Het recht om te wonen

1987-06-26
  • Jaargang 31
  • nummer 25
De geschiedenis

Lichaam-zijn

4.1 We vervolgen onze wandeling, om stil te staan bij de geschiedenis.
Deel hebben aan de geschiedenis veronderstelt continuïteit.
Continuïteit is behoud van identiteit. De identiteit wordt gewaarborgd door ons lichaam-zijn. In het lichaam hebben wij deel aan de geschiedenis. "Wat zijn dat voor getuigenissen?", vroegen Israëls kinderen aan hun ouders. Die hadden de tekenen van Gods grote daden in de geschiedenis met hun blote handen opgericht.
Het is ontroerend te mogen lezen hoe de opgestane Jezus, als· zijn discipelen in grote verwarring verkeren, zijn identiteit onthult door te verwijzen naar zijn lichaam, waarin de tekenen van de geschiedenis van het heil als onuitwisbare lidtekenen verschijnen: "Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben" (Luc. 24, 39). De openbaring van het Woord Gods zelf is lichamelijk, het Woord werd vlees. (26) Lichaam-zijn is totaal mens-zijn. God schiep ons van stof.
(27) Stof zijn wij. Uit de aarde genomen, door de aarde gevoed, in de aarde begraven, uit de aarde opstaan, de aarde bewonen.
Aardelingen zijn wij (28) Lichaam zijnde, zijn wij door Gods levensadem levende ziel en de ouders geven de levensadem door aan hun kinderen, zij doen dat als beeld van de Schepper. Zo openen wij onze mond en vouwen onze handen als wij in de kerk zingen en bidden met hart en ziel. Buiten het lichaam geen eredienst. (29)
Zo is onze toekomst slechts dan menselijk doorleefbaar, als die verwachting is van onze lichamelijke continuïteit. Niet een lichaamloze ziel in de hemel, maar de lichamelijke mens op de nieuwe aarde, dat is het evangelisch perspectief.

De krimpende tijd
Het is de boog van het recht die de snaren van de geschiedenis spant en de uiteinden van ons aardse bestaan naar elkaar toe brengt. Het begin: rechtsaanspraak, schepping, geboorte.
Het einde: sterven, opstanding, rechtsuitspraak. Onder de geweldige kracht van het recht van het komende Godsrijk wordt de duur van de geschiedenis verkort; de tijd krimpt. (30) In die spanning trilt de verwachting en wordt de profetie explosief. "Héden zult gij met Mij in het paradijs zijn", klinkt het op de heuvel van het lijden. Van nu aan zult gij de Zoon des Mensen zien, komende op de wolken des hemels. Het is een Magnificat: de nog zwangere Maria roept het uit: "Hij hééft een krachtig werk gedaan door zijn arm; Hij hééft machtigen van de troon gestort, eenvoudigen verhoogd, hongerigen met goederen - ja, goederen - vervuld, rijken hééft Hij ledig weggezonden". Zo wordt de rechtsdaad bezongen.
Wat gebeurt er voor het oog? Maria bleef drie maanden bij Elisabeth logeren en keerde terug naar haar huis.
Dé maatstaf voor de toekomst van de kerk is de spanning van de verwachting. (31) Waar die spanning wijkt uit preken en luisteren, daar wordt de toekomst verleden tijd.

De traditie
In de continuïteit van de geschiedenis vormen creatieve beelddragers-Gods tradities. Men zegt, dat wij Nederlands Gereformeerden weinig traditie-gebonden zijn. Als dat waar is, is dat een reden tot bezorgdheid. (32) In de traditie werpen mensen een dam op tegen hun vergankelijkheid. Zonder tra-
.ditie is de geniaalste van elk volgend geslacht hulpeloos, hij lijdt een richtingloos is discontinuïteit, Schaf de traditionele belijdenis geschriften en de al even traditionele kerkorde af en de gemeente is overgeleverd aan wat aan heil in de toevallige voorganger aanwezig is of verondersteld wordt aanwezig te zijn. .
Traditievorming maakt mensen geen gevangenen van het verleden, maar doet hen de handen uitstrekken naar de toekomst. Het is een diep ontroerende gedachte, dat mijn kinderen openbare belijdenis van hun geloof afleggen door dezelfde vragen te beamen als mijn ouders; dat is zó levend.
Zeker, in zichzelf heeft de traditie geen waarde, het is maar wàt zij overlevert. (34) Het is het recht dat God in zijn trouw van Zich doet uitgaan, dat de zeden normeert en dat voor de kerkmensen de mogelijkheid schept hun vergankelijkheid te bestrijden en het geloof als zegen door te geven tot in het duizendste geslacht.

Gnostische dwaalleer
4.4 Zullen de kerken een toekomst hebben, dan moeten wij onze geschiedenis kennen. Geen vruchtdragende plant zon der wortels. Zo moeten wij weet hebben van de gnostieke dwaling, die de kerk van Christus sedert haar ontstaan onnoemelijk veel schade heeft toegebracht en die sedert de Reformatie in dopers gewaad tot haar kwam. (35) Die dwaling heeft het leven van Gods kinderen gespleten: om gered te worden moest de mens los gepeld worden uit zijn creatuurlijkheid, dat is uit zij lichaam, uit de aarde die hij bewoont, uit de geschiedenis en uit de tijd. Wilde de mens het heil verwerven, dan moest hij, de grens van zijn geschapenheid overschrijdende, zichzelf ontstijgen. Hijzelf moest dat doen, subjectief.
Het is kenmerkend voor alle gnostieke en doperse dwaling, dat de aandacht van de mens wordt afgeleid van het geopenbaarde en heengeleid naar het verborgene; dat is uitgaan boven hetgeen geschreven is. (36) Het oordeel van de apostel is striemend: "Slechte omgang bederft goede zeden" (1 Kor. 15,33). Bij die dwaling moetje vandaag blijven, discussiëren kost je je christelijke levenswandel.
Wie haar het oor leent en zegt dat het kwaad gelegen is in de schepping als zodanig en niet in de zonde en haar gevolgen, staat voor de keus: of hij laat de zonde toe in zijn leven want je kunt aan je lichamelijkheid toch niet ontsnappen zolang je hier huist, Of je schrijft de aarde af en zoekt haar te ontstijgen, in boventijdelijkheid. De gnostieke en doperse dwaalleer is in velerlei gestalte tot de kerk gekomen: subjectivisme, piëtisme, spiritualisme, mysticisme.
Wij zijn Vrijgemaakt. Welnu, zij was expliciet aanwezig in de leer, die van synode wege in 1942 en volgende jaren bindend aan ons werd opgelegd. (37) Zo moesten onze ouders hun kinderen dopen op grond van hun veronderstelde wedergeboorte en moesten wij onder meer ook geloven in de onsterfelijkheid van onze ziel die, zo heette het, als iets eigens van ons lichaam kon worden afgescheiden en afzonderlijk bestaan.
(38) De vrijmaking van de binding aan die leer ging in betekenis ver uit boven de toenmalige situatie in de toenmalige gereformeerde kerken. De dwaalleer wordt uit haar vruchten gekend: de nieuwe ervaringstheologie van vandaag is voluit gnostiek en dopers. De kerken die haar omhelzen worden gemangeld tussen spiritualisme en wereldgelijkvormigheid. We zijn in de tijd sedert 1942 één generatie opgeschoven. Kinderen zeggen dat zij met het geloof van de ouders niets meet kunnen aanvangen. Men slaagt er niet meer in het geloof te integreren in het leven ven alle dag; hoe zou men ook.

AANTEKENINGEN

4.1 - 26. K. J. Popma, a.w., III 191.
27. C. Vonk, De doden weten niets, Franeker. z.i., 23 e.v.
28. P. Lapide, Was Eva overal de schuld van?, Kampen 1985,47.
29. A. Janse, a.w., 23,24.
4.2 - 30. C. Vonk, De voorzeide leer, Barendrecht 1963, lb. 83 e.v . Het aangehaalde werk bevat voortreffelijk onderwijs voor een ieder die, de bijbel lezende, nu ook de bijbel wil lezen, in plaats van redenering over de bijbelse inhoud. Het is dan ook strijdig met de stijl van deze prachtige boeken, als naar het beeld van een door een auto-ongeluk bewusteloos geraakte passagier gegrepen wordt om de situatie van een mens gedurende de tijd die verloopt tussen diens sterven en opstanding toe te lichten. Waarom niet gebleven bij het bijbelse beeld van het (Ont)slapen?
Slapen is als rusten beeld van geborgenheid en continuïteit en essentie is het in de slaap blijven binnen 'woordbereik', opgewekt worden als Vader roept dat de Dag is aangebroken.
Slapen is nu juist niet: 'ogen dicht-ogen open', er is bij het wakker worden een harmonisch besef van verstreken tijd. Bewusteloosheid is ontwrichting en beeld van discontinuïteit.
31. C. Rijnsdorp, In de greep van het reusachtige, Kampen, zj., 89.
4.3 - 32. C. Rijnsdorp, a.w., 47.
33. C. Rijnsdorp, Wij zijn de vaders, Kampen 1972, 156.
34. zie aant. 33., 4.4 –
35. D. J. Buwalda, Wat is gnostiek?, Opbouw 16 januari 1987 e.v.: 'Ons geluk te mogen leven in de Creatuurlijke werkelijkheid is ermee gemoeid, deze blasfemische bewering van 'zonde, verankerd in de schepselmatige structuur', in haar leugenachtig satans bedrijf te doorzien. Zij betekent voer voor doemdenken!' 13.
36. P.K. Keizer, Gevraagd en ongevraagd, Kampen 1983, 'Want nu de Heer is opgestaan ...', Bondsdagrede Zaandam 1960,62 e.v .
37. P. K. Keizer, a.w.; 'Verterende onzekerheid', Groningen 1944,5 e.v..
38. B.Telder, Sterven ... en dan?, Kampen 1960. Leeruitspraak 1942 'aangaande de onsterfelijkheid der ziel', volledige tekst, 8 e.v .

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief