten als deze tot uitdrukking komt, dat ook Gods kinderen die trouw naar zijn verbond leven, zichzelf maar al te verwant weten aan de goddelozen die Gods brandende toom oproepen. Niet voor niets schrijt Paulus in de tegenwoordige tijd, als hij in I Tim. 1 : 15 terugblikt op zijn vreselijke verleden: "Ik neem onder zondaren een eerste plaats in." (Letterlijk: van hen ben ik de eerste). Kennelijk heeft hij in het besef geleefd, dat ook de vergeven zonde onze identiteit stempelt.
Hierbij sluit de beroemde formule van Luther aan: een christenmens is simul justus et peccator', d.w.z. 'tegelijk rechtvaardig en zondaar'.
Dat 'tegelijk' funktioneert bij Janse niet zo sterk. Bij hem (en zijn volgelingen) tendeert het beeld naar een tweedeling waaruit - alweer! - de spanning aan het verdwijnen is: een mens is óf zondaar (en heeft dan voor de toom van God te vrezen) óf rechtvaardig (en mag dan in 214 gerustheid leven), maar niet op een paradoxale wijze allebei tegelijk. Ik herken mijzelf als gelovige niet zo goed in dat beeld. Ik vrees ook dat het aanleiding kan geven tot een zeer oppervlakkige gerustheid (om niet het door de heer Struik gewraakte woord' bedaardheid' te gebruiken) - als is dat door Janse stellig niet zo bedoeld. Het zou naar mijn besef bepaald geen kwaad kunnen, als wij ons in de kerkbanken wat onbehaaglijker voelden in de tegenwoordigheid van God, om ons dan des te verbaasder en doorleefder en dankbaarder te laten plaatsen in het stralende zonlicht van zijn vrijspraak.

A. van der Dussen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief