"Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad."
1987-08-07
'Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad'. Bekende woorden uit de Heidelbergse Katechismus, waarin een oordeel wordt uitgesproken over de mens zoals hij voor God is.- Jaargang 31
- nummer 29
Woorden die vandaag opnieuw in diskussie zijn gekomen. Is dit wel waar?
Wordt hier niet te hard geoordeeld?
Maakt deze leer geen gefrustreerde mensen? Raken met name onze kinderen niet fundamenteel ontmoedigd wanneer ze volgens deze leer worden opgevoed? Ontmoedigd omdat er bij de ouders nooit een prijzend woord af kan. Ontmoedigd nog meer, omdat in hun hart. het vergeefse van alle pogingen om goed te doen bij voorbaat al vast staat. Ik besef dat ik hiermee meer vragen opwerp dan ik in dit korte ogenblik beantwoorden kan. Ik wil daarom mijn tijd gebruiken voor het plaatsen van een waarschuwing. Denk erom dat u deze leer, die inderdaad de leer van de Heilige Schrift is, niet losmaakt van God, niet uitlicht uit de ontmoeting met Hem. Zonde is een verschijnsel waarop we pas dan een juiste kijk krijgen als we voor Hem staan.
Dat leren we uit de bijbel en ik geef er twee voorbeelden van, één uit het Oude Testament en één uit het Nieuwe.
Het eerste voorbeeld is van Jesaja (Jesaja 6). Aan het begin van zijn loopbaan als profeet heeft hij in de tempel van Jeruzalem een visioen.
De Here God zelf verschijnt aan hem. "Ik zag de HERE zitten op een hoge en verheven troon", vertelt hij. Engelen daaromheen die elkaar. toeroepen: heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen... "En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. En let nu op hoe Jesaja hierop reageert.
"Wee mij", zegt hij, "ik ga ten onder, want ik ben een man onrein van lippen en ik woon temidden van een volk dat onrein van Iippen is - en mijn ogen hebben tie koning, de HERE der heerscharen gezien". Het besef van volstrekte ontoereikendheid ontstaat in de ontmoeting met de Heilige. Zoals je dat al een klein beetje tussen mensen kunt hebben, dat je je een pummel voelt in het bijzijn van iemand voor wie je een geweldig hoge achting hebt.
Het tweede voorbeeld betreft Petrus.
Ik heb hierbij 't oog op het verhaal van de wonderbare visvangst. De Here heeft zojuist het vissersbootje van zijn leerling Petrus gebruikt om van daaruit de menigte toe te spreken.
Daarna laat Hij naar de diepte afsteken en het net uitwerpen. En dat loopt dan, ondanks het feit dat er die hele nacht niets gevangen is, op een geweldig resultaat uit: twee boten vol vis.
"Toen Simon Petrus dit zag", vertelt de evangelist, "viel hij neder aan de knieën van Jezus en zei: ga uit van mij, Here, want ik ben een zondig mens" (Lukas 5:8).
Gesteld voor de Heiland in zijn majesteit ziet Petrus wie hij zelf is.
Zondebesef ontstaat in de ontmoeting met God.
En nu wringt hier, denk ik, de schoen.
Want onze tijd is niet sterk in het echt - ontmoeten van God. Wij zijn zo druk met onszelf en met elkaar dat wij God vergeten. Wij meten ons aan elkaar en och, dan vallen we best mee. Dan lijkt dat zware oordeel van de Katechismus overdreven. Druk met onszelf en met elkaar. Zelfs als we voor God komen, kunnen wij nog de ogen van elkaar niet afhouden en gebruiken wij de anderen als maatstaf.
Zoals de farizeeër uit de gelijkenis (Lukas 18:9-14). Die bad en begon: O God ... , maar zijn gedachten waren niet bij God, maar bij de mensen, met wie hij zichzelf vergeleek en toen zei: ik dank U dat ik niet ben als die anderen. Hij vond dat hij het nog niet zo gek deed en sociaal gesproken had hij daar niet eens helemaal ongelijk in. Tegenover God' evenwel had hij het bij het verkeerde eind ...
Dat begreep de tollenaar. Die bad óók. Die zei óók: 0 God ... , maar die méénde het. Hij zag werkelijk niemand anders dan de Heilige en wist toen niets anders uit te brengen dan: o God, wees mij zondaar genadig.
De farizeeër bad sociaal, de tollenaar religieus.
Het is onbegrijpelijk; maar zelfs christenen hebben vandaag weinig besef van God (vgl. 1 Kor. 15:34).
De kerk lijkt niet langer religieus, maar sociaal. En ja, in het sociale heet de onderscheiding tussen goede en slechte mensen een betrekkelijk recht. Zelfs het evangelie sluit zich daarbij aan. Bv. als Jezus in zijn gelijkenis zegt dat de bruiloftszaal vol liep met boze en goede mensen (Matth. 22: 10) of dat God het laat regenen over rechtvaardigen en: onrechtvaardigen (Matth. 5:45). Dat is het sociale gelijk van hen die tegen de katechismus bezwaar hebben, Maar als er dan iemand komt die Jezus wil opsluiten in dat sociale circuit en tegen Hem zegt; Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? dan protesteert de Heiland en zegt: hou de boel open naar boven! Niemand is goed dan één. namelijk God (Marcus 10: 17, 18). Die betrekkelijke goedheid immers van de ene mens boven de andere, die verdampt toch als we voor de Heilige staan?
Het moderne leven, ook binnen de kerken, lijkt zich vandaag af te spelen in een half donkere kamer; Mensen bezien elkaar in dat schemerlicht en stellen vast: als ik zo eens rond kijk en al die lompen, zie waarin de mensen gaan, figuurlijk gesproken, dan vind ik dat ik er aardig knapjes bij loop.
Velen hebben daarin een betrekkelijk gelijk.
Dan staat iemand op en zegt: maar de leer van de katechismus dan, die zegt dat we onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? De anderen kijken hem vreemd aan: dat kun je toch niet volhouden? En inderdaad, in dat half-duister is de forse taal van de katechismus een slag in de lucht.
Totdat er iemand naar het raam loopt en de gordijnen opentrekt en dan merkt dat ook zijn nette pak vol vlekken zit. Dat is het moment waarop de katechismus waar wordt Wat moeten we hier nu mee, in de opvoeding bijvoorbeeld? Wel, laat aan je kinderen merken dat je zelf regelmatig naar het raam loopt, dat je jezelf als zondaar voor God kent en kinderlijk blij bent met zijn begenadiging.
Hoop en bid dat de Heilige Geest vooral daarmee al werken aan de kinderziel. Besef ook dat je kinderen in betrekkelijke zin goed kunnen zijn, zodat je ze op tijd weet te prijzen en je je kinderen goede gaven weet te geven, zoals het evangelie zegt (Lukas 11: 13).
Maar doe één ding niet. Ga niet in het half-duister, dat wil zeggen: buiten de ontmoeting met God om, de leer van de katechismus overdragen. Want de mogelijkheid is dan groot dat je de kinderziel beschadigt.
Tenslotte kom ik nog even terug op die twee voorbeelden van Jesaja en Petrus. Is het niet opmerkelijk dat beide verhalen erop uitlopen dat deze mensen door God in dienst genomen worden? De een als profeet, de ander .als visser der mensen of apostel?
Als wij ons voor God verootmoedigen en bekennen wie wij zijn, dan zal Hij ons verhogen en laten zien wat wij in zijn kracht kunnen.
Terecht is er dan ook gezegd dat je de katechismus moet laten uitspreken.
"Wij zijn onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij wij door de Geest van God worden wedergeboren ". God wil ons niet plat slaan, maar verheffen. Het is zijn vreugde dat te doen. Maar het gaat wel door de krisis van de ontmoeting heen. Telkens weer.
Samengevat, mijn boodschap: Haal de leer van de katechismus niet weg uit de ontmoeting met God. Hou het religieus.