Het Liedboek
1988-08-05
Lied 470- Jaargang 32
- nummer 29
Hetgeen bij diverse liederen reeds is opgemerkt, geldt ook voor dit Lied: de stijl is dermate verouderd dat de vraag rijst: hoe lang zal het nog een plaats innemen in de gemeentezang. En behalve voor de stijl geldt het in niet mindere mate voor de inhoud. Veel ervan "is van grote betekenis geweest in een situatie die de onze niet meer is. Verscheidene liederen vertolken een levensgevoel, dat ons vreemd is. In alle tijden hebben de dichters in hun liederen weergegeven wat er leefde in de boezem van de kerk en zij hebben in hun liederen een antwoord gegeven op de vragen die oprezen in de harten van hun tijdgenoten.
De liederen van Ambrosius waren dogmatisch bepaald door de kerk-historische beslissingen van zijn tijd. De dichters van de middeleeuwen vertolkten de vroomheid en de angsten van de christenheid uit hun dagen. En ook de piëtistische en rationalistische dichters hebben aangesloten bij het levensgevoel van hun eeuw. De moderne mens, geconfronteerd met de problemen van industrialisatie en urbanisatie, vraagt naar zekerheid, veiligheid, verzoening, vrede, eenheid". (Dr. C. P. van Andel a.w. pag 181).
Het lied is voor deze tijd nog wel aanvaardbaar, al zal het niet in alle opzichten nog aanspreken: "Wat vlied' of bezwijk', getrouw is mijn God, Hij blijft aan mijn zij in 't wisselend lot; moog 't hart soms ook leven in 't heetst van de strijd ..." (strofe 1); "Ik roem in mijn God, ikjuich in Zijn trouw, de rots mijner ziel, waar 'k eeuwig op bouw ..." (strofe 4).
De melodie is algemeen bekend en een goede "draagster" voor de tekst.
Tekst:3; melodie:3
Lied 471
De beoordeling van dit Lied kan geheel aansluiten bij hetgeen bij het vorige is opgemerkt. Het geeft blijk van een mystieke devotie: "Ik heb gejaagd wel jaren lang, om goed en vroom te leven, maar 't werd mijn ziele toch te bang, mijn werken kon niets geven" (strofe 1); 'k Had van mijn deugden veel verwacht, 't heeft alles mij belogen. Ik had mijzelve slechts bemind en ijdelheid verkoren".
(strofe 2). Het lied is te sterk persoonlijk gericht en spreekt van "ouderdom en berusting en van spijt over een verkeerd besteed leven."
De melodie ligt minder goed in 't gehoor dan die welke voor dit lied gold in de bundel-1938 (gezang 155). Deze laatste zou daarom beter kunnen worden gehandhaafd, temeer daar ze o.i. in geen enkel opzicht minder geschikt is.
Tekst: 1; melodie: 2 (venwege de moeilijkheid en afwijking van de bestaande).
Lied 472
Dat er nog wel enige variatie is in de mate van verouderde taal en stijl leert de vergelijking van dit Lied met andere in deze beoordelingsreeks. Stellig zal dit een van de minst aanvaardbare zijn.
"Eerder dan bijbelse noties dringen zich Griekse gedachten aangaande .de onsterfelijkheid der ziel aan ons op.
Strofe 5 bevat een verwijzing naar de Theseus-Ariadne-mythe: Ariadne helpt Theseus om de Minotaurus te overwinnen door hem met behulp van een draad, bij de ingang vast gemaakt, de weg in en uit het labyrinth te wijzen".
(Comp. p. 1084). De vraag rijst meteen waarom dit lied in het Liedboek is opgenomen.
De melodie is die van Psalm 134.
Tekst: 1; melodie:3
Lied 473
Oorspronkelijk telt dit (Engelse) Lied 6 strofen, maar de vertaler heeft er zelf een 4-tal aan toegevoegd (strofen 7 t/m 10). De reden daarvoor was: "Ik had het gevoel, dat het oorspronkelijk lied toch te veel buiten het gewone leven stond; dat ik aan God moest afstaan alles wat ik bezit aan lichamelijke en geestelijke krachten en stoffelijk bezit; dat ik dit alles in Zijn dienst moet besteden wordt in dit gebed - afwisselend met ,,neem" en ,,maak" ingeleid - wel wat erg vlot geformuleerd. De dichteres was blijkbaar wèl tot die volle overgave gekomen, maar wij sterke, gezonde, rijke mensen mogen toch wel erkennen, dat wij er nog niet zijn. Daarom meende ik dat men ook zijn zonde en schuld, zijn verdriet en tranen, zijn maatschappelijke positie en zijn geluk aan God moet durven overgeven, om ten volle mens te worden in Zijn Naam. In het "neem mijzelf' van strofe 10 is alles samengevat".
(Comp. p. 1087). Door zijn eenvoud en echtheid is het in ons land een geliefd lied geworden. "Bij het beoordelen van dit lied, in 't bijzonder de nieuwe strofen, was het merkwaardig te zien, hoe verzen, die door de één verworpen werden, door de ander halsstarrig werden verdedigd", aldus een (veelzeggende) opmerking van de vertaler-bewerker.
De melodie moet niet te snel en "te romantisch" worden gezongen. "De zangwijs past uitstekend bij de tekst.
Het verdient aanbeveling hier wisselzang toe te passen". (Comp. p. 1089).
Tekst:3; melodie:3
Lied 474
Hoewel niet sterk verouderd, kan dit Lied o.i. toch nauwelijks nog een plaats worden toegekend in de serie kerkliederen van deze tijd. Plaatsen we het in zijn geheel tegen de achtergrond van de aangegeven Schriftplaatsen (voor strofe 1: Jac. 1: 22-25; voor de strofe 2: 2 Cor. 12: 19 en voor strofe 3: Rom.
8 : 39) dan beoordelen we het lied - met enige aarzeling - met een 2. Regels 7 van strofe 2 "aller mensen broederschap" zou aanleiding kunnen geven tot enige bedenking vanwege een mogelijke interpretatie van de algemene verzoening.
De melodie, die eenvoudig is en gemakkelijk aanspreekt is al geheel ingeburgerd geraakt. Ingetogen zingen is wel een voorwaarde om een al te "marsachtige" indruk te voorkomen.
Tekst:2; melodie:3
Lied 475
De beginregels van dit Lied blijken karakteristiek te zijn voor de inhoud: "Geef mij Heer, mij los te zingen van de wereld en haar strijd". "In wezen was de dichter Wapenaar , hoewel hoofd van een Gereformeerde school, een echte mysticus. Zijn geschoold zijn in de traditie van de Tachtigers maakte dat zijn poëzie te individualistisch is voor een kerkelijk gebruik" (Comp. p. 1091). Dat de mysticus hier spreekt wordt o.m. duidelijk in strofe 3: "Als geen zonde, onbeleden, als ons niets en niemand scheidt, vloeit mijn ziel vol van een vrede die me ontvoert aan tijd en strijd". Vergelijking van dit lied met b.v. de berijmde Psalm 63, laat een opmerkelijk verschil zien met een voorkeur voor deze Psalm.
De melodie is bijzonder geschikt voor het dragen van deze tekst.
Tekst:1; melodie:3
Lied 476
Bij de tekst van dit Lied zijn zeer veel bijbelse noties aan te geven, verdeeld over een groot aantal heilsfeiten. "Ik heb er niet naar gestreefd voor Pasen, Hemelvaart en Pinksteren elk een afzonderlijke strofe te dichten. Nodig waren een geconcentreerde dictie en een zekere vaart", aldus de bekende dichterschrijver Rijnsdorp, "die namens de Gereformeerde kerken vele jaren lang intensief heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een "doorbraak" naar het zingen van gezangen óók in de kerkdienst (al hadden intussen de psalmen zijn grote aandacht". (Comp. p. 1094, 1095).
De melodie is reeds bij lied 221 besproken.
Stellig zou voor dit lied een betere melodie - die gemakkelijk een zekere saaiheid oproept - gewenst zijn.
Tekst:3; melodie 3.