En bedroeft de Heilige Geest Gods niet...

1988-07-29
  • Jaargang 32
  • nummer 28
Als de apostel de gemeente voorhoudt, dat zij is verzegeld met de Heilige Geest der belofte, vindt hij daarin ook een reden haar een indringende vermaning mee te geven. Ze mag delen in de belofte van het verbond van de HERE - dat brengt ook mee dat ze deelt in de roeping, in dat verbond te leven.

Inde voorgaande overdenkingen hebben we gezien, hoe in het geschenk van de Heilige Geest de beloften, door de profeten aan Israël gegeven, ook aan de "vreemdelingen" worden vervuld, zodat ze medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods werden.
In Christus kregen ook zij de toegang tot de Vader. Ook van hen, en het geldt niet minder voor ons vandaag, zegt de HERE: Ze zijn Mijn volk, kinderen die niet trouweloos worden, en Hij werd hun tot een Verlosser (Jes. 63 : 8).
De geschiedenis leert tevens, dat "in alle verbonden twee delen begrepen zijn". Zoals een huwelijk een zaak is van twee partners, die elkaar hun vertrouwen geven, geeft de HERE Zijn vertrouwen: "kinderen die niet trouweloos worden", horen we Hem zeggen in Jes. 63. Hijzelf heeft Zijn trouw getoond: in Zijn liefde en mededogen heeft Hijzelf hen verlost en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds (Jes. 63 : 9).
Maar dan komt het vervolg; en in de woorden van Paulus in Er. 4 : 30 vinden we de klank van dit vervolg terug.
In vs. 10 lezen we: Maar zij waren weerspannig en bedroefden Zijn Heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. Ook dat kan gebeuren in het verbond van de HERE: dat Hij in t,.en vijand verandert.
Hijzelf streed tegen hen, vs 11.
Kunnen we ons iets ergers voorstellen dan dat?
Zoals Israël zich moest onderscheiden van de heidenwereld, omdat het in de verlossing de trouw van de HERE had leren kennen, en op die basis de woorden van Zijn verbond meegekregen had, dient de gemeente zich te onderscheiden van het heidendom, waaruit zij voortgekomen is. Zo was het in Efeze, vandaag zou gezegd kunnen. worden: van het heidendom waarin een ontkerstenende wereld terug valt. Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen. Met dat zinnetje kunnen we de hele pericoop Ef. 4: 17-32 wel typeren. Israël leerde uit wet en profeten de wegen van Gods verbond; wij zijn onderricht in Christus en door Hem in de wegen van het nieuwe verbond: de oude mens afleggen, de nieuwe mens aandoen (vs. 23, 24). (Ik wil U aanbevelen nog eens na te lezen wat dr D. Holwerda over deze tekst geschreven heeft in Opbouw van 7 okt. 1983).

-0-

Verzegeld zijn met de Heilige Geest Gods houdt de gevaarlijke mogelijkheid in die Geest te bedroeven.
Met als gevolg: God verandert in een vijand. Misschien is het om op déze gevaarlijke mogelijkheid te wijzen, dat Paulus hier spreekt over de Geest als over de Heilige Geest Gods. In de geschonken Geest hebben we te maken met de God die Hem geschonken heeft. Wie de gegeven Geest bedroeft, bedroeft de gever van de Geest, verg. Jes. 63 : 10.
lk wil in dit verband nog een keer teruggaan naar het visioen uit Ezechiël 9, dat vorige keer al ter sprake kwam.
In dat visioen staat de HERE op het punt de heilige stad te verlaten. De heerlijkheid van God had zich al verheven van de cherub waarop zij rustte en zich begeven naar de dorpel van de tempel. En het gericht begint dáár bij het heiligdom (vs 6). De heiligste plaats is ook de gevaarlijkste. Het heiligdom is niet een plaats die automatisch vrede en veiligheid biedt: de HERE laat Zelf vanwege de ongerechtigheid die er plaatsgevonden heeft, Zijn heiligdom verontreinigen (vs. 7).
Van hieruit gaan mijn gedachten naar I Petrus 4 : 17: "want het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal dan het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen?
De rechtvaardige ternauwernood behouden - daarbij kunnen we toch denken aan de positie van de rechtvaardigen in Ezech. 9: terwijl het oordeel over de stad losbreekt, worden zij nog op het nippertje verzegeld. In Openb. 7 is het niet anders: de knechten van God worden verzegeld, maar de gerichtsengelen staan klaar. Ze moeten wachten, maar zijn gereed.
Des te meer klemt de vermaning: en bedroeft de Heilige Geest Gods niet door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Eerder heb ik al opgemerkt, dat die dag der verlossing ook betekent de dag van gericht over de goddelozen te beginnen bij hen die Gods Heilige Geest bedroeven.
Een zonde die alleen mogelijk is bij het volk van God - in Israël vroeger, in de gemeente van medeburgers der heiligen nu evenzeer.

-0-

Wat me daarbij nog opviel was, dat deze vermaning om de Heilige Geest niet te bedroeven, staat tussen twee verzen (29 en 31) die gaan over de manier waarop we ons uiten: geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als ge een goed woord hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij die het horen genade ontvangen. En : alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid.
Bedenken we dat op het Pinksterfeest de Geest de gemeente juist leerde met een nieuwe tong te spreken, dan leidt de vermaning om de Geest niet te bedroeven, tot het gebed van Psalm 19 : 15 : mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief