Pastorale Notities

1987-07-03
  • Jaargang 31
  • nummer 26
Leven op de grafrand

Vandaag hebben we Oma begraven.
Ze bereikte de gezegende leeftijd van 90 jaar, en ze gewon kinderen, kleinen achterkleinkinderen.
Hoewel ze geen lid was van één van onze gemeenten leidde ik op haar uitdrukkelijk verzoek de begrafenis.
Dat gebeurde in volle harmonie met haar eigen kerk, die zich deed vertegenwoordigen door de ouderlinge, die zo goed voor haar zorgde.
Het leiden van de dienst van Woord en gebed was een mooie, maar moeilijke taak. Mooi omdat je als (schoon)zoon van binnenuit kunt spreken. Moeilijk, omdat het zien van al die lieve, ontroerde gezichten emoties zou kunnen oproepen, die de dienst zouden verstoren.
Maar het ging goed. Het werd weer zo'n echt christelijke begrafenis waarvan onze Here Jezus de auteursrechten bezit, door zijn Heilige Geest. Na de samenkomst in de aula stonden we in een zachte regen aan de groeve. Het graf waarin opa en zijn oudste zoon al zo lang rustten, was open gelegd. Familie en vrienden groepeerden zich aan het voeteneind. De natte plankieren links én rechts werden min of meer versperd door overhangende takken, zodat ik alleen maar heel voorzichtig, vlak langs de grafrand, de mij aangewezen plaats bereiken kon, naast de doodgraver, aan het hoofdeinde.
Toen die op het punt stond de kist te laten zakken... boem, boem, boem, ... wie kwam daar met jongensachtige lenigheid aangerend, vlak langs de grafrand. over de doorbuigende planken? Onze oudste kleinzoon (9): hij wilde naast z’n opa staan. Stijf drong hij zich tegen me aan. En met mijn arm geslagen om dat joch, hebben we toen samen met alle aanwezigen hardop ons geloof beleden in de Drieënige God.
(Klinkt onze oude geloofsbelijdenis ooit zo machtig als over een open graf) En samen hebben we het Onze Vader gebeden. Dat was ontroerend. We waren daar nog één keer allen samen bijeen: enkelen in het graf, de anderen er om heen: overgrootouders, grootouders, kinderen, kleinkinderen. We hadden het zojuist gezongen: geslachten gaan, geslachten zullen komen we Zijn in Gods ontferming· opgenomen.
Twee dagen later waren de levenden weer bijeen. Nu niet rondom een open graf, maar bij een open doopvont. We zagen het teken van Gods grote barmhartigheid en trouw bedienen aan weer een nieuw (achter )kleinkind.
Opnieuw zongen we de dierbare woorden: we mogen bouwen op vaste grond van uw beloften en van uw verbond.
Wat kan he leven nog goed zijn, vlak op de rand van het graf!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief