Twee - Het getal van het verbond
1987-06-12
Een oude les- Jaargang 31
- nummer 23
Velen zullen zich met mij herinneren, dat er op de catechisatie veel werd gesproken over het Verbond der Genade. Een erg bekend zinnetje in dat catechisatieonderricht was, dat het Genadeverbond eenzijdig is in zijn ontstaan en tweezijdig in zijn bestaan.
De Here is alléén gekomen met zijn roeping, zijn beloften, zijn liefdevolle trouw. Maar dan vraagt Hij van zijn volk ook een antwoord. Het antwoord van geloof en gehoorzaamheid, het antwoord van aanhangen, betrouwen en liefhebben. Wat eenzijdig begon moet tweezijdig voortgaan.
Zo doet het getal twee zijn intrede. In de dagen van de Vrijmaking werd vooral gewezen op de werkelijkheid van het 'tweede deel' in het Verbond. Daarmee kon men bedoelen de menselijke Verbondspartner zelf, maar ook de Verbondseis, het door de Here gevraagde antwoord. Want men placht in die dagen te spreken van een 'wezenlijk' Verbond, dat feitelijk alleen met de uitverkorenen was opgericht, en van 'onvoorwaardelijke heilstoezeggingen' . Daardoor vervaagde eigenlijk de menselijke partij in het Verbond. Daardoor vervaagde de eis van het Verbond tot iets onwerkelijks, dat eigenlijk door de belofte werd opgeslokt. In feite wordt daardoor het Verbond weggeredeneerd.
Het getal twee - het getal van het Verbond - wordt door één vervangen. En daarom moest de werkelijkheid van de twee partijen èn die van belofte en eis worden gehandhaafd en verdedigd. Het getal twee!
Een nieuwe strijd
De synode-uitspraken van de veertiger jaren dreigden het getal twéé te reduceren tot één. De menselijke partner in het Verbond werd toch eigenlijk door de Goddelijke partner verzwolgen en opgeslokt en op dezelfde wijze werd de eis van het Verbond door de belofte verslonden.
In onze dagen moet men ook en vooral oog hebben, naar het mij voorkomt, voor de omgekeerde beweging. Ook nu dreigt het getal twee gereduceerd te worden tot één. Maar nu dreigt veel meer de Goddelijke Verbondspartner te worden verslonden door de menselijke partner. Ook dan vervaagt en verdwijnt het Verbond. Hierin steekt een ontzettend gevaar.
Vaak is men zich er niet meer van bewust, dat de Here in zijn Woord werkelijk tot ons spréékt. Bijbellezen krijgt iets van een gesprek, dat men met andere en oudere gelovigen voert, waarbij men ook zijn eigen inbreng heeft. En hoe is het met het bidden? Tot wie richt men zich in het gebed? Tot de Here, die als de waarachtige Eerste in het Verbond tegenover ons staat? Of wordt bidden een soort zelfgesprek, waarbij God de Here een soort spiegelbeeld is van wat er in ons diepste 'zelf aan de hand is? Dat klinkt allemaal uiterst dreigend en somber. Maar dat is het ook! Troost en vastheid worden weggenomen. Niet altijd gebeurt het kwaad op een duidelijke en brute manier. Soms zit er veel raffinement en veel 'sluwe omleiding' in. Het krijgt dan een vrome kleur en wordt door ons met de grootste moeite onderkend. In het vervolg wil ik iets uit de praktijk naar voren brengen. Iets van de troost van het getal twéé. Iets van de troosteloosheid van de reductie tot één.
Het gestoorde gevoelsleven
Ik kreeg jaren geleden iemand bij me, wiens gevoelsleven danig gestoord was. Het was eigenlijk helemaal kapot. Met zijn verstand keek hij er tegenaan. En hij wist: Het is niet goed met mij. Ik kan niet meer blij zijn. Ik kan eigenlijk ook geen verdriet meer voelen. Ik kan eigenlijk niets meer echt beleven! De artsen en specialisten waren ingeschakeld. Vooruitgang was nog niet te bespeuren. Hij wist van de Here. Maar hij durfde eigenlijk niet te zeggen, dat hij de Here kende. Hij- had immers geen geloofsblijdschap meer. Hij wist van zonde, maar hij durfde niet te zeggen, dat hij zijn zonden' kende. Want droefheid over zijn zonden gevoelde hij niet. Hij wist nog, dat dat allemaal verkeerd zat, maar dat voelde hij eigenlijk niet meer. En in die nood kwam hij dan naar mij toe!
Dan doe je een schietgebed. Je kunt zoveel verkeerds doen. En je kunt het goede ook nog op een verkeerde wijze doen. Maar je moet wel iets doen. Ik heb toen allereerst gezegd, dat de toestand hopeloos zou zijn, als de Here alleen maar was wat wij van Hem voelen of beleven! En dat het zo'n geweldige troost was - gevoeld of niet gevoeld! - dat de Here gelukkig niet uit ons is af te leiden, maar dat zijn trouw zo oneindig verheven is boven ons trouwgevoel en dat zijn liefde zo oneindig uitsteekt boven onze beleving ervan. Een geweldige troost om te weten, zelfs al kom je schijnbaar niet verder dan weten! - dat de Here niet "geschapen' wordt door onze gevoelens omtrent Hem, maar dat Hij als onze Schepper en Vader de Eerste en de Laatste is.Zijn kracht heeft, ons gemaakt. Maar het is nooit zo, dat onze krachten Hèm maken. Zijn liefdetrouw in Christus is geheel onafhankelijk van wat wij kunnen voelen, beleven en beseffen. Mijn bezoeker, wiens verstand heel scherp werkte, merkte toen op, dat de Here toch wel van ons eiste - het 'tweede deel'! - dat we Hem zouden liefhebben met hart, ziel, gemoed en met alle krachten. Ik heb toen gezegd, dat juist de uitdrukking 'al onze krachten' een liefdevolle Goddelijke zorg in zich besluit: De Here wil, dat we geen enkele van onze krachten aan, Hem onttrekken, maar Hij spreekt niet over krachten, die we niet hebben! Verder namen we ons uitgangspunt in wat het Oude Testament naar voren, brengt over de plicht van Israëls mannen de strijd van de Here te strijden. Een dure plicht, inderdaad! Denk maar aan wat Mozes zegt tot Ruben, Gad en half Manasse, 'die hun gebied ten Oosten van de Jordaan al hébben. Zij moeten hun broeders helpen in de strijd en daarin de Here gehoorzamen - zie Deut. 3:18 ev. en Joz. 1:12 ev.. Denk ook aan het Lied van Debora, waarin Meroz wordt vervloekt, "omdat zij niet gekomen zijn de Here tot hulp" - Richt. 5:23. En toch laat de Here op bepaalde hoogtepunten zo duidelijk weten, dat beërving en overwinning alléén aan Hem te danken zijn - Jericho; Gideon!
Zei kon dan ook die bekende psalm geboren en gezongen worden: "Want niet met hun zwaard hebben zij het land verworven, niet hun arm heeft hen gered, maar uw rechterhand en uw arm en het licht van uw aanschijn, omdat Gij een welbehagen in hen had" - 44:4. Het prachtige is nu, dat deze psalm zo tróóstend is, omdat de dappere strijder in het' leger van God en de verlamde Lazarus die niets heeft kunnen verzetten toch weer naast elkaar worden gezet. Ze kunnen deze psalm allebei zingen! De strijder denke niet: Ik kan eigenlijk meer! En de verlamde denke niet: Ik ben eigenlijk waardeloos voor God! Ook de verlamde kan zingen en God prijzen. Dat - niet meer en niet minder - is zijn kracht. Laat ook hij de Here dienen met al zijn krachten! En dat laatste zei ik ook tegen mijn bezoeker: Dien de Here met al je krachten! Je mist momenteel veel! Erg veel! Méér dan iemand die er niet 'in zit' ooit kan beseffen!
Maar je wéét van de Here. En je kunt zeggen. En je kunt ook nog heel wat doen! En daarin ben je evenmin waardeloos als de verlamde Lazarus, die niet mee kon in de oorlog!
Een woord van heil. Voor 'vreemdelingen' die ei niet meer buiten staan; voor 'ontmanden' die niet meer hoeven te zeggen: Ik ben een dorre boom! En vul maar de 'handicaps' verder in - zie Jes.56:3 ev. ook Hand. 8:26-40. Wat een heerlijke zaak, dat wij de genade van de Here niet hebben af te leiden uit de waarde en onwaarde van onze krachten, gevoelens, belevingen en beseffen! Wat heerlijk, dat Hij ons Juist in ons gebrek troosten wil uit zijn volheid! wat heerlijk dat het getal van het Verbond - twee! - niet verschrompelt tot de arme één, die wij bij en in onszelf hebben.
Wij zijn niet alleen. Daar is de grote Tweede, die in werkelijkheid de Eerste is! Hij is onze vrede!
Een volgende keer wil ik graag nog wat meer zeggen over de zegen, die in het getal van het Verbond in dat getal twee...verborgen ligt!