Verzegeld (2)

1988-07-15
  • Jaargang 32
  • nummer 27
Vorige keer begon ik met de opmerking dat de apostel Paulus alleen in zijn brief aan de Efeziërs spreekt over verzegeling van de gelovigen met de Heilige Geest.
"Blijkbaar" schreef ik, "speelde deze woordcombinatie hem wat door de gedachten toen hij deze brief aan het schrijven was."
Hebben we in het vorige nummer overwogen, wat de betekenis van die verzegeling is, deze keer willen we wat verder zoeken naar de achtergrond van de woordcombinatie, zoals Paulus die gebruikt.

Ik wil beginnen met de aanduiding "de Heilige Geest der belofte", die Paulus gebruikt in Ef. 1 : 13. De aanduiding is een letterlijke weergave van het grieks; je zou in het nederlands ook zonder meer kunnen zeggen: de beloofde Geest. Gelukkig is dat niet gebeurd in onze bijbelvertaling; voor mijn gevoel zou daarmee de uitdrukking wat worden afgevlakt; zou je niet meer merken dat de Geest toch nadrukkelijk als inhoud van Gods belofte aan Zijn volk is toegezegd.
De Groot Nieuws Bijbel heeft hier een goede greep gedaan, door weer te geven: de Heilige Geest die God beloofd had.
Paulus volstaat met die aanduiding.
Hij gaat niet breed uit de doeken doen waar die belofte nu in Wet en Profeten te vinden is. Een paar ervan kunnen we ons zonder meer wel voor de geest halen, denk ik. Te wijzen valt op Jes. 32 : 15a: totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit de hoge; Ezech. 36: 27: Mijn Geest zal Ik in Uw binnenste geven ... ; Zach. 12 : 10: Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden ... En niet te vergeten de door Petrus in Hand. 2 geciteerde tekst uit Joëls profetieën.
De tijd waar Joël van spreekt is nu gekomen, zegt Petrus daar. Om in de gaven van die tijd te delen is de weg: Bekeert U en ieder van U late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van Uw zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
Want voor U is de belofte ... (Hand. 2 : 38, 39).
Die belofte betreft zowel het een, de vergeving van de zonden, als het ander, de g.ave van de Heilige Geest.

En zo getuigt en vermaant Petrus: Laat U behouden uit dit verkeerde geslacht (vs. 40).

-0-

Juist de laatste, samenvattende, woorden uit Hand. 2 doen onze gedachten, samen met het woord" verzegelen"
uit Ef. 1 en 4, gaan naar Ezechiëls visioen van de dreigende ondergang van Jeruzalem. In dat visioen ziet de profeet zes wraakengelen van God, en als zevende figuur een man met een schrijfkoker. Deze laatste krijgt de opdracht een teken aan te brengen op het voorhoofd van die mensen, die zuchten en kermen over de gruwelen die in de stad bedreven worden. Mensen die verdriet hebben over de afgoderij onder Gods eigen volk. Mensen die geen andere mogelijkheden van verweer en verzet hebben dan kermen en de Here aanroepen.
Het kwaad is hun boven het hoofd gegroeid; ze zien de toekomst met vreze en beven tegemoet. Wat dat betreft is hun bestaan vergelijkbaar met de vraag van die mensen uit Jeruzalem, die we in Hand. 2 aan de apostelen horen vragen: Mannen broeders, wat moeten we doen? Is er nu nog een weg om genade te vinden?
Petrus heeft deze boodschap voor hen: laat U behouden uit dit verkeerde geslacht - zoals de getekenden in Ezechiël 9 behouden werden.
Zoekt de vergeving van zonden in de naam van Jezus Christus. Laat U dopen en ontvangt de Heilige Geest.
In het visioen van Ezechiël moeten de wraakengelen wachten tot de man met de schrijfkoker zijn werk heeft gedaan.
Zo moeten in Openb. 7 de engelen, die de vier winden der aarde vasthouden, wachten totdat de knechten des Heren aan hun voorhoofd verzegeld zijn.
Zo ziet Johannes ze, de verzegelden uit de stammen Israëls - en in één oogopslag met hen de schare die niemand tellen kan uit álle volken. Zij die komen uit de grote verdrukking en hun gewaden wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam.

-0-

Zo ontvangen gelovigen uit Israël en uit alle volken in de Geest van Christus het zegel van hun behoud; door die Geest leren zij Abba, Vader, zeggen.
Zo zijn ze kinderen en erfgenamen (Rom. 8: 15-17). Voor U, kon Petrus zeggen op het Pinksterfeest, geldt de belofte. Voor U en voor Uw kinderen - en voor allen die verre zijn, zovelen als er de Here onze God toe roepen zal. Aan die belofte van Gods verbond hebben de christenen in Efeze (en de gelovigen uit alle plaatsen en in alle tijden niet minder dan zij) deel ontvangen, Misschien loopt er een verbindingslijn tussen Paulus' spreken over de verzegeling met de Geest tot de dag der verlossing, juist in deze brief, en zijn schrijven over de eenheid der gemeente in hoofdstuk 2: 11-22. Vroeger, schrijft hij aan de christenen in Efeze, waart gij vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Thans, in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbijgekomen door het bloed van Christus. Geen vreemdelingen meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief