Boekbespreking

1987-08-07
  • Jaargang 31
  • nummer 29
Drs. G. van Dooren - "... en wij zijn ontkomen!".
Verhaal van kerkstrijd in oorlogstijd.
Deel II, 216 pag., gebonden.
PriJs f 24,90.

Ook dit tweede deel waarin Drs. van Dooren uit Canada de verschillende gegevens in het eerste deel reeds aangereikt verder uitdiept heeft ons bijzonder aangesproken en geboeid. Hij schrijft, dat hij geen historicus is, maar zijn persoonlijk verhaal vertelt. Men kan zich afvragen waarvoor het nu nodig is om wat zich veertig jaar geleden afspeelde weer op te halen. Maar wij zijn met de auteur van mening, dat het alle zin heeft. Ouderen en vooral jongeren dienen geïnstrueerd te worden in de titanische worsteling der geesten zoals die zich op het toneel van kerk en wereld voltrekt. Het hart van de mens is van nature boos: Dat blijkt ook in de kerk wanneer de strijd losbrandt ten aanzien van de leer en het recht, mensen worden gekrenkt en buiten spel gezet, in hun ambtseer worden aangetast tot op het bot en voor gewetensvolle beslissingen worden geplaatst: Dat veroorzaakt spanningen en brengt helaas verbittering mee. En omdat juist binnen de ruimte van de kerk de Naam van Jahwèh klinkt en het Woord Gods de norm is, luistert het zo uiterst nauw. De auteur heeft als pastor van Wezep zijn eigen innerlijke moeite gekend. Hij kende niet alleen de strijd van buiten, maar ook de vrees van binnen. Hij erkent dat heel eerlijk. Hij geeft toe, dat er veel zonden opdoken in de manier waarop de strijd gevoerd werd ook van de kant van hem en de zijnen. Maar het ging om het behoud van de kerk van Christus Jezus bij de aloude grondslag. Geen leer tolereren, die afvoerde van de vastheid van het Verbond, geen ombuiging van het recht laten passeren waardoor de hiërarchie in de kerk werd geijkt. De zelfstandigheid van de plaatselijke kerk is een groot goed! Men heeft in de vergaderingen van de toenmalige klassis Harderwijk kennisgemaakt met "de klauw van het beest" (een uitdrukking van Ds. Post van Axel destijds). Achter de rug van de wettige kerkeraad om was er al een nieuwe éénmans-afvaardiging gecreëerd. Zo gaat dat dan. Maar de breuk is een feit, de trouwe ambtsdragers van de Christus worden als een stelletje Arminianen weggejaagd. Wie zou niet wenen? De HERE heeft tot op de huidige dag voor zijn kudde in Wezep gezorgd. Hij heeft Ds. van Dooren en de toenmalige kerkeraad daarbij gebruikt als zijn instrumenten. Mogen we dat nog zo zeggen vandaag of moeten we die woorden maar vlot inslikken?
Maar doen we dan de HERE niet tekort?! Zeer zeker ligt het gevaar van zelfverheffing en zelfverheerlijking permanent op de loer. Niemand is daarvoor immuun. De auteur onderkent dit heel duidelijk en stelt in dat kader ook verschillende indringende vragen aan de vrijgemaakt-gereformeerden in de situatie waarin zij nu verkeren.
En de nederlands gereformeerden doen er goed aan vanwege een gemeenschappelijke achtergrond deze vragen niet te negeren. Ik licht er iets uit; Onder het kopje: "Zien wij de kerk?" gaat van Dooren nader in op de kwestie Hoorn en schrijft dan: "Mag ik het nu zo zeggen "Hebben wij inderdaad nooit aanleiding gegeven tot de gedachte (die bij velen onder ons leeft), dat wij, de plaatselijke vrijgemaakte kerk, of liever: onze "kerkelijke trouw" in de vrijmaking op één lijn stellen met de vergadering van de éne heilige, katholieke kerk door Christus, zoals art. 27 Ned. Gel. Bel. en Cat. zondag 21 daarover spreken?" Zeker, je kunt over de laatste alléén maar recht spreken in de eerste persoon enkelvoud, zoals de Catechismus ons dat in de mond, legt: "Waarvan ik een levend lid ben, en eeuwig zal blijven". Maar juist in die positie belijd ik de universele kerk." (p. 176, 177). Het pastoraat vereiste zo in de barre oorlogstijd van de veertiger jaren een aparte en' zeer intensieve inzet. Allerlei mensen, die op zoek naar voedsel Wezep passeerden moesten geholpen worden. Daarbij voegde zich dan het schriftuurlijk verzet tegen een onzalige leerbinding en rechtsverminking. Eén-
en andermaal wordt in dit verband door de auteur de naam van ds J. O. Mulder genoemd. Deze predikant, toen in Hattem, heeft zich destijds al laten kennen als een medestrijder voor de goede zaak. " ... en wij zijn ontkomen." "Het slot van Psalm 124, waaraan de titel van dit boek is ontleend, is ons VOTUM, onze plechtige verklaring aan het begin van elke kerkdienst. We zeggen het ruim honderdmaal per jaar.
Sinds de vrijmaking hebben we deze woorden dus méér dan VIERDUIZEND KEREN op de lippen genomen.
"Onze hulp is in den Naam des HEREN, die hemel en aarde gemaakt heeft". (pag. 187).
Drs. G. van Dooren vertrok in 1946, mee op advies van een wijze ouderling, naar Enschede. In 1954 ging hij met zijn gezin naar Canada. In 1977 is van Dooren, na veel ambtelijke en theologische aktiviteit ontplooid te hebben, met emeritaat gegaan. Maar het woord van Psalm 124 is met hem en de zijnen meegereisd.
En dat woord geldt aktueel ook voor ons! Ook dit tweede deel heeft ons verrijkt, Neem en lees!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief