Een gordel van smaragd
1987-05-29
Voor 1 miljard mensen verslechtert de woonsituatie zeer snel. 100 miljoen mensen hebben geen onderdak. Dat zijn de mensen, die we in het JAAR VAN DE DAKLOZEN op het oog hebben. Dat zijn de mensen zonder sociale zekerheid, zonder enige sociale binding. Onder die daklozen bevinden zich tientallen miljoenen kinderen, die hun toevlucht zoeken op de straten, in de riolen en onder bruggen. Dat straatleven beleefde ik, als TEAR Fund medewerkster enige weken mee. Ik reisde daarvoor naar de Filippijnen, Indonesië en India. Uit de reiservaringen ontstond een serie verhalen over de drie landen met elk een eigen cultuur en een eigen problematiek. Maar alle drie met een scala van nood en ellende. En toch ... toch ook landen waar edelstenen groeien, zelfs op het asfalt.- Jaargang 31
- nummer 21
Confrontatie met een verloren paradijs
Ik heb er zo veel over gelezen, gehoord en zelfs geschreven. Toch liggen de ervaringen in Zuid-Amerika al weer negenjaren achter me. Hoe zal de derde wereld nu op me af komen? Op een etmaal reizen afstand stap ik dan ineens die derde wereld weer binnen. De temperatuur van 35° C en de hoge luchtvochtigheid vertellen me, dat ik nu de 'gordel van smaragd' ben binnengetreden.
Een keten van eilanden, die hier de Filippijnen worden genoemd. Bij het verlaten van de hal van het vliegveld wordt het derde wereldsyndroom direct aan me opgedrongen.
Tientallen mannen drommen om me heen en proberen mijn koffer over te nemen. Ik sta even beduusd. Ik weet dat ik afgehaald wordt, maar zoveel belangstelling had ik niet verwacht. Alle zekerheden van mijn eigen maatschappij zijn hier ontworteld en schijnen zelfs geen kans te hebben ook maar gezaaid te kunnen worden. Al deze mannen behoren tot het percentage van 72%, dat onder de grens van het bestaansminimum leeft en met klusjes een schamel maal op tafel moet zien te krijgen. Ik aarzel even: zou ik toch maar iemand mijn kofferlaten dragen? Al is het maar een klein stukje? Maar wie moet ik kiezen om iets te laten verdienen? Al gauw helpt mijn gastvrouw me uit de droom. Ze trekt me aan m'n mouw mee: "Geef niet meteen toe", fluistert ze, "want dan heb je morgen geen cent meer op zak. Dit is Manila!" Dit is de derde wereld. De komende dagen zullen me' leren, dat dit een andere wereld is dan de mijne. Of toch niet?
We hebben anderhalf uur nodig om de afstand van 4 km te overbruggen. Het is bijna spitsuur. Het file-staan lijkt een moment aangenaam. Er is zoveel te zien, dat zo onbekend is. Steeds weer komen er mensen langs de file auto's en proberen hun koopwaar te slijten. Meisjes met strengetjes knoflook; jongens met kranten en tijdschriften; mannen met kistjes sigaretten en pinda's en vrouwen met kleurige doekjes. En ook bedelaars dienen zich aan. Dan steekt een man zijn arm door het raam en mompelt "Un peso, Maam?". Ik graai in m'n zak. 'k Heb wel zo’n muntje waar ik de waarde nog niet van ken. Maar als ik het in m'n hand heb, weet ik niet hoe ik het de bedelaar zal geven.
Hij heeft geen handen. De lepra heeft slechts een klomp vlees met twee stompjes (eens duim en wijsvinger) overgelaten. De bedelaar is minder verlegen met de zaak dan ik. Met z'n stok trekt hij zijn hemd open, waardoor een zakje bloot komt te liggen. Daar kan ik m'n peso in laten glijden. Ik word me er meteen van bewust dat ik hem heb aangeraakt. M'n ogen prikken. M’n gedachten zijn verward. God maakte de mens tot kroon der schepping. Maar dit kan Hij toch niet bedoeld hebben? Wat kan ik hier aan doen? Ik snak naar frisse lucht en ben blij dat de me weer langzaam in beweging komt. Maar m'n ademnood (toch wel door emotie ontstaan) wordt versterkt als ik de grauwe uitlaatgassen inadem, die als een dikke deken boven de straten hangen.
Dit is ook het Manila, waar Marcos zijn schatten vandaan haalde. Ik laat m'n gedachten even gaan over de statistische gegevens. Hier in de drukte en de stank worden die gegevens langzaam levend en vormen een schrikbarend monster. Een wereldstad met 11 miljoen inwoners, waarvan 42% onder de grens van het bestaansminimum en nog eens 30% onder de armoedegrens leeft. Het is de bevolking die in de sloppen woont en zich met dagklusjes een bestaan probeert vast te houden. Dit is geen leven, maar overleven. Die klusjes variëren van sjouwer, schoenpoetser, parkeerwacht tot meisjes en jongens van plezier voor de tienduizenden toeristen! Om nog maar niet te spreken van de tienduizenden, die hier tot de bedelstaf Zijn veroordeeld! Eens een trots volk, dat nu zijn schoonheid heeft afgelegd en nauwelijks te onderscheiden valt van de kleur van het asfalt waarop het leeft.
Manila, waar dagelijks doden vallen in de strijd om de politieke macht. De doden tellen niet meer. Maar wat wordt er aan de levenden gedaan? Wat kan er ge':' daan voor. die tienduizenden daklozen?
Opnieuw voel ik de tranen prikken als mijn gastvrouw nog een getal laat vallen: Manila telt ruim 30.000 straatkinderen. Kinderen zonder thuis, zonder warmte, zonder geborgenheid, ten prooi aan sexuele uitbuiters en multinationalen. Een aantal van die kinderen zal ik nog diezelfde avond ontmoeten.
Maar wat me het meest schrijnt is 'het getal van de kinderprostituees: 20.000 kinderen in de leeftijd van8-10jaar, die op mensonwaardige wijze hun gastheer moeten bezighouden. De opbrengst van hun werk is voor hun 'beschermheer'. Ik snak naar adem, Maar nu niet vanwege de uitlaatgassen; Ik weet dat de wereld verrot is en dat ongerechtigheid hoogtij viert. Maar je gebruikt toch geen kinderen! Een machteloze woede stijgt in me op, maar wat kan ik doen?
We komen aan in Makati: het meest geavanceerde winkelcentrum in Manila. Maar de mensenmassa op straat is groter dan het winkelende publiek. Allicht: die 72% van de bevolking koopt hier niet. Die probeert alleen maar iets 'mee te nemen'. Zodra we de auto verlaten, trekt een kaalgeschoren jongen aan de mouw -van m'n gastvrouw. Ze herkent hem, maakt een praatje, waarna de jongen in de massa verdwijn't. Na een paar minuten is hij terug met wat vriendjes. Over en weer worden er vragen gesteld. "Waar is Roy? Heb je vandaag gegeten? Wanneer ben je uit de gevangenis gekomen?". Ik geloof mijn eigen oren niet! Uit de gevangenis? Deze jongens zijn amper 14! Mijn gastvrouw knikt. "Ja, de enige hulp die de overheid kan geven is het 'tijdelijk onderdak in de gevangenis'. Na een razzia worden de kinderen, die wat scholing hebben gehad naar een tuchthuis gestuurd, waar ze een jaar beroepsopleiding krijgen en daarna weer op straat worden losgelaten.
Geld voor een startkapitaal is er nooit en hun opleiding is haast een waardeloos vod. Morgen zul je onze' Henri ontmoeten en merken dat dit waar is. De minder briljante kinderen gaan gewoon naar de gevangenis. Tussen de volwassenen. Om opnieuw uitgebuit en misbruikt te worden". Wat kun je doen? Die vraag zal ik me in de komende weken vaak stellen. Wat kan ik anders doen, dan al deze dingen in me opnemen en thuis vertellen? Maar wie zal mijn verhaal geloven? Wie zal geloven dat er onder deze straatkinderen 'parels' groeien? En als iemand het al gelooft, wie wil er dan meehelpen om de wereld van een zo'n kind te veranderen?
Stichting TEAR Fund Nederland zet zich in het JAAR VAN DE DAKLOZEN in vermeerderde mate in voor deze kinderen. Meer gegevens en informatie treft u aan in de speciaal gedrukte 'Zonder dakkrant'. Vraag die krant aan: 03438-14844 of postbus 104, 3970 AC Driebergen.
Een 'Gordel van Smaragd' werd geschreven door Marianne R. Loggers, verantwoordelijk voor p.r. & publiciteit bij Stichting TEAR Fund Nederland.