Kracht en zwakte van de wijsheid (Psalm 39)
1987-07-03
Psalm 39 is niet zo gemakkelijk te begrijpen. Vooral 't begin ervan is vreemd. Er wordt zin voor zin een geweldige spanning opgebouwd; die in vs. 5 tot een onlogische, ietwat gelaten, ontlading komt. "Laat mij, HERE, mijn einde kennen en welke de maat van mijn dagen is. Laat mij weten hoe vergankelijk ik ben", staat daar.- Jaargang 31
- nummer 26
Het lijkt dan alsof dàt 't probleem is waar de dichter in heftigheid van gemoed mee rond loopt te tobben: dat 't leven zo kort is en dat hij daarmee hoognodig verzoend moet worden.
Maar hoe waar 't ook is dat je 't daarmee wel eens te kwaad kunt hebben, het verklaart toch bij lange na niet de opwinding waarvan we in 't begin van de psalm getuige zijn. De kortheid des levens, dat is toch meer een probleem waar een mens in momenten van beschouwelijkheid aan tilt, in een afstandelijkheid die eigen is aan de wijsheid.
Terwijl we in 't begin van de psalm iemand ontmoeten die geestelijk op springen staat. Breek mij de mond niet open, zegt hij in vele toonaarden.
Deze psalm is dan ook gekenmerkt door een eigenaardige mengeling of afwisseling van heftigheid en beschouwelijkheid, van geëmotioneerde betrokkenheid en - ja, je zou haast zeggen: filosofische distantie.
Ik wil dit korte ogenblik(*) gebruiken om te laten zien hoe die twee zich hier tot elkaar verhouden.
Wij weten niet precies - zoals gebruikelijk in de psalmen - wat deze dichter is overkomen, maar 't is duidelijk dat de Almachtige een zeer zware weg met deze mens gaat die hem tot verbijstering brengt. Het wordt hem ondragelijk. En dat maakt hem bang, bang voor zichzelf. Hij weet: als ik nu ga praten, dan breekt er een lawine los, dan heb ik mezelf niet meer in de hand. En dat terwijl de goddeloze vóór mij staat Dat wil zeggen: de niet-godvrezende mensen letten nu extra op mij en willen weten wat ik hiervan terug heb. Welnu, zij zullen er getuige van zijn dat ik onder' deze omstandigheden met mijn woorden de Naam van,God niet heilig, maar veeleer laster.
Dus zwijg ik. "Ik wil mijn mond met een muilband bedwingen" (vs 2). Ik wil geen voedsel geven aan de spot van de goddelozen, met God, ik wil niet dat de dwazen mij om mijn godsdienst smaden.
Deze dichter behoort dus niet tot degenen die aansporen tot twist met God.
En hij heeft daarvoor een sociaal argument: wat zullen de mensen daar wel niet van zeggen, de mensen die voor mij staan, die op mij letten?
Inderdaad houden wij ook in tijden van beproeving onze verantwoordelijkheid tegenover' onze medemensen. Wij zijn niet alleen op de wereld.
Maar is zwijgen de oplossing? "Ik zweeg - maar mijn smart werd heviger, mijn hart gloeide in mijn binnenste" (vs. 3, 4), horen we deze aangevochtene konstateren. En zo is het -ook, 'Het spraakvermogen is een zegen. Het is ons ook tot zielsontlading gegeven. Het is niet goed alles zelf te verkroppen. Dat redden we niet. De smart wordt dan inderdaad heviger, zoals de psalm zegt.
We raken overstelpt.
Ziet u voor welk moeilijk dilemma deze mens staat? Hij zou moeten spreken, z'n gemoed moeten luchten, maar hij is bang dat als hij z'n mond opendoet, hij zich niet meer in de hand zal hebben.
Het is nu vanuit dit moeilijke dat hij een uitweg zoekt in de beschouwelijkheid.
Onderkoelde woorden van wijsheid, komen over zijn lippen.
"Ik sprak met mijn tong" - horen we hem de spanning breken - en dat 'met mijn tong' moet u niet als een overbodigheid zien, maar dat spreken met de tong staat tegenover 't inwendige spreken waar hij steeds al in grote zielsontroering mee bezig was. Nu evenwel gaat hij spreken mei zijn tong, hoorbaar, verstaanbaar voor anderen, voor ons: "Laat mij, HERE, mijn einde kennen." Hoe lang heb ik te leven? U zegt: dat was toch' zeker zijn probleem niet? En U hebt gelijk. Maar de dichter dwingt hier z'n geest in een richting anders dan die van zijn moeite. Hij maakt 'met zijn woorden een omtrekkende beweging, om zo in grote voorzichtigheid lucht te geven aan zijn , opgekropt gemoed.
Hij bidt God dat hij zijn plaats mag weten als nietig mens. Een thema dat in Israëls wijsheidliteratuur vaak aangeslagen wordt: Here God, wie zijn wij eigenlijk?
Toch niet meer dan een ademtocht voor u. Hoe kort is ons leven wel niet? "Immers heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht", zegt een andere psalm (Ps. 131:2). Dat is wat hier gebeurt.
Met behulp van de wijsheid, want dat is typisch de taak van de wijsheid: de mens z'n plaats aan te wijzen in het geheel, zodat hij zich van zijn grenzen bewust wordt en oog krijgt voor 't onoplosbare in zijn leven, zodat hij op tijd problemen die te groot zijn weer los laat. Je merkt dan ook in 't vervolg van de psalm dat dit helpt, dat 't de dichter nu lukt om op een kalme wijze zijn moeilijkheden met God te bespreken.
Het is uit kracht van de wijsheid dat hij dat kan. Hij is klein geworden onder de wijsheid. En zo zien we dan hier de wijsheid in haar kracht.
Maar nu merken we toch ook nog iets anders op in dit lied: En wel een nadeel en een zwakte van diezelfde wijsheid.
Dat ze namelijk inderdaad distantie neemt. En wel zodanig dat David in deze psalm niet tot innigheid komt. Bijna niet; vs. 8 zou je als uitzondering daarop kunnen noemen. Maar het lied mondt toch niet uit in hartelijkheid en vertrouwelijkheid (zoals dat bijvoorbeeld in psalm 73 duidelijk het geval is). Ik denk hierbij aan het laatste deel.
"Want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen" (vs. 13b). Zeker, ik zie er niet aan voorbij dat de dichter met deze woorden een beroep doet op 't gastrecht dat de vreemdeling in Israël genoot: mag ik dat recht ook bij U genieten, mijn God?
Zeker, maar 'vreemdeling' en 'bijwoner', het zijn toch ontegenzeggelijk afstandelijke begrippen, Ze stralen geen intimiteit uit, die toch voor de verbondsverhouding met de Here God zo kenmerkend is.
En wat denkt u van 't allerlaatste woord: "Wend uw blik van mij af, opdat ik mij weer verblijde, eer dat ik heenga en niet meer ben" (vs. 14). Andere psalmen vragen: zie mij aan, Here God.
Ze bedelen als het ware om bemoeienis.
Hier 't omgekeerde: kijkt U alstublieft een andere kant op.
Hier stuiten we op de zwakte van de wijsheid. Die lost niet alles op. Op z'n best doet ze niet meer dan erger voorkomen.
Deze psalm is dan ook verre van triomfalistisch. Hij legt een noodverband.
De toestand wordt er dragelijk van. Niet veel meer.
Wijsheid hééft dat. Ze doet je afstand nemen zodat watje te dragen hebt, dragelijk wordt. Maar tegelijk is die afstand haar nadeel en zwakte. Wijsheid verspreidt wellicht, maar geen warmte.
En zo is deze psalm een beker koud water onderweg, maar hij leidt niet echt uit de woestijn. Gelukkig zijn er andere psalmen die dat wel doen. Maar daarmee ontneem ik aan de 39ste psalm z'n waarde niet. Want een beker koud water onderweg - 't is toch niet niets.
(*) Voor de NCRV-microfoon op 16 december 1986