De eerste brief aan de Korinthiërs (1)
1987-07-24
Uitg. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam. 1986, f 19,90- Jaargang 31
- nummer 28
Twee jaar na het eerste deel van zijn bijbelstudie over de eerste brief aan de gemeente te Corinthe publiceerde onze vroegere predikant, M. R. van den Berg, het tweede (en laatste) deel ervan.
De uiterlijke vormgeving - door Reinier van den Berg - correspondeert op -die van het eerste deel. Inde kafttekening is uitgegaan van het bekende naamsymbool van Christus, t.w. de verbinding van X en P, zijnde de beginletters van 'Christus' op z'n Grieks gespeld, Maar op speelse wijze is de X vervormd tot een vis, die op zijn beurt ook weer als naamsymbool van onzen Heiland sinds de oudheid bekend is. Sober en mooi.
Wat de inhoud betreft, zou ik met weinig woorden kunnen volstaan. "Goede wijn behoeft geen krans". De kwaliteiten van den schrijver, bekend uit vele, vele eerdere bijbelstudies, komen ook hier weer zo duidelijk naar voren, dat je, ook als er geen auteursvermelding in het boekje stond, na twee bladzijden door zou hebben, van wiens hand het is.
Aan de uitleg ligt een degelijke studie van de tekst ten grondslag, vdB. benadert die met onbevangen blik, en schroomt niet - hier en daar zelfs wat demonstratief - het stof weg te vegen, waaronder foutieve uitleggingen die soms hebben bedolven. En als de exegeet in hem zijn werk heeft gedaan, komt de verteller in hem los. Het resultaat is, dat nu werkelijk iedereen, van welk ontwikkelingsniveau ook, toegang, krijgt tot de boodschap van Paulus. Eenniet geringe verdienste, die ik voor de zoveelste maal graag nog eens weer onderstreep, om degenen die aan mijn oordeel enige waarde hechten tot het lezen en gebruiken van dit boekje, aan te sporen.
Nu eerst een paar critische opmerkingen over de stijl. Ik ken iemand die, als het boekje 'Beeldsprakig' van
denzelfden auteur ter sprake komt, zich geregeld - en dat onopzettelijk! - verspreekt en het over 'Breedsprakig' heeft. Zo'n vergissing lijkt mij verklaarbaar.
Op p. 31 bovenaan lees ik b.v.: "Daar liggen ze krom voor. Ze werken zich ervoor uit de naad. Ze hebben er alles voor over. Ze offeren er alles voor' op, ... ". Dat is mij persoonlijk iets te veel van het goede. Maar het zijn "les fautes de ses qualités" (de fouten die kleven aan zijn kwaliteiten), zullen we maar zeggen.
Iets hinderlijker vind ik het, als de schrijver in de ban geraakt van een inval, en dan van geen ophouden weet. En bepaald irritant werkt dat; wanneer die inval ook nog misplaatst is.
Paulus heeft het in hfdst. 9 over het recht op loon dat een evangeliedienaar kan laten gelden, maar waarvan hij zelf geen gebruik maakt. Hij staaft zijn woorden met een beroep op teksten uit het OT waar van landbouwactiviteiten (ploegen en dorsen) sprake is (vv.· 8-10) een deelwoord, b.v. Mt. 10,22; Lc. 9,48; Jh. 7, 18; Jc. 1, 25. (Het deelwoord 'zijnde' kan ev. verzwegen worden, b.v. Gal. 3, 7.) Lijkt mij alleen al deze overweging dwingend ervoor te pleiten de 'deze' die 'gekend is' te betrekken op 'degene die' liefheeft', en niet op 'God', er komt nog iets bij dat vdB. blijkbaar niet heeft overwogen (wat ik hem overigens niet zo kwalijk neem). We stoten hier nl. op het opmerkelijke feit, dat een zeer oude papyrus (uit plm. 200), gesteund door Clemens (uit ongeveer dezelfde tijd: hij is gestorven vóór 215), hier een tekst heeft zonder de woorden 'God' en 'door Hem'. Dus: "Maar als iemand liefheeft, dan is dié gekend". Omdat het hier, gezien de context, nu juist op de begrippen 'liefhebben' en 'kennen' aankomt - vgl. v, 1 "de kennis blaast op, de ' liefde bouwt op" – kan men zich afvragen, of niet de tekst die zich tot deze begrippen beperkt de oorspronkelijke is, en de woorden 'God' en 'door Hem' een latere verklarende toevoeging zijn: Het opmerkelijke in deze op het eerste gezicht duistere uitspraak is, dat Paulus 'overgaat van de bedrijvende op de lijdende vorm. Eerst heet het: "Indien iemand zich inbeeldt te kennen - N .B. de papyrus laat ook "hier het lijdend voorwerp ('iets') weg; men ziet, hoe innerlijk consistent deze tekst is! - dan heeft hij , nog niet leren kennen zoals het behoort" (actief): maar dan volgt daarop: "Heeft iemand lief, dan is dié gekend (passief). De tekst die m.i. de oplossing biedt van het raadsel waarop we hier stuiten is niet zo ver te zoeken, nl. in 14,37. Het is een tekst die precies zo begint als hier v. 2: "Indien iemand zich inbeeldt profeet of door den Geest gedrevene te zijn, moet hij wat ik u schrijf (h)erkennen als een gebod van den Heer". En nu maakt Paulus dezelfde speelse overgang van actief naar passief, en drukt zich bovendien even kort uit - in enkel werkwoorden - als de papyrus in onze tekst (en dat bevestigt temeer het vermoeden dat die de juiste tekst heeft bewaard): "Maar als iemand (het) niet kent, wordt hij niet gekend".
M.a.w. zijn gekend (en erkend) worden als profeet of door den Geest gedrevene staat of valt met zijn kennen (en erkennen) van Paulus' boodschap als een gebod van den Heer. Doet hij dat niet, dan zegt God (en zegt ook de gemeente) tegen hem: "Ik heb U nooit gekend" (Mt. 7,23).
Welnu zo wil Paulus in 8, 2. 3 m.i. zeggen: als iemand zich inbeeldt kennis te hebben, als hij zich voor een man met geestelijk inzicht uitgeeft, dan is dit de toetssteen: heeft hij lief? Alleen als dàt het geval is) wordt hij als man van echte geestelijke kennis gekend (en erkend).
Maar ontbreekt bij hem de liefde, dan zegt God (en zegt de gemeente) ook tegen hem: "Ik heb u nooit gekend".
(wordt vervolgd)