De Heilige Geest en ons geloof
1987-06-26
"Hij zei tot hen: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen ge tot geloof kwaamt!!?.. Toen ze dit hoorden lieten ze zich dopen in de naam van de Heer Jezus". (Hand. 19:2-5) - Jaargang 31
- nummer 25
De vraag, die Paulus stelde aan de discipelen in Efeze, bracht hen in verlegenheid door hun onwetendheid omtrent de openbaring van de Geest, zoals deze zich in het spreken in tongen en in het profeteren kenbaar maakt. Ze wisten dus niet dat door de opstanding en verheerlijking van Jezus metterdaad het Koninkrijk van God was aangebroken. Maar ook velen vandaag raken in verlegenheid door deze vraag, omdat ze ervoor terugdeinzen zich de gave van de Heilige Geest toe te eigenen en twijfelen aan hun persoonlijk deel hebben aan het heil van God, als ze letten op hun schamele geloofsbeleving en gebrekkig geloofsgetuigenis.
De presentie van de Geest
Het is een bijbels gegeven dat God in Zijn openbaring nooit werkzaam. is zonder de Heilige Geest, Hij woont onder Zijn volk, werkt in de harten van mensen. Waar twee of drie in de naam van Jezus samen zijn, is Hij in hun midden. Op grond hiervan doopte Paulus (vs. 5) de discipelen in Efeze in de naam van Jezus, de Heer, waardoor zij positief geplaatst werden in het krachtveld van de opstanding der doden door Jezus Christus.
In dat krachtveld heerst de Heilige Geest. Na de handoplegging door Paulus bewezen de tekenen van het spreken in tongen en het profeteren de tegenwoordigheid van de Heilige Geest. Op grond van hetzelfde bijbelse gegeven van de presentie van God door Zijn Heilige Geest doopt de kerk vandaag de dag in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest!
Mensen kunnen deze Geest ongehoorzaam zijn, of hem bedroeven, maar Zijn presentie wordt daardoor niet teniet gedaan.
Contact door de Geest
Het is ook een bijbels gegeven, dat God niet alleen wereldwijd werkt door Zijn Geest, maar ook persoonlijk contact legt. In de doop van het twaalftal discipelen in Efeze (het getal wordt er in vs. 7 uitdrukkelijk bij vernield!) wordt dit gegeven geïllustreerd.
Lukas verzwijgt daarbij, op welke manier 'Paulus hen onderricht heeft, maar vermeldt alleen nadrukkelijk hun doop: "Zij lieten zich dopen", zo luidt de vertaling (hoewel het ook mogelijk is te vertalen 'ze werden gedoopt') en daarin wordt het element van persoonlijke instemming met het ondergaan van de doop geaccentueerd. Dat neemt echter niet weg, dat de dopeling de doop ondergaat (een element van passieve betrokkenheid zit er dus ook in). Hij wordt betrokken in de dood aan het kruis van Jezus Christus, maar hij krijgt bovenal ook deel aan de kracht van de opstanding van de Zoon van God.
De discipelen in Efeze hoorden het Woord en hun werd aangezegd, dat zij er niet 'buiten' stonden. Hun gedoopt-worden bevestigde, dat ze er 'bij' hoorden: God, de Vader, wilde hen erbij hebben, net zo, als de vader uit de gelijkenis zijn 'verloren' zoon erbij wilde hebben en op diens schuldbelijdenis antwoordde met de daad van het laten brengen van het kleed, de ring, de schoenen (Luk. 15). Zo mogen ook wij vandaag beseffen, dat we deel hebben aan de genade van God, waaraan we niet steeds moeten twijfelen: Wie zich in berouw tot God wendt en zich laat onderdompelen in de naam van de Heer Jezus, mag weten van de innerlijke reiniging door het bloed van Jezus Christus.
Gaven en vruchten van de Geest
Er wordt wel eens wat eenzijdig gesproken over de gaven van de Geest, alsof de tegenwoordigheid, van de Geest alleen maar zou bestaan uit het spreken in tongen en profeteren. Met dergelijke manifestaties van de Heilige Geest waren de discipelen in Efeze onbekend: Daar zij wel wisten van de doop van Johannes, zullen ze niet onbekend geweest zijn met het bestaan van de Heilige Geest (Johannes had immers ook meerdere) malen over de Geest gesproken; zie bv. Mark. 1: 18; Luk. 3:16, e.a.) Dat zij opnieuw gedoopt werden, typeert. de doop van Johannes als doop van bekering, die de innerlijke reiniging, symboliseert, die moet plaatsvinden. Daartegenover plaatst de doop in de naam van Jezus mensen in die vernieuwing van het hart door het bloed van Christus.
De doop van Johannes was dus een 'voorlopig' en 'betrekkelijk' gebeuren, terwijl in de doop in de naam van Jezus de Heilige Geest aktief present is, waarvan het spreken in tongen toen een teken was. Waarin dat spreken in tongen bestaan heeft, weten we niet. In Hand. 2, bij de uitstorting van de Geest op het Pinksterfeest is sprake van 'dialect'. In sommige groeperingen in onze tijd wordt dat spreken in tongen ook bedreven Hoe we daarover ook (moeten) denken, dit is zeker: De tegenwoordigheid van de Heilige Geest is niet minder kenbaar in "woorden, die wijs zijn en die winnen". De vruchten van de Geest, zoals die opgesomd worden in Gal. 5, bieden stof genoeg voor richtlijnen om de openbaring van de Geest te onderkennen en wat het profeteren betreft. Zonder profetie te willen beperken tot het voorspellen van de toekomst, mogen we het zo zeggen: als gelovigen hebben we altijd te spreken vanuit de toekomst van onze Heer, Jezus Christus, maar wel altijd in ootmoed.
Als de vraag van Paulus aan de discipelen te Efeze vandaag ook aan ons gesteld wordt, moeten we altijd beseffen, dat we er nog niet zijn, maar nog steeds onderweg naar die grote toekomst. Die ootmoed dringt ons er toe om steeds opnieuw te gaan naar Hem, die geroepen heeft (Joh. 7:37, 38): "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot mij en drinke".