Het recht om te wonen: Over de identiteit en de toekomst van onze kerken (1)
1987-05-29
De jaarlijkse algemene ledenvergadering van de Persvereniging "Opbouw werd dit jaar gehouden op 28 maart. Dit tijdstip lag aanzienlijk vroeger in het jaar dan gebruikelijk was in de achter ons liggende jaren. Wellicht is dit ook van invloed geweest op de belangstelling voor deze vergadering. Ongeveer 130 leden en belangstellenden bezochten de vergadering .Vanzelfsprekend was de inleiding "Het recht om te wonen (over identiteit en de toekomst van onze kerken) en de inleider, de heer C. Huizinga, een aanmoediging om deze vergadering te bezoeken.- Jaargang 31
- nummer 21
Het bestuur besloot inmiddels om de inleiding in ons blad op te nemen, zodat ook degenen die de vergadering niet konden bijwonen of de lezing in brochurevorm kan worden uitgegeven.
We mogen terugzien op een geslaagde vergadering. De zogenaamde huishoudelijke zaken werden in vlot tempo afgewerkt. De uiteenzetting van de penningmeester culmineerde in een opwekking om lid te worden van de persvereniging. Staande de vergadering werd deze opwekking door een twaalftal aanwezigen beantwoord door een spontane aanmelding. De bespreking van het referaat zorgde voor het aanbrengen van nuanceringen en een verdieping van de probleemstelling. Gaarne vertrouwen wij dat deze vergadering een bijdrage heeft geleverd voor de belangstelling die ons blad verdient.
Geachte Vergadering,
1.1 Het is de wens van ons bestuur, dat wij samen nadenken over de identiteit en de toekomst van onze Nederlands Gereformeerde Kerken. Nu kunnen wij niet anders samen denken,dan door samen te spreken. Want elke geestelijke activiteit en elke oefening van gemeenschap, is slechts mogelijk ons lichaam-zijn. Onze lichamelijkheid zelf, is een geestelijke gave (1). Zo heeft onze hemelse Vader ons mensen geschapen.
Mij is gevraagd, ter inleiding van ons bespreken mond te zijn. Toekomst en identiteit zijn nauwverweven (2). Immers, het hebben van een toekomst veronderstelt continuïteit en continuïteit veronderstelt behoud van, identiteit (3). Als Jezus zegt: "Uw geloof heeft u behouden", dan betekent dat behoud van identiteit door dood en graf heen. 'Dus hebben de gelovigen persoonlijk een toekomst, want Jezus spreekt als gezaghebbende, Hij spreekt met macht. Een toekomst? Meer dan een toekomst, de gelovigen hebben persoonlijk en gemeenschappelijk dé toekomst. Dé toekomst is de hunne hun toekomst de enige. Daarin is, bij alle onvoorstelbaarheid (geel) spoor van ongewisheid. Want de HEERE is de Getrouw, Die het ook doen zal. Dat is zó zeker, dat de Spreukendichter het zijn hoorders als een triomfkreet in de oren deed klinken: "De naam des HE EREN is een sterke toren; de rechtvaardige- dat is hij die gelooft - ijlt daarheen en is onaantastbaar" (Spr. 18:10)'. Spreken en nadenken over de toekomst van de Kerk is dan ook een vreugdevolle bezigheid.
De lichte en zachte "last" is slechts, dat onze Nederlands Gereformeerde Kerken kerk zijn, de belofte van de toekomst aanvaarden, in de Waarheid van Gods beloften blijven ècht kerk zijn, ware kerk zijn. Gelukkig maar, dat de toekomst van deze kerken niet steunt op onze ervaring, maar gefundeerd is in het door Christus verleende recht. Als wij ons zouden moeten oriënteren aan onze ervaring, aan de beleving van onze recente geschiedenis van scheuring, dan zouden wij die term "ware kerk met meer 10 de mond durven nemen". We doen dat ook niet veel meer. Is dat nu bescheidenheid of is dat reactie. Zou het ook kunnen zijn, dat wij over ons kerk-zijn teveel oordelen vanuit onszelf en te weinig vanuit Gods beloften? Zoeken wij onze zaligheid, dat is onze toekomst, buiten onszelf in Jezus Christus of glijden we ongemerkt af naar de schemertoestand van ons menselijk bevinden?
De kerkjeugd
1.2' Nu heeft ons bestuur ook gevraagd of wij bij ons nadenken over de toekomst van onze kerken vooral aandacht willen geven aan de positie van de kerkjeugd. Daarin is iets gelegen, dat vanzelf spreekt. Wie aan de toekomst denkt, denkt aan de jeugd, zegmaar, aan de kinderen. In de kerk gaat het altijd om de kinderen, Zo kon een hele generatie van het Israël van het Oude Verbond achterblijven in die vreselijke woestijn omdat er kinderen waren die het Beloofde Land mochten erven.
In de kerk kun je begraven, omdat er een doopvont is.
De toekomst van onze kerken, en van iedere christelijke gemeente van welke plaats of tijd ook, hangt hiervan af, of er kinderen haar midden zullen zijn. Dat gegeven heeft twee kanten, de kant van haar kracht om te werven en die van haar kracht om te behouden. Het is buitengewoon verdrietig, ten aanzien van de christelijke kerken. in ons land, ook van onze kerken, te moeten zeggen, dat de nadruk reeds decennia lang met meer ligt op de evangelisatorische werfkracht die uitgaat naar hen die "buiten" zijn, maar op de worsteling om het behoud van hen die "binnen" zijn. De jeugd keert de kerk van de ouders de rug toe. Dat is de trieste situatie. De kerk van vandaag die vrijwel uitsluitend groeit door wat onderkoeld "natuurlijke aanwas" "heet, doet het goed en onderscheidt zich. Als wij op dat verschijnsel onze aandacht richten, wil dat allerminst zeggen, dat evangelisatie met betrekking tot de toekomst van de kerken een zaak van de tweede orde zou zijn.
Integendeel. De vraag is Iegitiem of de moeite om te behouden niet mede wordt veroorzaakt door traagheid om te werven. Een kerk die de "kinderen dezer wereld" niet zoekt, ,wordt op het laatst zelf kinderloos. Het is voor ons onderwerp van grote betekenis dat wij scherp "inzien, dat de kerk de kinderen van haar gelovige oudersleden niet hoeft te werven. Die kinderen worden door de Doop bij haar ingelijfd, zij verkeren voluit in haar midden, zij zijn in Christus geheiligd. Het is een groot voorrecht daarbij te mogen weten, dat de kerk, die zich richt op het behoud van haar kinderen, niet van doen heeft met een naar zijn aard van de volwassenen afgezonderde groep of categorie. Het is een grondregel van Gods"gemeente dat al haar leden, volwassenen zowel als jeugdigen, tenslotte kinderen zijn. Zozeer zelfs, dat zij die niet meer kind zijn, dat haastig opnieuw moeten worden, willen zij met heel Gods volk het Koninkrijk' binnengaan. "
Zoals een preek voor hoeren en tollenaren een goede preek voor alle kerkleden is, zo is dat de bediening van het Woord voor de kinderen. De kerk is rechtens een gemeenschap zonder "gap", zonder kloof, of die nu in "standing" of in "generation" bestaat. Dat is haar dynamiek.
Samen op weg
1.3 De identiteit en toekomst van onze kerken, dat is ons onderwerp. Een laatste wens van ons bestuur is, dat wij daarbij ook aandacht geven aan het zogenaamde "samen-op-weg"
proces van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland, dat zoals U weet het stadium van de Verklaring door dé combisynode heeft bereikt, dat beide kerken "in staat van hereniging" zijn. Wie zich realiseert hoezeer het gezicht van gereformeerd Nederland bepaald is geworden door de jaartallen 1834, 1886 en 1892, is geneigd 1986 een historisch jaar te noemen. Is deze Verklaring en hetgeen daaruit volgen moet van betekenis voor de toekomst van onze kerken? De Afscheiding van 1834 droeg het karakter van Wederkeer: afscheiding van "hetgeen de"
kerken in haar ambtelijke bedieningen afvoert van de tevoren overeengekomen en aangenomen formulieren van eenigheid", "wederkeer tot de waarachtige dienst van de Here". Dat laatste impliceerde de uitgesproken belofte, tot de kerk "waarvan men zich afscheidde weder te keren, indien deze opnieuw de confessie zou gaan handhaven. De Vrijmaking voegde daaraan geen wezenlijk nieuw element toe." Het is zonneklaar, dat de "staat van hereniging" slechts mogelijk werd door wederzijdse relativering van die confessie."
De vrijzinnige praktijk wordt niets in de weg gelegd, woorden ten spijt. Zo gezien, is dit "samen-op-weg" proces .voor de toekomst van onze kerken zonder betekenis." De nieuwverworven pluraliteit van de Gereformeerde kerken sluit naadloos aan bij de modaliteitenstructuur van de Nederlands Hervormde kerk (4). Het beeld in de praktijk van de kerken in staat van hereniging lijkt chaotisch. Een synodevoorzitter verklaart dat de plaatselijke Hervormde gemeente en Gereformeerde kerk een eeuwigheid mogen doen over de feitelijke eenwording en de Gereformeerde Bond zegt dit proces niet te hebben begeerd en niet te begeren (5/6). "
Het is, zo las ik ergens, "zoiets als twee lijken in één graf leggen" (7). Ik zou deze weinig verheffende kwalificatie uit (synodaal) gereformeerde mond, die ik zeker niet voor mijn rekening neem, niet genoemd hebben, indien niet duidelijk was, dat elke traditionele, geïnstitutionaliseerde kerk geacht werd "lijk" te zijn. De uitdrukking viel in een beschouwing van wat genoemd werd het "tot organische eenheid brengen van kerken", zoals dat' internationaal wordt nagestreefd in het verband van de Wereldraad en waarbij "samen-op-weg" als voorbeeld diende.
De Wereldraad begonnen als oecumenische beweging, lijkt zelf tot instituut gestold te zijn. In topkringen blijkt verontrusting te heersen over de afnemende representativiteit van de Raad. Er is zoiets als een "geestelijke innovatie" gaande onder" de gelovigen en de kerken hebben daaraan geen deel. Rekenmeesters hebben becijferd, dat in het jaar 2000 waarschijnlijk nog maar de helft van de niet-roomskatholieke christenen in kerken georganiseerd zal zijn. De andere helft is voor de kerkelijke instituten ongrijpbaar geworden, opgegaan in bewegingen, kringen, groepen en secten van allerlei signatuur van radicaal progressief tot uiterst behoudend, waar men zijn spirituele honger zoekt te stillen. Het traditionele en geïnstitualiseerde voldoet niet meer, de kerken vergrijzen, het oecumenisch élan verschrompelt. De oorzaak van deze voor de Wereldraad negatieve ontwikkeling wordt - niet ten onrechte - gezocht in het vlak van het belijden, De assemblée van Vancouver 1983 sprak uit, dat "het ontbreekt aan een vitale en coherente theologie, die de oecumene draagt, inspireert en in leven houdt". Het is opmerkelijk, hoe "het lot van de kerk als instituut wordt gedeeld door de belijdenis als geschrift (8). In onze tijd, zo zegt men, kan de geloofsinhoud van de traditionele belijdenisgeschriften niet meer vanuit de betrokkenheid op mensheid en wereld aan de orde komen en gaat het daarom niet meer aan de belijdenis als tekst op zichzelf, als ware die een soort reglement, te handhaven: de kerken zullen" moeten vóórtgaan op een weg van belijden. Het oude "voldoet niet meer, het nieuwe is nog niet gekomen (9). Dit gevoelen is wereldwijd, westers en Nederlands, het is alleszins relevant als wij willen nadenken over de identiteit en de toekomst van onze Nederlands Gereformeerde Kerken.
AANTEKENINGEN
1.1.
1.P. J. van Leeuwen, Het christelijk onsterfelijkheidsgeloof, 's Gravenhage z.j., 85 e.v.: De zin van het lichaam.
2. K. J. Popma.Levensbeschouwing , Amsterdam 1959, II 191, e.v. 308.
3. K. J. Popma, a.w., III 327.
1.3
4. K. Runia, in dagblad Trouw van 20 januari 1987: "Het kan . moeilijk ontkend worden dat de Gereformeerde kerken pluraIe kerken zijn geworden. Officieel mag de belijdenis nog steeds in de spreek- en preek regel van de "kerk (evenals dat het geval is inde Nederlandse Hervormde kerk), maar in werkelijkheid functioneert ze in veel opzichten zo niet meer voor het totaal van de kerk".
5. De "Verklaring in staat van hereniging" laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van een hervormde en/of gereformeerde kerk om niet tot een vorm van samenwerking te besluiten.
6. Gereformeerde Bond, brochure t.a.v. Samen-op-weg. Geciteerd via Ned. Dagblad van 24 december 1986: "Er is groot verschil (binnen de Bond) tussen de uitersten van louter formeel juridisch hanteren van de confessie en een sterk, eenzijdig terugvallen op de menselijke ervaring".
7. P. Holtrop, geciteerd in NRC Handelsblad van 24 januari 1987: "Het Christendom is de wereld nog niet uit". In dit door Frits Groeneveld geschreven artikel wordt gesteld, dat "de medewerkers van de Wereldraad die in Genève het oecumenisch centrum bevolken, weinig ambitie vertonen om mee te werken aan een concept van de vitale en samenhangende theologie waar de assemblée in 1983 om heeft gevraagd. Zij beschouwen die vraag als een slag in de lucht en als kritiek op de manier waarop zij bezig zijn in het oecumemische politieke bedrijf.
8. K. Blei, geciteerd via Ned. Dagblad van 21 november 1986.
9. Saul Bellow in een televisieinterview over het televisiekijkgedrag van kinderen geciteerd via NRC Handelsblad: "Wat dit teweeg kan brengen bij een kind en ook bij een volwassene, is een gevoel van oppermachtige soevereiniteit. "Ik ben degene voor wiens genoegen dit alles dient en ik ben degene die al die beslissingen neemt" (de kinderen hebben geen interesse voor het verhaal, maar schakelen doorlopend van het ene kanaal naar het andere).