Rondom woord en kerk (5)

1988-08-26
  • Jaargang 32
  • nummer 31
Bestaansbezieling
Eigenlijk zijn er in het artikel van ds J.M. Mudde geen punten aan te wijzen waarop ik volstrekt met hem van mening verschil. Mogelijk gaan we nog het verst uiteen in de waardering van elkaars bijdrage. Zijn bezwaren tegen mij zijn aanzienlijk groter dan de mijne tegen hem. Dat maakt het voor een echte diskussie niet gemakkelijk. Raak je elkaar wel heus, is dan de vraag. Of, daaraan voorafgaand nog: begrijpen we elkaar wel goed?

Ik heb het gevoel dat ik met mijn verhaal begin waar ds Mudde ophoudt. Alles wat hij schrijft ligt aan mijn betoog als een vooronderstelling ten grondslag.
Wat hij zegt over het verbondskarakter van de gemeente heeft mijn hartelijke instemming. Ook dat hij uitkomt bij een bestaansnoodzaak van onze kerken ben ik met hem eens. Ik zou ook niet weten waar ik anders heen moest, gegeven de kerkelijke traditie waarin ik ben· opgegroeid.

Maar hier aangekomen begin ik te vragen.
Is aan die bestaansnoodzaak wel voldoende bezieling te ontlenen? 'Hier sta ik, ik kan niet anders' is een bij uitstek profetische stellingname. Goed, maar nu heb ik ervoor gepleit dat we naast dat profetische iets zouden kunnen hebben aan het model van de nazireeër.
Naast, niet in plaats van. Daarbij is mijn gedachte niet zozeer gericht op bestaansrecht of bestaansnoodzaak maar (veel dichter bij) op bestaansbezieling.
Hoe krijg ik onze Nederlands Gereformeerde mensen warm voor hun kerkelijk leven? Het inzien van een bestaansnoodzaak is daarvoor niet genoeg. Het is te negatief en te defensief. Er spat geen vreugde vanaf.

Van de nood een deugd maken
Ds Mudde vraagt zich af of ik in mijn causerie voor Opbouw niet bezig ben geweest van de nood een deugd te maken. Hij bedoelt dat als een kritiek, maar daar is geen rede toe. Dit is inderdaad wat ik probeer: van de nood een deugd maken, ofwel: van onze bestaansnood een bestaansvreugde maken.
Wat is onze bestaansnood? Dat we door de verschillende kerkscheuringen zo langzamerhand bij een wat geamputeerd kerkbestaan terechtgekomen zijn. Daar heb ik iets aan willen doen met mijn introduktie van de nazireeërsfiguur.
En laten we het zuiver stellen: Niet mijn inbreng van de nazireeër-gedachte leidt tot die amputatie (zoals ds Mudde vreest) maar gegeven die geamputeerdheid probeer ik daar met behulp van de nazireaats-
idee munt uit te slaan. Dat wij een schamele kerkvorm hebben berust werkelijk niet op onze keuze. Dat is ons overkomen.
Tegen onze wil. Ik zie ook niet hoe wij het hadden kunnen vermijden.
Alleen, dit eenmaal zo zijnde, moeten we elkaar dan niet warm maken voor de mogelijkheden die daarin meekomen?
Kansen die we anders niet zouden krijgen?
Om namelijk als kerk meer inhoudelijk dan formeel te zijn? Als we daar blind en doof voor zijn, blijven we dan niet wat huilerig hangen in die bestaansnoodzaak?
Dat laatste zeg ik natuurlijk niet persoonlijk tegen ds Mudde, maar meer algemeen gezien lijkt het me toch geen denkbeeldig gevaar.

Het gaat me om het terugwinnen van een stukje kerkelijke vreugde. Niet voor niets had ik het in die derde stelling van mijn verhaal over het getroost op ons nemen van onze schamele kerkvorm om zodoende een blij aksent te kunnen leggen op het ene nodige. Ik geef toe dat je zulke stemmingsbegrippen als 'troost' en 'vreugde' niet vaak in stellingen tegenkomt. Die hebben immers meestentijds iets kils. Geen wonder daarom dat de kleine stemmetjes van deze gevoelswoorden in het gedruis van de diskussie gemakkelijk verloren gaan. Daarom breng ik ze nog maar eens naar voren. Ze waren echt niet als franje bedoeld, ik wilde er het gevoelige punt van onze kerkelijke vreugde mee aan de orde stellen. Let wel, onze kerkelijke vreugde. Ik zie in onze kerken wel christelijke vreugde. Ik zie ook dat deze christelijke vreugde voor kerkelijke vreugde wordt gehouden. Toch zal kerkelijke vreugde alleen dan houdbaar zijn als we niet om onze kerkelijke problematiek heenlopen. Anders verdringen wij het kerkelijke met het chris telij- .
ke en doen we daarin dan toch weer alsof we de enige christelijke kerk zijn.
Het kerkelijke heeft recht op afzonderlijke aandacht en doordenking. In de psalmen kom je een zich
verlustigen in de Here tegen èn een zich verheugen over Jeruzalem.

De lampen brandende houden
Van dat Jeruzalem beslaan onze kerken maar een klein hoekje. Het geheel, zeg maar 'Groot-Jeruzalem', is de verbondsgemeente of het verbondsvolk.
Het verbondskarakter hebben onze kerken dus met de andere kerken gemeenschappelijk.
Dat verbondskarakter vraagt om eigen aandacht en zorg.
Daarover heb ik het in mijn causerie niet gehad. Niet of bijna niet, want ik heb wel gepleit voor een goede christelijke opvoeding die onze kerk aan haar jeugd moet geven. Maar hoofdzakelijk had ik het toch over dat kleine kaveltje waar Jeruzalem Nederlands Gereformeerd is. Wat hebben wij te bieden?
Ogenschijnlijk niet veel., zeker voor onze opgroeiende kinderen niet. Vaak zijn onze kleine gemeentes van een zeer onregelmatige leeftijdsopbouw. Veel jongens en meisjes groeien daardoor in een betrekkelijke eenzaamheid op. Ik heb daarover geen getallen beschikbaar, maar ik denk dat het de betreffende jongelui goed doet dat dit zo eens genoemd wordt. Er is intussen weinig tegen te doen. Is het een wonder dat er zijn die dat niet aan kunnen? Zij zoeken het elders. Maar omdat wij klein zijn, komt dat hard aan. En zo is de kans groot dat ze al weggaande ook nog onze verontwaardiging mee moeten torseneen garantie voor jarenlange frustratie.
Nu breek ik er een lans voor dat we in zulke gevallen (en ook andere zijn denkbaar), als de verloren zoon is weggetrokken, met de dichter Geerten Gossaert zeggen: "Laat immer meer de lampen branden, de poort geopend, de slotbrug neer.". Bijna blijde beveelt de .verlaten moeder dit aan de maagden, volgens het gedicht, in plaats van over haar jongen vervloekingen uit te storten.
Bijna blijde? Niet om het vertrek, natuurlijk, we zijn niet ziek, maar vanwege een onuitblusbaar enthousiasme.
Weggaande jongelui die bij ons op mildheid stuiten, omdat we een bezie': ling hebben en in die bezieling een onkwetsbaarheid en een niet te dempen kerkelijke vreugde, die geven wij iets zeer waardevols mee. Wat helpt het, hun een bestaansrecht voor te houden?
Ze zijn nog te jong om dat te beamen.
Daar is rijpheid voor nodig. Maar als ze zien dat wij met het weinige dat we uiterlijk gesproken overgehouden hebben, woekeren als met een talent, dat we dat brood om zo te zeggen vermenigvuldigen en die gestalte-armoede van ons aangrijpen om des te meet tot het eigenlijke te komen, ..... ach, die indruk gun ik onze vertrekkende kinderen zo.
Ds Mudde schrijft: "Ds De Jong lijkt aan het kind bijna een wat ondergeschikte plaats te geven". Laat ik nu met mijn verhaal vooral aan het kind gedacht hebben! Niet alleen aan het weggaande kind, maar ook aan het blijvende, voor wie die bezieling van de ouderen toch ook mooi meegenomen is, om het wat vlakjes te zeggen.

Doortrekkers
Laat ik nog eens iets noemen. Om de . bestaansnoodzaak van onze kerken te zien is het nodig dat we historisch denken.
Nu heb ik niets tegen dat historisch denken, maar ik konstateer dat de meeste mensen daar weinig bedreven in zijn. Zeker als het over Kerklidmaatschap gaat. Ds Mudde is dat trouwens met me eens. Ik denk nu konkreet aan verschillende mensen, meest jongelui, die een tijdje bij ons lid zijn geweest. Lid of half-lid, het waren in ieder geval doortrekkers. Op -een keertje waren ze aan komen spoelen, meegenomen door een kennis bijvoorbeeld. Later kwamen ze ook eigener beweging. Ze vonden het fijn onder het Woord, maar keken verder nogal vreemd tegen ons aan.
Nederlands Gereformeerd, wat is dat helemaal? Bij het zingen van de psalmen konden ze geen noot voor de andere krijgen. Totdat ze een meer liturgische (en ook modernistische!) dienst meemaakten in een van de andere kerken in de stad en weg waren ze. "Ja, maar zie je het verschil in prediking dan niet?"
"Hoe bedoelt u, dominé?" Nee, ze zagen het niet. Nu denk ik dat ze het te eniger tijd toch wel zullen ontdekken.
Daar is tijdsafstand voor nodig en die komt met de jaren. Ze zullen zich het Woord dat ze gehoord hebben herinneren ..Op de duur zullen wij hun dus nog tot grote zegen zijn, daar ben ik van overtuigd. Maar dat zal zich aan onze waarneming onttrekken. Dat komt dan de Here Jezus ten goede en niet de Nederlands Gereformeerde kerken.
Wat doet het er toe? Als Hij maar:groeit dan mogen wij wel minder worden. En trouwens, minder worden, - hebben wij intussen niet iets erg moois mogen doen? Voor Hem? En voor hen? Maar ik ben het met ds Mudde helemaal eens: ons bestaansrecht daarop gronden, nee, natuurlijk niet. Het gaat meer om een bestaansbezieling of -vulling. Datje het volhoudt bij wat toch telkens weer een teleurstelling is.

Geen gelukkige greep?
Ds Mudde vindt mijn inbreng van het nazireaat als model omje als kerk op te oriënteren niet zo'n gelukkige greep.
Hij brengt er drie bezwaren tegenin. In de eerste plaats, zegt hij, berust het nazireaat op een vrijwillige keuze van ons, terwijLons kerklidmaatschap berust op Gods genadige verkiezing. Akkoord, maar je kunt Gods keus voor jou toch bevestigen door jouw keus voor Hem?
"Kiest dan heden wie gij dienen zult", zegt Jozua tegen Israël (Joz. 24: 15).
Maar dit hoofdstuk begint met een herinnering aan de goddelijke uitverkiezing: " .....Ik nam uw vader Abraham van de overzijde der Rivier ..... " (vs 3).
Het is waar dat na Gods keus onze keus niet echt.vrij is, maar ze behoeft er niet minder hartelijk om te zijn.

In de tweede plaats acht ds Mudde het nazireaat te zeer een individuele zaak dan dat je het aan de kerk die een gemeenschap is ten voorbeeld zou kunnen stellen. In strikte zin is deze bewering voor bestrijding vatbaar, zie Hand.
21 :23 e.v. waar sprake is van een groep mensen die zich onder de nazireeër-gelofte stelt. Toch heb ik nog een mooier voorbeeld van een meer kollektief nazireaat gevonden, en wel in Neh. 11 : 2. Het gaat daar over de bewoning van de stad Jeruzalem in de tijd van de wederopbouw na de ballingschap.
Het gaan wonen in de van puin vervulde stad werd duidelijk als een korvé aangevoeld. "De oversten van het volk gingen te Jeruzalem wonen, maar het overige volk wierp het lot om één op de tien aan te wijzen in Jeruzalem de heilige stad te gaan wonen en negen tienden in de overige steden" (vs 1). Dan volgt: "Het volk nu prees al de mannen die vrijwillig in Jeruzalem gingen wonen". Inderdaad was dat prijzenswaardig, ook al hierom dat deze geste stellig aanstekelijk zal hebben gewerkt op de rest. En zo werd dus de gemeente van Israël in die dagen aangevoerd, in ieder geval aangevuurd, door een soort nazireaat, want het gaan wonen in die onttakelde stad mag heus wel als een onthoudingsgelofte worden uitgelegd. Vrijwillige armoede? De verwoesting van Jeruzalem was geen keus geweest, zomin als de kerkscheuringen van de laatste eeuwen. Maar gegeven die armoede, kozen ze ervoor en maakten ze er wat van.

Profetisch en nazireeïsch
Dit brengt ons bij het derde bezwaar van ds Mudde. Dat namelijk de gemeente ook andere schapen kent die niet of nog niet door de nazireeërsgedachte zijn aangestoken. De gemeente is te zeer gemeleerd om een nazireërsgemeenschap te zijn. Dit feit moet worgen toegestemd en is door mijzelf trouwens ook genoemd. Maar is het als bezwaar echt to the point?
Je kunt het ook inbrengen tegen het profetische als karakteristiek van de gemeente.
Daar laat ook niet ieder zich hoofd voor hoofd in betrekken, terwijl dat toch van de zaak niets afdoet. Zo kan ook hei nazireaat van enkelen een hele gemeente in vlam zetten. Enkelingen beginnen door woord en daad van onze kerkelijke nood een winstpunt te maken en anderen worden daardoor aangestoken en gaan het weer zien zitten.
Zo werkte en werkt het toch?
De profeet Amos maakt ergens dit verwijt aan zijn volk: "Jullie gaven de nazireeërs wijn te drinken en geboden de profeten: je moogt niet profeteren" (Amos 2: 12). Tussen haakjes, hier zie je die twee, de nazireeër en de profeet, broederlijk naast elkaar staan, precies zoals ik het volgens de bewoording van mijn derde stelling bedoelde. Maar waarom zou het volk deze mensen hebben willen uitschakelen? Natuurlijk omdat zij hun invloed op het volk vreesden.
Israël mocht van zijn leidslieden noch profetisch noch nazireeïsch zijn.
Mijn enige bedoeling met het nazireeërmodel is om de kerkelijke vreugde te bevorderen en een meer positieve beleving van ons kerk-zijn aan te kweken.
Dat wii bii tiiden eens heel die ellendige geschiedenis waardoor het tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde kerken gekomen is (de veertiger en de zestiger jaren) kunnen vergeten en in plaats daarvan gewoon van het bestaan van onze kerken uitgaan en zeggen: Wel, dit zijn onze riemen, hoe kunnen we daarmee het best roeien? Of, ander beeld: We zijn als kerken wat geamputeerd en gehandicapt geraakt, maar zouden wij met onze krukken misschien op een bijzondere manier naar de Here Jezus kunnen verwijzen? Binnen het geheel van de ene, heilige, algemene, christelijke kerk. Het profetische alléén zorgt voor een over-ernst, in het nazireaat zoek ik naar de luchtige toon.
Te luchtig, vreest ds Mudde. Misschien heeft hij gelijk, maar ik ben blij dat hij dat luchtige en onbekommerde heeft opgemerkt. Zoals ik hem trouwens ook dank voor zijn instemming met de diepste grondtoon van mijn verhaal.

Behoeftenbevrediging
Tenslotte nog een antwoord aan ds Waagmeester. Mijn kollega vreest dat in mijn denken over de kerk de bevrediging van de religieuze behoefte teveel voorop staat. Ik ben het met hem eens, voorop staan mogen die behoeften niet, maar dat ze een rol en ook wel een legitieme rol spelen, staat voor mij vast.
Behalve immers dat verschillen tussen kerken samenhangen met de houding die tegenover het profetische Woord wordt aangenomen, is het toch ook zo dat geen enkele kerk vandaag de gehele katholieke volheid vertegenwoordigt.
Er is een pluriformiteit waartegen we nee moeten zeggen, want er is maar één evangelie. Dat nee zeg ik zelf bij voorbeeld in alle duidelijkheid tegen het vermengen van joods en christelijk geloof.
En tegenover een verpolitisering van ons geloof is het evenzeer op z'n plaats (om maar niet meer te noemen). Maar er is na twintig eeuwen kerkgeschiedenis ook een onvermijdelijke pluraliteit waar je veel lakonieker tegenover kunt staan.
Die hangt samen met karakter, aanleg, landsaard, eigen traditie enzovoorts.
En ook met het feit dat vanaf de grote Reformatie scheidingen naast winst ook altijd verlies hebben betekend. Deze en nog andere faktoren zorgen ervoor dat iedere kerk, ook de onze, bepaalde legitieme behoeften bij de mensen onbevredigd laat. Er is geen kerk meer die alles in huis heeft. Dat verplicht ons om goed te luisteren naar mensen die zich bij ons wat verkommerd voelen en met hen mee te denken hoe dat te verhelpen zou zijn. Wij zijn de enige niet en hebben de waarheid noch de volheid in pacht. Toch mogen we er zijn en hebben we zelfs een heel eigen missie temidden van de andere kerken en gemeenschappen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief