Het recht om te wonen (2)
1987-06-05
God, die het recht stelt- Jaargang 31
- nummer 22
2.1 De omtrek van het te verkennen terrein is hiermee naar ik meen, wel aangegeven. Het is onmogelijk om alles te zien wat er te zien is en het is ondoenlijk om volledig te verwoorden wat we zien. Daarbij is het goed te bedenken, dat er geen wegen zijn zonder onevenwichtigheid, geen generaliseren zonder dwalen en geen denken zonder generalisaties. (10).
We zullen ons moeten beperken en de blik richten waarom ik mijn inleiding een titel meegaf. Deze: "Het recht om te wonen". De grondstelling van mijn betoog is de volstrekte afhankelijkheid van de toekomst van onze kerken vàn dit recht in tegenstelling tot afhankelijkheid van de eigen spirituele ervaring. Zeker, een kerkgemeenschap zonder spirituele ervaring is dood, zoals het geloof zonder de werken dood is. Geschonken recht wil ervaren worden. Maar die ervaring zelf is niet het fundament waarop de kerk staat en dus geen garantie voor continuïteit. Zoals de liefde van ons mensen tot I, God geheel afhankelijk is van Gods liefde voor ons, zo is onze 'ervaring dat van het door God aan ons verleende recht. Ervaring, bevinding. De vraag is, Wie of wat wij ervaren, bevinden.
Het religieus subjectivisme stelt de criteria van de mens uit. (11) Dan wordt bevinding iets dat onmiddellijk en onberekenbaar over ons komt, iets dat meer afgewacht dan verwacht mag worden: zó tendeert de bevinding naar de emotionele ervaring van de eigen, soms karikaturale godsdienstigheid. (12/13) Je zaligheid buiten jezelf zoeken, betekent Gods beloften, Gods trouw, Gods recht vinden, dáárvan de gegrepenen zijn. En dat recht is het recht om te wonen.
Vaardig zijn tot het recht
2.2 Is het niet zo, dat de gevoelswaarde van het woord 'recht' voor ons allereerst negatief is? Denkt u maar eens aan de associaties, die de samenstelling 'kerkrecht' spontaan bij ons oproept. Dat is ook wel begrijpelijk. De buitenverbandstelling van 1967 is een trauma. Schending van recht leidt licht tot reactie, terwijl het recht de onrechte juist bron van troost zou moeten zijn. Mensen kunnen het recht wel schenden, ze kunnen het niet teniet doen: het recht blijft gelden voor de ontrechten, geen toegebrachte verbandsbreuk ontneemt ons het recht kerk van Christus te zijn. Niet onze actuele situatie, maar Gods beloften zijn beslissend. Als wij moeite met het woord 'recht' hebben, mogen wij ons wel afvragen; of het wellicht ongemerkt zover gekomen is, dat de adem van de tijd de zeilen van het kerkschip doet bollen, in plaats van Gods Geest. Een kenmerkende trek van onze tijd is de alom heersende vrijblijvendheid. De mensen willen vrij blijven in hun levensbeschouwing, hun levenshouding en hun levenswandel. Het recht bindt. (14) Let op de afbraak van het huwelijksrecht. De gehuwden moeten de mantel van het recht afleggen en volstaan met de beleving van hun actueel samenwonen. Waartoe? Opdat, zo zeggen de feministen, de vrouw emotioneel vrij worde. De ervaring is gebonden aan het recht, zij is daarmee in harmonie of in conflict. Wie drijft op zijn emotie schaft het recht dat vaststaat af, hij kàn niet anders. Hij wil de genieting, de lust, nu: de vervulling van de belofte, de rechts aanspraak om te wonen vraagt tijd. Waar geen verwachting is, kan men ook niet meer wachten en betekent Heil slechts dan iets, als het ervaarbaar aanwezig is. Het wordt geïncurveerd, geroofd. Dus wordt het recht ervaren als iets dat vreemd aan het leven is en onbeweeglijk maakt, stollend, bevriezend, dodelijk en doods. (15) De kerk is het volk van Gods Koninkrijk. Laat nu de bijbel dat volk uitgerekend 'de rechtvaardigen' noemen, mensen die vaardig zijn tot het recht, geïnspireerd, bezield, ree. De sfeer van Gods recht is hun element, zij leven daarin, als vissen in het water en vogels in de lucht. Daar ademen zij, het is daar een en al geest. Zo wil het God, de Getrouwe en Gerechte. 'Recht' is al datgene wat naar Gods wil is.
Het recht om te wonen
2.3 Is het in de sfeer van Gods recht een en al geest, zo is het daar een en al lichaam. Vissen kunnen niet zwemmen zonder vinnen, vogels niet vliegen zonde vleugels, rechtvaardigen kunnen de aarde niet bewonen zonder lichaam. Deze aarde, dit lichaam; deze aarde nieuw, dit lichaam nieuw. De graven zullen geopend worden en de rechtvaardigen zullen opstaan ten leven. Dat is het evangelie, Gods belofte, de onwankelbare en onvervreemdbare rechtsaanspraak hun verleend.
Daar heeft de gerechte God zijn Naam aan verbonden.
Die is als een sterke toren, de rechtvaardige ijlt daarheen en is onaantastbaar. Het recht staat vast. (16) . Het is zo'n verdrietige vergissing van ook goedbedoelende christenen geweest, de eeuwen door, tot op vandaag in onze kring, dan zij Gods kinderen leerden de verlossing uit het lijden te verwachten van verlossing uit hun lichaam-zijn, terwijl de Schrift zo overtuigend leert, dat wii zelf in het lichaam verlost zullen worden. Dit mijn lichaam wordt nieuw. Het is zo verdrietig, dat Gods kinderen is geleerd, dat hun lichaam, hun lichamelijkheid iets van lagere orde zou zijn, terwijl daartegenover hun ziel, als draagster van hun persoonlijkheid onsterfelijk zou wezen en wij mensen op die manier, en op die manier alleen, zouden ontsnappen aan lijden en dood. (17) Ook, dat het christelijk geloof als geloof in de opstanding van het lichaam werd omgevormd tot de idee vaneen onsterfelijke ziel die wij hier en nu zouden bezitten. Zo werd de belofte, de rechtsaanspraak van de opstanding vervluchtigd tot inwendig aanwezig, .lichaamloos heil. Wij spreken met elkaar over de toekomst van onze kerken en we zien verbijsterd hoe jonge mensen de kerk van de ouders de rug toekeren. Er is de laatste tijd een stroom van lectuur over dit gebeuren verschenen. (18) Door al die rapporten en artikelen, of ze nu door rooms-katholieken of protestanten, door progressieven of behoudenden, door theologen of sociologen geschreven zijn, loopt als een rode draad de constatering, dat de ouders en met hen hun kinderen, er niet meer in slagen hun geloof te integreren in hun leven van alle dag, hun zichtbare, tastbare, lichamelijke leven. De gespletenheid die het ziel-lichaam dualisme eigen is, maakt deze integratie ook onmogelijk. Of dacht u soms dat een jonge vent, die voor het eerst met zijn bruid gemeenschap heeft, op zo'n idealiter lichaamloos evangelie zit te wachten?
Hij is juist bezig, als beeld van zijn Schepper, met zijn meest beminde één lichaam te worden. Hij wil wonen en hij heeft gelijk. Wonen is een bijbels duiden van ons lichaam zijn. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef over ons het licht van Uw aanschijn, 0 HEERE! In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, 0 HEERE, doet mij veilig wonen (Joh. 1,14; Ps. 4,7 e.v.).
AANTEKENINGEN
2.1
10. H. Drion, Huizinga-lezing 12 december 1986, Leiden.
11. J. Kamphuis, Een eeuwig verbond, Haarlem 1984, 19, 52, 53.
12. A. Janse, Leven in het Verbond, Kampen 1937, 57.
13. C. Rijnsdorp, Wij zijn de vaders, Kampen, 1972, 157.
2.2
14. Artikel in Trouw van 30 januari 1987, Relatie vreet energie: "Men wil geen verplichtingen meer aangaan, omdat die de persoonlijke ontplooiing zouden kunnen belemmeren". "Relaties worden slechts in stand gehouden zolang ze emotioneel nog bevredigen. Is dat niet meer het geval, dan worden ze afgedankt zoals een paar schoenen dat uit de mode is". "Het huwelijk als institutie zal sterk veranderen…in de richting van een relatiemodel waarin onderhandeling over zelfstandigheid en machtsevenwicht tussen man en vrouw voorop staat". (N .a.v, "De gulzige vrijblijvendheid van expliciete relaties", A.J.P. van der Avort, Tilburg 1987, diss.).
15. A. Janse, Van de rechtvaardigen, Rijswijk 1962, 5.
2.3
16. F. J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim, 's Gravenhage 1964, 421: "Het recht is een aspect van het heil en de gave van het recht een teken van Gods liefde".
17. B. Telder, Sterven en dan? Kampen 1960, 7 e.v. De tekst van het leerbesluit 1942 aangaande de onsterfelijkheid der ziel is hier volledig opgenomen.
18. P. v.d. Ploeg; Het lege testament, Franeker 1986. Dagblad Trouw, 27 december 1986, Jonge mensen missen engagement in de kerk, waarin vermeld het Jaarbericht van het Groningen studentenpastoraat: "Jonge mensen ervaren te weinig engagement met eigentijdse vragen en problemen. Voor hen voert de kerk, althans het officiële instituut, niet meer dan een achterhoedegevecht om het eigen voortbestaan".