Rondom woord en kerk (4)
1988-08-19
Gesprek- Jaargang 32
- nummer 30
Ben ik nu schriftkritisch bezig wanneer ik denk en schrijf zoals ik dat in het vorige artikel deed? Ds Waagmeester zegt dat ik kritiek op de Schrift heb. En ook bij ds A. J. Moggré kwam ik in zijn publikatie 'Adam eerst...', Amsterdam 1988 p. 28 het oordeel tegen dat een bepaalde studie van mijn hand in het kader van de TSB een 'duidelijk schriftkritische inslag vertoont'. Toen ik dat laatste las - het was nog enige tijd vóór mijn causerie voor de Opbouw-dagdacht ik: ik moest dat punt maar eens opengooien en er publiek over spreken.
Anders gaat zo'n beschuldiging gemakkelijk een eigen leven leiden, ontstaat er beeldvorming-op-afstand en komen we aan het nodige gesprek over deze zaak niet toe. Laat ik mij beschikbaar stellen voor tegenspraak en ondervraging.
Vandaar stelling IV van mijn verhaal op die dag. Ik dank ds Waagmeester dan ook hartelijk dat hij naar die vergadering gekomen is om daar het gesprek met mij in het openbaar aan te gaan. Hij is daar zeker niet wollig geweest naar mij toe, het was van zijn kant een 'getuigend gesprek' mag je zeggen. Máár een gesprek, met eerlijke toetsing van de gegeven argumenten.
Niet schriftkritisch
Op de vraag of ik schriftkritisch denk en schrijf zou ik zelf dit antwoord willen geven: op het standpunt van het fundamentalisme is dat zeker het geval. Het fundamentalisme immers nuanceert het schriftgezag niet en houdt geen rekening met de historische faktor in de bijbel die voor een relativerend element zorgt. Het doet of alles van de bijbel rechtstreeks uit de hemel is neergekomen en eeuwige gelding heeft tenzij een volgend eeuwigheidswoord anders heeft beschikt. Naar de maatstaven van dat fundamentalisme moet ik werkelijk een schriftkritikus heten met de zware implikatie daaraan verbonden dat ik God zelf zou durven tegenspreken.
Een onmogelijke positie voor een dienaar des Woords.
Maar dit illustreert dan ook duidelijk hoe nodig wij van dat ellendige fundamentalisme af moeten, want ik ben helemaal geen onmogelijke predikant.
Week aan week "breng ik de blijde boodschap van Gods recht aan al, wie Hem zijn toegedaan, dat zij Zijn wonderen 'verstaan in het woord dat Hij mij op de lippen legt. Ik spreek dat woord met klaarheid opdat Zijn trouwen waarheid door elk begrepen wordt.
Nee, ik weerhoud mij niet, maar loof Hem in mijn lied met een blijmoedig hart" (naar de berijmde Psalm 40: 4).
Hierin past het woord 'schriftkritiek',in die zin dat ik mij boven de Schrift zou verheffen om te oordelen wat daarin goed of fout is, op geen enkele wijze en vat ik het op als een van de zwaarste beledigingen die mij kunnen treffen (al weet ik natuurlijk heel goed dat mijn lieve kollega's dat geenszins zo bedoelen).
Bijbelse schriftkritiek
Je kunt echter met het begrip 'schriftkritiek' ook een bijbelse kant op. Als Paulus het over de essentie van zijn evangelieboodschap heeft, dan zal hij niet zoiets schrijven als hij doet in 1 Kor. 10 : 15: "Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf wat ik zeg". Geen sprake van dat hij dan de gelovigen zou aansporen tot een eigen oordeel te komen (in het Grieks 'krinein', waar ons woord 'kritiek' vandaan komt) en zelfstandig met de apostel mee te denken alsof de inhoud van die boodschap onder een menselijk oordeel door zou moeten. Daar is ze veel te hoog en te verheven voor. Nee, gaat het om de eigenlijke boodschap dan vallen er uitspraken als 'inderdaad Gods woord' (1 Thess. 2: 13)#en 'vervloekt die iets anders preekt' (Gal. 1 : 8). Maar als hij spreekt over de konsekwenties die uit dat evangelie voor een bepaald gedrag van de gelovigen in de wereld voortvloeien, dan gebruikt hij zulke taal als " daar in I Cor. 10 wèl. En natuurlijk, dan rekent hij op aller instemming wanneer hij uiteenzet dat het voor een gelovige onmogelijk is een afgodentempel te bezoeken en daar aan te liggen, want "ik wil niet dat gij in gemeenschap komt met?e boze geesten" (I Kor. 10 : 20).
Hetis ook bepaald niet moeilijk die instemming te betuigen. Maar toch is er dan plaats voor tegenwerpingen, bij": voorbeeld in deze zin: In het algemeen hartelijk mee eens, Paulus, maar U hebt zelf gezegd dat een afgod niets is (vgl. I Kor. 8: 4). En dat laat ruimte voor situaties als waar Naäman het in zijn verzoek aan Eliza over heeft (zie 11 Kon.5: 18, 19). Op het standpunt van de sterken is het immers nog maar de vraag of zulk offeren aan de afgoden altijd een offeren aan de boze geesten is.
Hangt daarbij niet veel van de eigen instelling af? M.a.w. je kunt het om pastorale redenen met Paulus' verbod goed eens zijn en tegelijk zijn argumentatie met helemaal sluitend vinden, In ieder geval, er is een sfeer van gesprek en een mogelijkheid tot zelfstandige verwerking van wat de apostel voorschrijft. En geen wonder, want 'beoordeelt zèlf wat ik zeg' moet toch iets betekenen. Maar bij het fundamentalisme is deze aansporing voor dovemansoren gesproken.
Oordeel Zelf!
Met het verschijnsel van de bespreekbare argumentatie hebben we nog veel 'meer te maken 'bij Paulus' voorschrift over de hoofdtooi der vrouwen in IKor. 11: 2-16. In een tamelijk uitvoerig betoog verdedigt de apostel het bestaande gebruik dat in de gemeente van Korinthe aangevochten werd. Maar hij doet dat met behulp vaneen aantal redeneringen -die voor ons niet allemaal even duidelijk of zelfs overtuigend zijn.
Zelf geeft hij trouwens de betrekkelijke waarde van één van zijn eigen bewijsvoeringen duidelijk genoeg aan in vs 11, 12. Ook vs 16a erkent wat onwillig dat de voorafgaande argumenten de mogelijkheid van tegenspraak niet uitsluiten (zo neem ik min of meer letterlijk over uit de Kanttekeningen van de Willibrord-vertaling). Het eigenlijke argument van Paulus is dan ook het algemene gevoelen in de samenleving van destijds. Is het gepast? (vs 13). Wat de apostel in het eerste gedeelte zegt over God, Christus, man en vrouw fundeert het gebruik niet maar duidt het. Waarbij ik met iets van jaloersheid opmerk dat wij mochten willen dat wij zo'n geestelijke doorlichting van ónze gebruiken (die weer zo anders zijn) konden neerzetten als hij hier doet. Maar de echte beslissing valt toch bij wat de natuur zelf ons leert (vs 14). Echter, daaraan vooraf gaat weer de aansporing 'oordeelt zelf (vs 13). Dat betekent toch dat we tegen de..apostel mogen zeggen: beste broeder (en voor mijn part: vader) Paulus, de natuur leert dat wat U zegt ons niet meer. Bij ons loopt een man met lange lokken of een vrouw met kort geknipt haar niet voor schande.
'De natuur leert' - is dat wel de altijd gelijk blijvende natuur van de natuurkunde?
Nee, dat woord 'natuur' is subjektiever dan wij denken. Het is de natuur zoals wij die aanvoelen en het begrip staat niet eens zover af van wat wij 'mode' noemen.
In schriftgedeeltes als dit staan we daarom niet tegenover het eeuwig blijvende woord van God, maar hebben wij te maken met de meningen van iemand die door de ontferming des Heren trouw is, zoals de apostel in een ander verband zichzelf typeert. Het zijn de opinies van iemand die óók meent de Geest van God te hebben (vgl. I Kor. 7: 25,40). Dat zijn kwetsbare formuleringen die je van een geïnspireerde apostel zo gauw niet zou verwachten en die in de gangbare inspiratieleer niet passen.
Toch goddelijk
Wil dit nu zeggen dat dergelijke passages voor ons geen betekenis meer hebben of dat ze wat mij betreft wel uit de bijbel zouden mogen verdwijnen? In het geheel niet.!Want er is iets goddelijks,' inderdaad iets van de Heilige Geest in de wijze waarop Paulus met dergelijke zaken omgaat. Daarbij denk ik vooral aan zijn zachte en barmhartige opstelling. En bij die barmhartigheid denk ik nu, eens niet aan de zwakken in de 'gemeente die hij daarmee zou sparen. Die zijn nu al twintig eeuwen ontzien en intussen nogal sterk geworden - de echte zwakken niet te na gesproken. Nee, barmhartig is Paulus naar de wereld toe. Die wereld heeft volgens hem recht op een gemeente die zich naar vermogen aanpast om zo aan haar eigenlijke boodschap kracht bij te zetten. Die wereld màg niet in verwarring gebracht worden door een gemeenté die zich van de heersende gewoontes niets aantrekt.
Paulus heeft zich rood-gloeiend geërgerd aan de nieuwlichters in de kerk die waar 't maar kon met het bestaande braken. Hij zou nu in onze tijd even geïrriteerd raken over degenen die koste wat het kost alles bij het oude willen laten.
Hij proeft in beide opstellingen een wereldverachting die niet in overeenstemming is te brengen met Gods liefde voor de wereld. "Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe" (Joh.
3 : 16). Kijk, in die barmhartigheid - naar de wereld, toe is de apostel goddelijk en blijft hij met het laatste gezag spreken. Aan ons de taak hem in die barmhartigheid na te volgen in plaats van te blijven hangen in ouderwetsheden
die afleiden van de zaak waar het om gaat.
De grote impasse
Wij zijn wat het schriftgebruik betreft in een grote impasse beland. Tenminste, in dit soort zaken. Dat blijkt m.i. uit het gesprek over de bekende teksten die de zusters in de gemeente uit Paulus' dagen duidelijk op een achteraf-plaats zetten (eigenlijk: houden). De uitleg daarvan wordt steeds subtieler en de gemeente kijkt verbaasd toe zonder zich echt te laten overtuigen. Wel hoor je vaak zeggen: moet op zulke wankele gronden een praktijk gebaseerd worden?
Aan beide kanten klinkt die vraag.
Aan beide kanten van de streep leeft dan ook nog het fundamentalisme. Met een en ander doen wij de Schrift oneer aan. Ook ondermijnen wij zo de kracht van het goede Schriftgebruik. Het moet anders.
Ds Moggré vertelt in hoofdstuk I van zijn éerder . genoemde boek 'Adam eerst .. .', op p. 16: "Een pas beginnende jonge collega schreef ons: Ik zou graag de vrouw in het ambt in de gemeente invoeren, maar als het gebeurde zou ik daar moeite door krijgen bij de uitleg van de Bijbel". "Zie,dat is het", voegt ds Moggré daar-aan toe. Maar is dit geen eigenaardige zin van die jonge predikant?
Zou iemand zich kunnen voorstellen dat een mede-christen tegen hem zei: Ik zou graag die bank aan de overkant overvallen, maar als het gebeurde zou ik er grote moeite door krijgen bij de uitleg van de bijbel? Ik bedoel dit:de zin 'ik zou graag de zuster in het ambt begroeten' vinden wij nu normaal, maar zou in Paulus' dagen een schandelijke bewering geweest zijn, waarop zelfs de doorsnee man-in-de-straat verontwaardigd gereageerd zou hebben. In' deze frase staat eigenlijk het hele fundamentalisme in zijn onmogelijkheid te kijk.
En beter dan zich in de exegetische akrobatiek rondom bedoelde teksten te begeven zou de vraag te behandelen zijn of die graagte waarvan deze kollega getuigt, misschien ook legitiem en passend zou kunnen wezen. Zie, dát is het mijns inziens.
Een nieuw gezag
Het einde van mijn antwoord aan ds Waagmeester komt in zicht. Natuurlijk heb ik niet alles wat hij aansneed kunnen behandelen. Met name wat hij tegen mijn opmerkingen over de kerk inbracht heb ik laten liggen. Het was ook meer ds Mudde die dat tot onderwerp van zijn oppositie had gemaakt. Wanneer ik hem beantwoord in het volgende nummer hoop ik ook ds Waagmeester zijdelings daarin te betrekken.
Eén punt wil ik apart nog noemen.
Ds Waagmeester kritiseert mijn uitleg van Genesis 6 die ik in de bespreking op de Opbouw-dag gaf, Ik had gezegd dat het daar ,over engelen-huwelijken ging en legde 'de vinger bij de tegenstrijdigheid die dat geeft met het getuigenis van onze Heiland die immers zegt dat engelen niet huwen' (Matth. 22: 30). Ds Waagmeester vindt deze verklaring verwerpelijk. Nu, ik beloof dat ik nog eens flink zal studeren op deze tekst om er dan later, in een vóórpagina-artikel bijvoorbeeld, nog eens op terug te komen. Ongelijk kan ik tot dusver nog niet erkennen.
Ik wil eindigen met een persoonlijke herinnering.
Het is al weer jaren geleden dat ik voor de radio de gangen van een van de ruimte-vaartuigen van onze tijd volgde. Vraag mij niet welke, want ik ben op dat gebied echt slecht op de hoogte. Opeens klonken tot mijn grote verrassing van ergens achter de maan de oude woorden van Genesis 1door de ether: "In den beginne schiep God de hemel en de aarde ... ". Ab, het Woord Gods in een nieuw gezag, dacht ik bewogen, boven het gekrakeel van creationisten en evolutionisten uit! Want lat~ n we wel wezen, als de wetenschap zich op fundamentalistische wijze was blijven baseren op Genesis 1, dan zou het nooit tot ruimtevaart gekomen zijn.
Het is terecht dat de wetenschap al vroeg het fundamentalisme de rug heeft toegekeerd. Tegelijk moetje vrezen dat ze met het badwater het kind heeft weggegooid.
Leeft, zo mag je vragen, de wetenschap nog wel in het besef dat we verlost moeten worden en dat we dat zelf niet kunnen, ook niet door onze wetenschap?
Maar op dat moment kwam Genesis 1voor mij met een nieuw gezag terug. Want er kon daarboven in de ruimte geen \beter woord gesproken worden dan dat indrukwekkende begin van de bijbel. Voor mij was het een teken van hoop dat wij de impasse waarin het fundamentalistische gebruik van de bijbel ons gebracht heeft, te boven zullen komen. En met dit nieuwe gezag zal ook een nieuwe en frisse liefde tot de Heilige Schrift zijn intrede doen.
We zullen dan met de bijbel minder oneigenlijke problemen hebben. En wat de eigenlijke betreft (nietwaar, 'de ongeestelijke mens aanvaardt niet het-geen van de Geest Gods is', I Kor. 2: 14) - daar is en blijft de wedergeboorte goed voor.