Het Liedboek

1987-06-05
  • Jaargang 31
  • nummer 22
Lied 411
Dit lied behoeft als ons nationale volkslied nauwelijks enige toelichting, al moeten we er helaas wel aan toevoegen: voor zover ons volkslied althans nog bekendheid geniet. Onlangs is nl. uit een gehouden enquête gebleken dat drie van de vier Nederlanders het nauwelijks meer kennen. "Zelfs het eerste couplet rolt niet meer dan 9 procent vlot en feilloos over de lippen en 13 procent weet het slechts na veel moeite te reproduceren. Over de overige veertien coupletten. hebben we het maar helemaal niet. Vroeger leerde elk kind op de (toen nog) lagere school minstens het Ie en het 6e couplet, maar die tijd lijkt voorbij. Op de protestantse scholen is het bijbrengen van het volkslied allang geen regel meer. Natuurlijk is het Wilhelmus niet overal verdwenen, maar dat het leren en zingen ervan hard teruggelopen is, dat is zeker" (Dagblad Trouw, 25 juni 1986).
Het uit 15 strofen bestaande lied, waarbij in de beginletters der strofen de naam Willem. van Nassov is verwerkt (de 12e strofe begint met het woordje 'so' en de 13e met 'seer') is duidelijk een prinsenlied. "Het. presenteert de Prins als 'ik-figuur' in de rol van geestelijk verzetsheld. Het lied roept niet op tot een daadwerkelijk verzet, maar wekt wel op tot een geestelijke verzetshouding, tot een actief, gespannen afwachten. Overigens is het voor het functioneren van het gedicht niet zo erg belangrijk of men het al dan niet vanuit zijn oorspronkelijke dichtsituatie leest: Geïnspireerd als het is door de Psalmen, is het ook zelf een soort afgeleide Psalm geworden, een boven zijn eigen tijd uitsprekend geloofslied" . (Comp. p. 932-933).
Wat de melodie betreft zijn in het Liedboek de versieringen, zoals thans gebruikelijk in het begin van de melodie, met. kleine notenfiguren aangeduid. Deze dienen te worden weggelaten. "Zo moet werkelijk de vorm van de melodie geweest zijn die de dichter van het Wilhelmus' in zijn gedachten had of 'zong terwijl hij de tekst vervaardigde. Lang heeft de commissie, die de melodieën voor de bundel bezorgde,geaarzeld of de melodie in een van de gebruikelijke afwijkende vorm opgenomen kon worden. Tenslotte echter meenden wij de melodie van het Wilhelmus in deze vorm, waarbij het verband van woord en toon zo sprekend is, niet te mogen achterhouden". (Comp. p. 935).
Gezien evenwel de feiten, aan 't begin' gememoreerd, omtrent de bekendheid van onze nationale hymne, moet de , kans op de zojuist genoemde verandering in de melodie wel sterk in twijfel worden getrokken.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 412 t/m 418
Deze reeks liederen is ontleend aan de uitgave van de geestelijke volksliederen door Adrianus Valerius' Nederlandtse he Gedenck-Clanck, waarin een aantal belangrijke nationale gebeurtenissen worden beschreven en de betekenis ervan op een bijzondere wijze worden belicht.
Op deze manier vallen volkslied en geestelijk lied hier samen. De waarde van dit werk van Valerius is pas in latere tijd ontdekt en werd populair zodat de liederen op school geleerd en bij diverse gelegenheden thuis en in het openbaar werden gezongen. "Prof. Schulte Nordholt oordeelt, dat Valerius, al was hij dan geen dichter van de eerste rang, uitstekend de toon van het gemeenschapslied wist te treffen, en zo zijn verscheidene van zijn liederen in de 20e eeuw als kerkliederen in gebruik genomen. In dit Liedboek zijn negen liederen aan de Gedenck-clanck ontleend, nl. 276, 320 en 411 t/m 418" (Comp. p. 13).

De betekenis van, de opgenomen liederen voor de gemeentezang van nu hangt nauw samen niet de bekendheid die het lied algemeen geniet. Bij enkele liederen beïnvloeden taal en stijl de' verstaanbaarheid zodanig negatief dat ze nauwelijks nog aanspreken. Vanuit dit gezichtspunt beschouwd zijn de liederen 412, 414, 415 en 416 als kerklied thans goed aanvaardbaar, terwijl de overige als zodanig niet of nauwelijks in aanmerking komen.

Lied 419
Dit lied is één uit de serie van een beperkt aantal liederen van het ernstige genre uit de bundel van Bredero, iemand die 'niet in de eerste plaats als een geestelijk dichter in de' herinnering voortleeft. Toch heeft zijn geest wel degelijk ook een sterk beschouwelijke inslag gehad. Uit zijn 'aandachtige liederen spreekt een authentiek calvinistisch schuldbesef, hij heeft geweten van zonde en genade. In het enige lied waarmee hij in het Liedboek vertegenwoordigd is heeft de schuldbelijdenis een zeer persoonlijk accent". (Comp. p. 945). O.i. is dit lied te persoonlijk van karakter en zijn taal en stijl dermate verouderd dat het voor de eredienst nu niet meer in aanmerking kan komen.
De melodie is die van Psalm 130. Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 420
Hoewel dit lied stamt uit dezelfde periode als het voorgaande is deze tekst door een betere verstaanbaarheid wel acceptabel. Bovendien is deze ook algemeen bekend en mede daardoor goed bruikbaar voor de eredienst.
De melodie wijkt enigszins af van de bekende zangwijs uit de bundel 'Oude en ' nieuwe gezangen' van 'Van Woensel Kooy, maar dit zal geen moeilijkheden voor de gemeentezang opleveren. Tekst: 3; melodie:3.

Lied 421 t/m430
Zie hiervoor Opbouw 24e jaargang nr. 21 van 23 mei 1980.

Lied 431
De (oorspronkelijke Duitse) tekst van dit lied "is in Duitsland zeer geliefd en behoort er zelfs tot de categorie der 'Hauptlieder'. (Comp. p. 976). O. i. ligt de Nederlandse tekst belangrijk beneden dit niveau, al valt dit bij het zingen wat minder sterk op. Het geheel maakt echter geen sterke indruk. De inhoud doet denken aan Psalm 116, maar deze laatste verdient wel de voorkeur.
De herhaling van de slotregel van de diverse strofen .is zeer goed: "Geeft onze God de ere!" (mogelijk ontleend aan het lied van Mozes - Deut. 32:3). De melodie is zeer goed en, past uitstekend bij de slotregel. ' Tekst:2; melodie:3.

Lied 432
Dit lied is "voornamelijk gebaseerd op Deut. 32:4. Het wil vertroosten en bemoedigen, maar ook danken en loven.
Het kan dus bij zeer veel 'gelegenheden worden gezongen". (Comp.p. 980). De tekst van dit lied is beter dan van het vorige, al is ook hier de vertaling nog niet gelijkwaardig aan de tekst van het origineel. De melodie is in de originele vorm opgenomen en is "mits niet te vlug gezongen, van grote schoonheid".
Tekst:3; melodie 1.

Lied 433
De inhoud van dit lied zou kunnen worden gekarakteriseerd, als weinigzeggend, schraal. Strofe 4 is hiervan o.i.
wel een duidelijke illustratie. En strofe 3 heeft een wat mystieke inslag met de woorden: "Als Jezus zich in 't harte te ruste heeft gezet". Het geheel lijkt ons van weinig waarde voor de gemeentezang. Wat de melodie betreft: uit de verschillende varianten is gekozen uit de uitgave van 1652.
Tekst: 1; melodie 1.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief