In Memoriam Douwe Jan Buwalda
1987-06-19
Kort voor het overlijden van broeder Buwalda verscheen in 'Opbouw' (nrs. 2-7) een serie artikelen van zijn hand. Ze handelen over 'gnosis' en gnostiek' (waarover straks iets meer). Ik maak melding van die serie, ook omdat als ze niet was verschenen, er misschien betrekkelijk weinig lezers zouden zijn die Buwalda als schrijver kennen. Toch, wat hij in zijn uitzonderlijk grote aantal brieven, studies en memorisaties heeft neergelegd, zou menig boekdeel van. voortreffelijk kerkhistorisch en (Schrift-)wetenschappelijk gehalte kunnen vullen. Sterk betrokken op' het hedendaagse wel en wee van de kerk en de haar beïnvloedende wereld, streefde hij wel publicatie na (géén publiciteit), evenwel stuitte het publiceren vaak op bezwaren van vlotte toegankelijkheid, kort gezegd. De redactie van 'Opbouw' is daarover onlangs dus heengestapt, overigens zonder te vermoeden dat het de laatste keer zou zijn. Het belang van het onderwerp èn het door de auteur getoonde scherpe en diepe inzicht hebben de doorslag gegeven en dat stemt dankbaar.- Jaargang 31
- nummer 24
De ruimte voor dit In Memoriam is uiteraard beperkt. Daardoor kan ik niet meer doen dan mij bepalen tot één reflectie. Ze is een poging in klein bestek weer te geven wat Buwalda in zijn strijd tegen de gnostiek en haar anti-christelijke gevolgen vervulde en wat ik' erg beknopt omschrijf als: de eer van God de Schepper in de creatuurlijke werkelijkheid.
Ik hoop de lezers te dienen met enige uiteenzetting van wat ikzelf daarover als vriend, die hem enigzins mocht kennen, uit ,gesprekken met hem leerde.
De gnostiek nu is niet maar een randverschijnsel in de theologie, de een of andere curieuze ketterij die kwam en ging. Ze is een dwaalleer van de satan bij uitstek, die het denken en handelen van de gehele mensheid, sedert de val van Adam in het Paradijs; in de wortel' heeft aangetast. Het Griekse woord gnosis, dat (een bijzondere, 'hogere' vorm van) kennis betekent, stamt uit het begin van onze jaartelling. Maar de werking,. het gnostieke proces, dateert al van het ogenblik waarop de mens het bestond in te gaan.op de verleiding van satan 'als God' te zijn.
Bij dit begin legt Buwalda steeds de vinger. Satan, de ontwrichter en uiteenwerper, zelf de van God gescheidene, wil verder scheiden wat en wie God verbonden had en heeft. In het Paradijs richt hij de aanval op 'die verbondenheid tussen God en Zijn liefste schepsel, de onderkoning der schepping, de mens. Aanvankelijk slaagt hij daarin. Want de eerste Adam faalt, door zijn ongehoorzaamheid aan Gods liefdevolle gebod en verbod, volkomen.
Maar dan! Gods Zoon, zelf God, een met de Vader, neemt op hetzelfde ogenblik de plaats van Adam in. Als de Tweede Adam ondergaat Hij vrijwillig de toorn van het ganse menselijke geslacht - met de diepste vernedering, tot de kruisiging toe, voor ogen. "Want zó liefheeft God de wereld gehad (wereld hier, in Joh. 3:16, niet te verstaan als Godevijandige mensheid, maar als de ganse kosmos), dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe".
Om de liefde tot zijn scheppingswerk laat God de aarde en de mensheid voortbestaan. "DES· HEEREN is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarin wonen" getuigt de Geest, de Heilige Geest van de Vader en de Zoon, in een machtig psalmwoord.
Hoe ver gaat God, in zijn bemoeienis en omgang met zijn schepsel! Wonderlijk: Hij zet zelfs het gesprek met Kaïn voort, treedt in dialoog met de eerste moordenaar en zegt hem bescherming toe. Hij verwaardigt het geslacht van de goddeloze Lamech de culturele ontplooiing van het geschapene 'ter hand te nemen. Zeker, tot de boosheid van de mensen geen grenzen meer kent en het de HEERE berouwt dat Hij de mens op de aarde gemaakt heeft. "En het smartte Hem in zijn hart", staat er bij. En vlak er op: "Maar Noach vond genade in zijn ogen". God bedenkt zich nog.
Hij 'verbergt Noach, .zijn gezin en de dieren in de ark en belooft een vernieuwde aarde, nadat de oude van de zonde is schoongespoeld. Een nieuw begin, onder gewijzigde, minder paradijselijke wetten, maar even betrouwbaar.
Wij leven er nog onder, ze zijn onveranderlijk in dit heden. Want Hij regeert en zal zijn almacht tonen. En zijn trouw in het definitieve heilsverbond met Abraham. Opnieuw door ontrouw heen. Tot Christus komt, die' nog het woord 'van de Vader spreekt en verklaart: "Want zó lief heeft God de wereld gehad..." Tot het verhoogd, aan de paal der schande omhoog gehesen worden toe. Dan is het volbracht. Het graf kan Hem dan niet houden. En Hij ontvangt het loon: Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Wie de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Zoals het was bedoeld in het Paradijs. Het Paradijs herwonnen! God laat' niet varen het werk dat zijn hand begon. Zijn Heilige Geest garandeert de eenheid van werken van de Vader en de Zoon, van den beginne "tot in alle eeuwigheden". Wanneer de Here, onze God, de Almachtige, het koningschap uit handen van de overwinnende Zoon zal hebben aanvaard (1 Cor. 15,:24, Openb. 19:6) .
De gnostiek ontkent dit alles. Ze geeft gehoor aan de Vader der Leugen (laten we dit eenmaal met hoofdletters schrijven), die aan de mens in de hof het gelijk zijn aan God in het vooruitzicht stelde.
Door de plaatsvervangende daad van de Tweede Adam is zijn opzet in de, kiem gesmoord. Maar hij past die nog steeds toe. Evenals in het Paradijs 'neemt hij de 'mens apart en zet hem op een voetstuk. Een hoogte, vanwaar hij God wat beter kan beoordelen, van een zekere afstand als van een balkon, zoals Buwalda het uitdrukt. De positie van God, zijn doen en laten, worden eerst een beetje gerelativeerd, met een beroep op 's mensen kritisch vermogen: "Is het ook; dat God gezegd heeft..." of "God heeft zeker wel gezegd..." om dan plotseling op Eva's juiste antwoord de voorstelling om te draaien en de mens voor de keuze te plaatsen. Eva bezwijkt en Adam met haar, onder het mateloos lasterende motief dat God wel iets achtergehouden zal hebben: de kennis van goed en kwaad. Welk kwaad? Wel, zo leerden al de oudste gnostici, de gevolgen van zijn onvolmaaktheid als schepper. Door deze kennis wèl te kunnen verwerven steekt de mens God naar diens onverdiende kroon. Hij mag dan wel de mens weghouden van de boom des levens, maar dat is machteloze afgunst.
Hoe krachtig werkt dit gnostische motief de eeuwen door! In onze tijd in de banaalste vorm bij jan-en-alleman, die God van alle kwaad de schuld geeft, zowel als in de verfijnde litteraire of koel wetenschappelijk afrekenende vorm van de elites, het gevaarlijke terrein van de theologie uitgezonderd. Want ook manifesteerd de gnostiek zich in de pseudo-christelijke vorm, waarin niet de Christus der Schriften, maar een valse christus het met zijn 'liefde', die niet uit God is, opneemt tegen de 'God van het Oude Testament'. Evangelie tegenover Wet.
Die onderlinge isolering, van de Schepper en het schepsel, het meest aanmatigend als onderlinge losmaking van de Vader en de Zoon, wenste Buwalda voortdurend te onderkennen, te signaleren en er tegen te waarschuwen. Zelf vervuld van de diepste schroom jegens God Drie-enig (hèt skandalon voor de gnostiek!) heeft hij 'op onbeschroomde wijze, in een niet schroomvallige stijl, Zijn, Hun scheppingsheerlijkheid staande wensen te houden. De belijdenis van Gods trouw aan zijn daden van schepping en onderhouding stond bij hem hartstochtelijk centraal, tegen de 'theoria' , het satanische aartsbeginsel van de scheiding tussen alles wat en allen wie God' heeft samengevoegd.
Wat .God in zijn laatste scheppingswonder, de neerdaling van het Jeruzalem op aarde, zijn kinderen nog bereiden zal, heeft geen oog gezien, geen oor gehoord en is in geen mensenhart 'opgeklommen' (sterke weergave,' juist tegenover de gnosis, de 'hogere' kennis), Maar zij mogen in de schitterende verwevenheid van de creatuurlijke werkelijkheid in het heden al veel ècht kennen. "Groot zijn de werken des HEEREN , na te speuren door allen die er behagen in hebben". Dat geldt nu al, als opdracht ook. Het was deze lust, die de eerbiedige keerzijde vormde van Buwalda's strijdvaardigheid, die geen strijdlust was, maar moedige, waarlijk christelijke wijs-begeerte, antithetisch en thetisch. Hoe was hij onder de indruk van de schoonheid van Gods wet, geleerd door de Psalmen! Daarvan te getuigen, tegen de gnostische wereldgeest in, was voor hem het leven in dankbaarheid, verwoord in zijn dagelijkse gebed, voor en in zijn gezin, 'voor en in de gemeente, voor en in de wereld. De laatste jaren in de kring van bewoners van het tehuis te Bilthoven, waar hij Bijbelstudies leidde. Ernstig ziek geworden, zette hij zijn voorbeeldig praktisch-exegetische werk in die kring en in andere kleine verbanden, onvermoeibaar schijnend, voort. Het laatste hoorden wij in de door hem geleide Mekkes-kring hem toe. Hij las voor uit Openbaring 1, langzamer dan we van hem gewend waren, indringend, als overweldigd door hetgeen Johannes schrijft over Christus' verschijning. We merkten bij ons zelf op, dat hij nu werkelijk inoe was en toch, verlicht, zich in de geest oprichtend door het Woord van de Levende. Het was ons, als werd diens zo vaak gesproken "Wees niet bevreesd" in onze broeder transparant. Wij wisten niet, maar vermoedden wel, dat zijn strijd gestreden was, hoeveel hij zich ook nog had voorgenomen. Ook in de hoop, voor zijn Vrouw (zo schreef hij dat 'altijd) nog de hulp te kunnen ziin die zii zo nodig had. Maar God heeft het anders beschikt en de kinderen hebben die zorg overgenomen. Voor de gestorven broederen voor de nog levenden om zijn na- , gedachtenis heen moge, ieder in zijn of haar bestaan, de belijdenis gelden, vervuld of nog in de vaste hoop: "De HEERE is mijn herder, mij ontbreekt niets".