Een impressie uit Dronten

1988-07-29
  • Jaargang 32
  • nummer 28
Eén van de deelnemers aan het gesprek over de vrouw in het ambt noemde het bezig zijn met dit probleem een hermeneutische kwestie. Een zaak van uitleg en interpretatie. Daarin zouden de verschillen in uitleg naar voren komen.
De één gaat uit van de "christelijke vrijheid".
Veelal wordt dit toegepast op de ruimte voor de zelfstandige plaatselijke kerk om vrouwelijke diakenen aan te stellen. Een ander legt de nadruk op de scheppingsorde in Genesis. "Een hulp die bij hem past". "Eerst Adam, dan Eva". Deze onderschikking zou daarmee normatief zijn voor de verhoudingen in de gemeente. Nog weer iemand beklemtoont het gezag-op-zich van de Paulinische voorschriften, die wijzen op een bepaalde positie van de vrouw: zwijgend en dienend. En een laatstewas dat maar zo - heeft het over het tijdgebonden karakter van Paulus' uitspraken: kinderen van hun tijd.

Wat mij opviel was dat er op de tweede bijeenkomst over dit onderwerp (28 mei j.l.) inhoudelijk redelijk gesproken en geluisterd is. Toch werd er nauwelijks ingegaan op de verschillen in uitgangspunten.
Nog minder aandacht is besteed aan de vraag welke rol een uitganspunt speelt in de persoonlijke overwegingen en uiteindelijk in de goed- of afkeuring van een voorstel. Dat heeft mogelijk te maken met de moeite die ieder mens wel heeft met de bewustwording van oordelen en principes en de doorwerking ervan in het handelen.
Een vraag hierbij kan zijn: "is de verhouding van norm en handelen er één van oorzaak en gevolg en daarin beredeneerbaar of ligt het gekompliceerder?"
Een andere vraag betreft de prioriteit in het geheel van normen, dat gehanteerd wordt. Is het mogelijk om te spreken van absolute of universele normen die door "iedereen" erkend worden als belangrijk of noodzakelijk voor het handelen.
Te denken is aan liefde tot de naaste en eerbied voor het leven enz. Zijn er daarnaast ook minder gewichtige normen zoals b.v. fatsoensregels (niet onbelangrijk) of liturgische opvattingen m.b.t. de eredienst.
En wat te denken van de hier en daar uitgesproken vrees of angst voor modernisme of aan de andere kant de wens om niet geïsoleerd komen te staan van hedendaagse ontwikkelingen op het terrein van man-vrouw-maatschappij.
Hoe funktioneren dergelijke gevoelens in het handelen en denken over deze zaak? Het is niet alleen deze complexe materie die het mens-zijn nogal eens raadselachtig en triviaal maken, daarnaast speelt nog iets anders een rol.
Op de vergadering worden elementaire noties op het terrein van vergadertechnieken nauwelijks herkend. Het gaat om de fasen in het besluitvormingsproces.
Dit punt wil ik graag toelichten.
Wil men een besluit nemen dan dienen eerst de feiten op tafel te komen (dat kunnen b.v. schriftgegevens zijn of standpunten die zijn ingenomen in de historie enz.). Dit is de fase van beeldvorming.
Hierna gaat men bezig met het formuleren van criteria, toetsstenen. De vraag is hier: hoe toetsen we en waaraan? De fase van oordeelsvorming.
Ten slotte rest de fase van besluitvorming: hoe besluiten we, wie voert het uit enz.
Hoewel deze fasering ietwat gekunsteld aandoet en er lang niet altijd sprake is van een lineair proces A-B-C is het wel goed omje eraan te houden. Inde praktijk kan het voorkomen dat men besluit na de fase van oordeelvorming eerst weer bezig te gaan met beeldvorming.
Kennelijk zijn de beschikbare gegevens onvolledig.

Hoe gaat het op de Landelijke Vergadering?
In de fase van beeldvorming (feiten en gegevens verzamelen) wordt onvoldoende gelet op de hoedanigheid van de feiten. Soms worden bijbelteksten als feiten aangemerkt en in andere gevallen wordt de bedoeling van de tekst een feit genoemd, nadat in zo'n geval de tekst in een verband en in een historische culturele kontekst is gelezen.
Nogal eens worden als feiten zowel genoemde historische situaties/gebruiken zoals een bepaald kerkelijk gebruik in de 3e eeuw als ook voorschriften en geboden die wel een bepaalde richting van het handelen bepalen, maar lang niet altijd als zodanig zijn uitgevoerd of van tijd tot tijd verschillend.
Ten slotte worden persoonlijke opvattingen als feiten gezien. "We moeten oppassen voor de ontwikkelingen in andere kerken. Die zijn ook met de vrouw in het ambt begonnen en zie wat ervan is terechtgekomen."
Er is veel meer te noemen.
Samenvattend: Het beeld is vaag en wordt deels bepaald door een selektie van gegevens vanwege persoonlijke opvattingen; het beeld is tegenstrijdig (feiten, normen en persoonlijke waardeoordelen worden als gelijke zaken beschouwd); het beeld is niet gemeenschappelijk (er wordt weinig om verduidelijking van elkaars standpunten gevraagd).
Ten slotte wordt midden in het gesprek al aandacht besteed aan voorstellen die in de richting van een besluit gaan.
Hoe zit het met de fase van de oordeelsvorming?
Zijn er criteria om te toetsen, zijn die duidelijk en is iedereen ervan op de hoogte?
Op de Landelijke Vergadering worden wel criteria genoemd zoals:
a) er moet een antwoord komen, want Amsterdam-C zit er al jaren op te wachten.
b) het besluit mag niet in strijd zijn met het accoord van samenleven.
c) het besluit moet bijbels verantwoord zijn.
d) door het besluit mag geen gewetensnood bij mensen ontstaan.
e) er moet rekening worden gehouden met nabuurkerken.
f) het besluit moet rekening houden met de z.g. christelijke vrijheid, d.w.z. het honoreren van gegroeide plaatselijke situaties.

Mogelijk zijn er meer criteria, maar de vraag is interessant, zijn de criteria wel duidelijk en wat wordt ermee bedoeld?
Criteria a en b zijn duidelijk -lijkt mijen ook wenselijk vanuit de kwaliteit en consistentie van het besluit.
Criterium c. zal door iedereen als centraal worden beschouwd, maar hier komen de bezwaren om de hoek: wat is bijbels verantwoord? Wie bepaalt dat? Wij leerden op de Jongelingsvereniging (voor historische fijnproevers: J.V. Filadelfia te Drachten 1965-1967) "Schrift met Schrift te vergelijken" en "de Schrift legt zichzelf uit", maar dat problemen van exegetische en hermeneutische aard vervolgens opdoemen zal voor iedereen duidelijk zijn.
De opgave is zinvol en wenselijk. De weg om tot resultaat te komen en het resultaat moeizaam en niet altijd duidelijk.
Criteria d. en f. lijken met elkaar in strijd te zijn, hoewel je de vraag kunt stellen of iemand b.V.uit Dronten in gewetensnood komt als er in Amsterdam vrouwelijke ambtsdragers zijn. Of ontstaat gewetensnood pas op het niveau van een regionale vergadering, waarop vrouwelijke ambtsdragers zijn vertegenwoordigd.
Je kunt hier overigens nog spreken van b.v. een diaken die op zo'n vergadering niet zozeer ambtsdrager is, maar vertegenwoordiger van de plaatselijke gemeente. En in de laatste plaats: is er alleen gewetensnood wanneer je als kerklid binnen je gemeente vrouwelijke ambtsdragers tegenkomt?
Trouwens, wat te denken wanneer de gewetensnood van de één de gewetensnood van de ander oproept: Mijn ruimte wordt jouw beperking. Hoe gaan we daarmee om?
Criterium e. over de relatie met de nabuurkerken is dermate ongrijpbaar en wordt door iedereen naar eigen voorkeur uitgelegd. Ondeugdelijk derhalve.
En toch knikken we begrijpend, wanneer het critirium genoemd wordt.
Het laatste punt betreft de besluitvormingsfase.
Deze wordt grotendeels bepaald door de gekozen procedure. Het moderamen zal een poging doen om 3 voorstellen tot één te smeden. Hier zullen de bovengenoemde punten ongetwijfeld een rol spelen. Het zou te wensen zijn dat vóór het nemen van een besluit 'alle' gegevens en criteria boven tafel komen en ook mogelijk een toetsing van persoonlijke uitganspunten (soms ook oordelen en vooroordelen) aan die criteria.
Een aantal jaren geleden was er een programma op de T.V. met de titel "De achterkant van het gelijk". Kopstukken op velerlei gebied werden t.a. v. een probleem danig aan de tand gevoeld op een "socratische" wijze. Iemand met een bepaalde opvatting wordt vragenderwijs geconfronteerd met de voors en tegens ervan; soms ook met het dubbelzinnige van een stellingname.
Dat kon best eens een goede methode zijn om het eigen standpunt op een doordachte wijze te verhelderen. Angst voor het "dialectische" karakter ervan zou binnen onze kring niet op z'n plaats hoeven te zijn, gelet op de neiging om na denkwerk en twijfels toch een bepaald standpunt in te nemen en daarvoor te willen staan.
En wie reeds een stelling heeft ingenomen - weloverwogen - zou van moed getuigen om die - al was het voor zichzelf - ter discussie te stellen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief