Enkelele opmerkingen over het begrip ,,heerlijkheid" in het Nieuwe Testament (1)

1988-08-19
  • Jaargang 32
  • nummer 30
Het leek mij de moeite waard eens iets te zeggen over het begrip "heerlijkheid" in het NT. IK heb nl. de indruk - die mede berust op eigen vroegere ervaringen - dat bijbellezers, wanneer ze dit woord tegenkomen, vaak niet precies beseffen, wat er mee bedoeld is. Dat zal misschien voor een deel te wijten zijn aan een gebrek aan aandacht bij het lezen. Maar toch stellig niet enkel daaraan. Wij kunnen, meen ik, twee andere oorzaken aanwijzen die een veel belangrijker rol spelen: a) de veelomvattendheid, de 'geladenheid' van het begrip "heerlijkheid"; b) de onvoldoende verfijning, het tekort aan kleurschakering, waarmee de onder ons gangbare vertalingen het bewuste woord meermalen weergeven.

Aan die beide punten hoop ik aandacht te geven.
Het ligt dus niet in de bedoeling de geschiedenis van het gebruik van het woord 'doxa' (= heerlijkheid) in profaan en in bijbels Grieks te schetsen.
Wie daarin belang stelt kan terecht bij het desbetreffende artikel van Kittel in diens Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament II 236-258. Ik stel me ook niet voor alle plaatsen waar het woord voorkomt te behandelen, maar zal alleen pogen eerst het meest wezenlijke van de lading die dit woord in het NT vanuit. het Off"heeft meegekregen duidelijk te maken, daarna enkele van de belangrijkste facetten die dit woord te zien geeft te bespreken, om tenslotte op een aantal teksten in te gaan waar de uitleg van dit woord ons voor problemen stelt.

1. Ofschoon het woord 'doxa' ook op schepselen wordt betrokken (zie b.v. I Cor. 15, 40, 41, waar het in de NBG is weergegeven met 'glans'), wordt het toch verreweg het' meest gebruikt van God; en wel om uit te drukken Gods indrukwekkende en ontzagwekkende verheven majesteit. 'Heerlijkheid' is zelfs zozeer in het bijzonder eigen aan God, dat de Heere meermalen met dit woord gekwalificeerd wordt: "De God der heerlijkheid" heet Hij in Stefanus' toespraak (Hd. 7,2). Evenzo gebruikt Paulus voor den Heere de aanduiding "de Vader der heerlijkheid" (Ef. 1, 17); terwijl Christus, de Zoon van God, door hem genoemd wordt "de Heer der heerlijkheid" (I Cor. 2, 8). (1) (Wij komen op deze kwalificatie, "der heerlijkheid", straks terug.) Joh. 12, 41 brengt ons meteen in het hart van de zaak. Over het ongeloof sprekend waarop Jezus bij zijn optreden was gestoten, ziet Johannes daarin de vervulling van een woord van den profeet Jesaja: "Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, dat zij niet met hun ogen zien, met hun hart verstaan en zich bekeren, en IK hen geneze" (Jes. 6, 9, 10). !!-n dan vervolgt Johannes aldus: "Dit zei Jesaja, omdat hij zijn (d.i. Jezus') heerlijkheid zag en van Hem (d.i. Jezus) sprak". Nu spreekt Jesaja 6, waarin de door Johannes aangehaalde woorden voorkomen, inderdaad van een visioen waarin Jesaja de heerlijkheid van God te zien krijgt.

Ik noteer even terzijde, dat, terwijl het in Jesaja Gods heerlijkheid is die de profeet te zien krijgt, Johannes toch maar - ik zou haast zeggen: zonder woord zonder wijs - verklaart: Jesaja zag Jezus' heerlijkheid: Op-dit punt ga ik hier nu verder niet in.

Hier zien we dus duidelijk, dat Johannes, wanneer hij van Gods heerlijkheid spreekt, verwijst naar en aansluit bij de tekening van die heerlijkheid zoals het OT ons die geeft.
Wat bij Jesaja aanstonds in het oog springt is het mateloze van Gods luister.
Hii is in staat het heelal ermee te vullen: "de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol" zingen de serafs (Jes. 6, 3).
De Heere onderstreept dat alles omvattende van zijn majesteit ook zelf in Num. 14,21: " ...zo waar Ik leef en de heerlijkheid des Heeren de ganse aarde vervullen zaL.". Een bewijs van die' geaardheid van Gods heerlijkheid, dat ze alles tot berstens toe vult, geeft de Heere bij de inwijding van Salomo's tempel. Als die aardse woning betrekt, is er voor de priesters geel) ruimte meer (I Kon. 8, 10, 11). Diezelfde trek vinden we aan het eind van de Schrift opnieuw vermeld, Opb. 15, 8. En dan te bedenken, dat het nog alleen maar de zomen van Gods gewaad zijn die blijkens het visioen van Jes. 6 de tempel vullen (v. I)! Salomo heeft zich die alömvattendheid van God-in-zijn-majesteit dan ook terdege gerealiseerd. We hor~n hem nl. bij de inwijding van de, de tempel bidden: "Zie, de hemel, zelfs_ de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb" (I Kon. 8, 27).

2. Het visioen van Jes. 6 vestigt onze aandacht op nog een ander element dat in het begrip "heerlijkheid" vaak een belangrijke rol speelt. Jesaja ziet den Heere nl. zitten "op een hoge en verheven troon" (v. 1). "Heerlijkheid"
spreekt met name van de luister die God als koning bezit. We zien dat ook in het NT bevestigd. Ik wijs in dit verband op 1 Thess. 2,12, waar we in één adem genoemd vinden Gods "koninkrijk en heerlijkheid". (Beide termen worden hier samengevat onder één lidwoord!).
"Heerlijkheid" heeft dan ook meermalen de betekenis 'koningschap' of 'koninklijke waardigheid'. Als _we in Luc. 24,26 lezen, hoe Jezus tegen de mensen uit Emmaüs zegt, "dat de Christus moest lijden en ingaan in zijn heerlijkheid", dan moeten we denken aan de gelijkenis die Jezus in Luc. 19 verteld had van een man van hoge geboorte die naar een ver land trok "om voor zich de koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen" (v. 12). Die man is Hij zelf. Langs de weg van het kruis' bestijgt Jezus Christus de koningstroon.
Evenzo valt het woord te verstaan in Mc. 10,37, waar Jacobus en Johannes de wens te kennen geven ter weerszijden van Jezus te mogen zitten in Diens heerlijkheid, d.w.z. als Hij straks koning zal zijn.

3. Die betrekking van "heerlijkheid" op het koningschap vinden we ook meer dan eens als het gaat over aardse vorsten.
Men denke aan Mt. 6, 29: "Salomo in al zijn heerlijkheid was niet zo mooi gekleed als een van de veldleliën".
Bij "heerlijkheid" zal men hier vooral moeten denken aan het uiterlijk vertoon van een koning, aan het staatsiegewaad dat Salomo droeg. Iets breder valt het begrip te nemen in Mt. 4, 8: de duivel toont Jezus "alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid".
Hier zullen we moeten denken aan de schitterende paleizen en andere officiële gebouwen (tempels inbegrepen) waarmee aardse vorsten het aanzien van hun koningschap plachten te verhogen.

4. 'Uitwendige vorstelijke glans': zo zouden we de "heerlijkheid" die we zoëven (onder 3) tegenkwamen kunnen omschrijven. .
Vandaar is het maar een kleine stap naar de heerlijkheid van zon, maan en sterren, die we tegenkomenin '1 Cor.
15,40,41. Mogelijk is die stap nog kleiner dan we op het eerste gezicht vermoeden.
Zeker, we mogen bij het lezen van deze tekst bij 'doxa' (heerlijkheid) allereerst denken aan de intense lichtglans die deze hemellichamen verspreiden.
(Vgl. ook Hand. 22, 11.) Maar hun heerlijkheid reikt toch wel iets dieper dan hun schijnsel, als we bedenken, hoe van hen gesproken wordt bij de schepping: "En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschap-
over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht" (Gen. 1, 16). We hebben ook in zon en maan in zekere zin met 'hoogwaardigheidsbekleders' te maken.

5. Belangrijker is intussen de inhoudelijke kant van de koninklijke majesteit, al blijven beide facetten vaak nauw op .elkaar betrokken, zoals we verderop nog hopen te zien.
Een van de belangrijkste taken die oudtijds tot het koningschap behoorde was de rechtspraak (vgl. b.v. 2 Sam. 15,2).
In verband dáármee komen we "heerlijkheid" o.a. tegen in Mt. 25, 31 vlgg.: "Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid ... , dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid.
En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van 'elkander scheiden ... " en in Mt. 19, 28, waar Jezus tegen zijn leerlingen zegt: "Voorwáar, Ik zeg u: gij die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten ", Aparte aandacht verdient in dit verband Jud. 24: "Hem, nu die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid ... " Ik heb - gezien wat we zopas vonden - er zakelijk geen bezwaar tegen, wanneer Groot Nieuws hier het woord "troon" inlast. Maar met de vertaling "en u op te stellen voor zijn luisterrijke troon" ben ik minder gelukkig.
"Opstellen" wekt nl. eerder de gedachte aan het vormen van een stoet, of aan een parade of iets dergelijks. "Voorleiden" ware hier beter op z'n plaats.
Zo heeft Gr. Nws. - en ook NBG - het bewuste woord terecht weergegeven in Hd. 5, 27. Het gaat nl. èn daar èn hier over een rechtszitting. Om nu nog even op dat ingelaste woord "troon' terug te komen: ik zei, dat ik datzakelük niet afkeurde.
Of de invoeging echter nodig is?
Bepaald niet m.i. Men kan het er zelfs beter zonder stellen. We krijgen in deze tekst nl. te maken met dit verschijnsel, dat de persoon van den hoogwaardigheidsbekleder wordt aangeduid met dat woord dat de desbetreffende hoogwaardigheid zelve -uitdrukt. Wij doen dat in het Nederlands ook wel: we spreken van "Hare Majesteit", als we het over de koningin hebben; van., ..Zijne Excellentie"
(eig. uitnemendheid), als we een minister bedoelen. En in rooms-katholieke kring kan men o.a. de aanduiding "Zijne Heiligheid" tegenkomen, waarmee de Paus is bedoeld. We zouden er dan ook goed aan doen hier te vertalen: "voorleiden voor Zijne Majesteit".
Hetzelfde verschijnsel komen we, op . God betrokken, verder nog tegen in 2 Petr. 1, 17, waar de apostel van Jezus' verheerlijking op de berg o.a. dit vertelt, dat "de volgende mondelinge verklaring aan Jezus werd afgegeven door de hoogwaardige Majesteit".
Ook voor met 'doxa' (heerlijkheid) in betekenis vergelijkbare woorden kunnen we hetzelfde constateren. Zo lezen we in Hebr. 1,3, dat Jezus "zich heeft gezet aan de rechterhand van de Grootheid in den hoge" (2) En in Mt. 26, 64 zegt Jezus: "Ik zeg u: van nu aan zult gij den Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de Macht". Evenzo heet het in 2 Petr. 1,3: "Züne goddelijke Macht heeft ons begiftigd ... ".
Op het vlak van de schepselen zien we hetzelfde gebeuren: "Ze schromen niet de Heerlijkheden (d.w.z. de hoge gezagsdragers) te lastereri"1ezen we in 2 Petr. 2,' 10 (vgl. Jud. 8). Zo vinden we ook "Heerschappijen" voor "heersers"
in b.v. Rom. 8, 38; Ef. 1,21; 3, 10; 6, 12; Tit. 3, 1 en "Machten" i.p.v. "machthebbers" in b.v. Rom. 8, 38; Ef.
1,21; 1Petr. 3,22. Zie verder opnieuw Col. 1, 16.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief