Rondom woord en kerk (1)
1988-07-15
- Jaargang 32
- nummer 27
| Tijdens de jaarvergadering van onze persvereniging op 12 maart j.l. hebben verschillenden van de aanwezigen kritisch gereageerd op het door ds DeJong gesprokene.Deredaktie vond twee van hen, de emeritus predikant ds J. Waagmeester en ds J. M. Mudde te Breukelen, bereid hun kritische gedachten op' papier te zetten. Nadat hun bijdragen gepubliceerd zijn, zal ds De Jong daarop nog antwoorden. De redaktie |
Kritische notities bij de causerie van ds H. de Jong over "De Toekomst van onze kerken".
Van het werk van ds De Jong heb ik vaak met dankbaarheid kennisgenomen. Maar toen ik de stellingen bij de causerie in "Opbouw" van 4 maartj.l. had gelezen, stonden er veel vraagtekens. Bij het luisteren naar de toelichting en het lezen van de causerie zijn mijn bezwaren alleen maar toegenomen.
'k Wil beginnen met wat ds De Jong zegt over de kerk en het lidmaatschap van de kerk. "Het komt er voor de NGK op aan, dienstbaar te zijn aan de komst van het Koninkrijk Gods." Hartelijk mee eens. Hóé zijn we aan de komst van dat rijk dienstbaar? We zijn dienstbaar aan de komst van Gods rijk, als we waarachtig kerk zijn. Als het Woord van de Koning heerschappij heeft. Kerk en Koninkrijk Gods hebben alles met elkaar te maken. Denk aan de verklaring van de tweede bede: Bewaar en vermeerder Uw kerk, H.C., vr. en antw. 123.
Ds De Jong zegt: "Ik wil radikaal af van de gedachte dat wij de ware kerk zijn in onderscheiding van anderen." Goed.
Maar we willen toch wel graag ware kerk zijn?
Bij het lezen van de causerie moest ik denken aan wat Prof. K. Schilder dikwijls zei: de kerk is geen genadewinkel.
Je lidmaatschap van de kerk wordt in de gedachtengang van ds De Jong vrij sterk bepaald door de vraag, ofjeje inje eigen kerk aangesproken voelt. Als bepaalde dingen in andere kerken iemand meer aanspreken dan wat zijn eigen kerk hem biedt en hij besluit bij ons weg te gaan, biedt hem dan een waardig christelijk uitgeleide.
't Hangt er wel sterk van af, waar zo iemand heengaat. Als het een keus is voor een kerk of groep, waarvan je weet: dat is geestelijke verarming, zou ik 't er niet zo makkelijk mee hebben. Natuurlijk, als iemand wil heengaan, zullen we hem of haar niet kunnen tegenhouden, maar het is wel verdrietig. Want als we zeggen: ik geloof de gemeenschap der heiligen, dan spreken we toch ook van een verplichting tegenover elkaar, nl. dat ieder verplicht is zijn gaven tot heil en nut van de andere leden te gebruiken, H.C., vr. en antw. 55. De eerste vraag is toch niet: worden hier mijn religieuze behoeften bevredigd, en: wat heb ik aan de kerk, maar: wat heeft de kerk aan mij'!
De kerk is het lichaam van Christus en daarvan geldt: het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig, 1 Kor. 12: 21. Laat ieder zich afvragen, of zijn behoefte wel legitiem is, als hij wil leven naar het apostolisch vermaan: ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen, Filipp. 2 : 4.
Wat die gedachte van de kerk als genadewinkel betreft, tot zesmaal toe las ik in de causerie zoiets als "het nederlands gereformeerde" of "het eigene van de NGK". Dat zou dan bestaan in de geringe traditiegebondenheid met behoud van de hoofdzaak (stelling 5) en ook een stapje terug ten aanzien van het Schriftgezag (stelling 4). We hebben dus iets eigens, dat bij anderen niet te vinden is. Ik kan met die redenering niet instemmen. Het komt er voor ons op aan, kerk van de Here Jezus te zijn.
"Om kerk te blijven", zei prof. C. Veenhof.
Daarom ging het ons in 1944. En ook in 1967.
"Is het werkelijk waar, dat wij het ons niet kunnen veroorloven om van andere kerken iets goeds te zeggen? Ik dacht, dat we hartelijk dankbaar moeten zijn.
En bok zijn - voor goede dingen in andere kerken. Ik heb niet alleen ds De Jong enkele malen gehoord in de middagpauzedienst van de Stichting Alle-Dag-Kerk, waar hij sprak over onderwerpen als de duivel en de hel en een andere kerk - live - over onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Het was voortreffelijk. Maar in een dergelijke dienst hoorde ik niet lang geleden Prof. Verkuyl over het begin van Jes. 40: een krachtige verkondiging van het eeuwig blijvende Woord van God tegenover alle menselijke ideologieën.
Het was hartverwarmend. En wat de (vrijg.) geref. kerken betreft, hun kerkboek verdient in veel opzichten waardering. Ook de formulieren van de chr. geref. kerken worden bij ons dankbaar gebruikt."
Geringe traditie gebondenheid. Daarbij is wel te vragen: wat verstáán we onder de traditie?
Over de overlevering spreekt de Schrift in meer dan één zin. Paulus prijst de Korinthische gemeente hierin, dat zij aan de overleveringen zo vasthoudt, als hij ze haar overgegeven heeft, I Kor. 11 : 2. En bekend is het begin van de brief van Judas: de vermaning, tot het"
uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.
Daarnaast spreekt de Schrift ook over de overlevering der ouden. Die traditie stelden de joodse Schriftgeleerden op één lijn met de geopenbaarde geboden van God. Die twee, de overlevering der ouden en de geboden van God waren dikwijls met elkaar in strijd, zodat de Here Jezus kon vragen: waarom overtreedt ook gij het gebod Gods vanwege uw overlevering?
Traditionalisme is ellendig. Maar de kerk kent ook een traditie, waar veel goeds van is te zeggen. ik denk aan de belijdenisgeschriften en de overgeleverde formulieren van doop, avondmaal, enz., de liturgische formulieren. Die getuigen van schriftuurlijke wijsheid. De kerkboeken met bijbel en liedboek duwen belijdenis en formulieren naar de achtergrond.
Dat is verarming. Geringe traditiegebondenheid is zonder meer bepaald geen verdienste.
En dan: met behoud van de hoofdzaak.
Maar wat is nu precies de hoofdzaak?
Als we denken aan de strijd in de kerk van de 1ge eeuw over "geest en hoofdzaak", is dit een zinnige vraag.
De grootste moeite blijf ik hebben met stelling 4: "Ten aanzien van het Schriftgezag moeten wij een stapje terug, willen wij niet in steeds kleinere groepjes van gelijkgezinden uiteenvallen".
Op dejaarvergadering van ons blad herinnerde ik aan H. Bavinck, die in zijn Gereformeerde Dogmatiek schrijft (4e druk, I, 423): "Het gezag der Schrift is ten allen tijde in de Christelijke kerk erkend, Jezus en de apostelen geloofden aan het Oude Testament als het Woord Gods en schreven daaraan toe een goddelijk gezag... Wat de apostelen geschreven hebben, moet zoo worden aangenomen, alsof Christus zelf het geschreven had, zeide Augustinus. En Calvijn verklaart in zijne uitlegging van 2 Tim. 3: 16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam (dezelfde eerbied, J. W. ) verschuldigd zijn als aan God".
Ds De Jong heeft gezegd, dat hij de woorden van art. 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar van de kanonieke boeken beleden wordt "waar niets tegen valt te zeggen" niet meer voor zijn rekening kan nemen. Hij is van mening, dat er wèl wat tegen valt te zeggen.
Nu waarschuwt hij in zijn causerie tegen het elkaar beschuldigen van Schrift kritiek en ontrouw aan dit of dat. Voor die waarschuwing ben ik gevoelig en we moeten inderdaad dat maar niet te snel doen. Maar ds De Jong hééft toch kritiek op de Schrift?
Als hij de vraag stelt: "Is het werkelijk de bedoeling van de Schrift om ons te binden aan een voorbije kultuur?" dan zeggen we van harte: nee, natuurlijk niet. Maar als hij in de toelichting op dezelfde stelling zegt: ik geloof er niets (meer) van dat we aan de "zwijgteksten"
van Paulus voor de vrouw in de gemeente gebonden zijn, dan gaat het daar niet over een voorbije kultuur, want de apostel grondt dat gebod op de scheppingsorde: want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva, 1 Tim. 2: 13.
Als ds De Jong in Opbouw van 20 mei schrijft over: "Eerst de Jood maar ook de Griek", zegt hij: Men zou zich de vraag kunnen stellen of deze kunstspreuk van Paulus zich niet voor nog andere invullingen leent. Bijvoorbeeld: ,,Eerst de man, maar ook de vrouw".
Maar dat is m.i. een konstruktie van ds De Jong, die hij opdringt aan de Schrift.
Het beroep van Paulus op de scheppingsorde is zo niet weg te exegetiseren.
Inderdaad bedoelt de Schrift ons niet te binden aan een voorbije kultuur. Maar evenmin bindt de HERE ons aan de tegenwoordige kultuur. Wij zijn vreemdelingen op aarde. Wij, in 1988, evenzeer als onze broeders en zusters in de gemeenten van de eerste eeuw na Christus.
We laten toch ons antwoord op de vraag, die ds De Jong noemt, niet bepalen door de hedendaagse kultuur?
We zeggen toch ook niet: verreweg de meeste jongeren gaan samenleven vóór het huwelijk; dat moeten wij nu ook aanvaarden en ons niet langer gebonden weten aan de voorbije kultuur, waarin samenwonen vóór het huwelijk verkeerd gevonden werd? We zoeken voor zulke vragen het antwoord van de Schrift, en dan zakken we niet weg in onbenulligheden. De kerke raad van de Ned. Geref. Kerk te Amsterdam-
Centrum heeft indertijd een duidelijk besluit genomen over deze zaak, waar ik erg blij mee was.
Als bewijs voor zijn stelling, dat er wel wat tegen de Schrift valt te zeggen, noemde ds De Jong in de discussie ook dit: Die deel krijgen aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen ... Immers, zij zijn aan de engelen gelijk. Engelen huwen niet.
Maar in Gen. 6 lezen we van de zonen Gods, dat zij zich vrouwen namen uit de dochters der mensen, wie zij maar verkozen. Met die zonen Gods zijn engelen bedoeld. Uit deze verbintenissen zouden dan de "reuzen" zijn voort gekomen. Om verschillende redenen acht ik deze verklaring verwerpelijk. De voornaamste reden is voor mijn besef, dat die verklaring het gezag van het Woord aantast, i.c. het vleesgeworden Woord. Als onze Heer zegt, dat engelen niet huwen, dan is daarmee uitgemaakt, dat wie hier van huwelijken van engelen en vrouwen gesproken wil zien, een verkeerde verklaring geeft.
Het gaat bij het Schriftgezag niet om een kleinigheid. Bij de toelating tot de dienst des Woords tekent een kandidaat het "Ondertekeningsformulier voor de dienaren des Woords". Dan is het toch vreemd, als een predikant, die de theologische studie begeleidt, hardop zegt: ik kan die woorden uit art. 4 NGB niet meer voor mijn rekening nemen.
En wat bereiken we nu met die telkens herhaalde kritiek op de Schrift? Wat betekent dit voor de opbouw van het geloof?
We zijn er vaak nog naast, zoals in het geval van Gen. 6. En als er dingen zijn, die wij niet verstaan en waarin we tegenstrijdigheid zien, dan is het goed eerlijk te zeggen: non liquet, de zaak is niet duidelijk.
Want het gezag van de Schrift is geen bijkomstigheid. Ds De Jong wijst in stelling 4 op het gevaar, dat we bij het uitblijven van eenstemmigheid inzake verschilpunten onder ons onze geestelijke en kerkelijke eenheid om bijkomstigheden op het spel zetten. Maar als we ten aanzien van het gezag van de Schrift een stapje teruggaan, dán zetten we zéker onze geestelijke en kerkelijke eenheid op het spel.