Want Ik ben God en geen mens

1988-09-09
  • Jaargang 32
  • nummer 33
Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraim, u overleveren. Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adama, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt... Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden" (Hosea 11: 8 v).

Dit is wel de meest ontroerende uitspraak van heel het Oude Testament.
Echt woorden waarbij je voelt: schoenen uit, want de grond waarop je staat is heilige grond. Hier kijken we onze hemelse Vader in het hart. Met de ene arm gaat Hij zijn volk aan het oordeel prijsgeven. De andere arm houdt Hij naar hem uitgestrekt: Hoe zou Ik u prijsgeven.? Ik kan het niet!
Elf hoofdstukken lang klinkt de aanklacht. Het besluit ligt vast: "Mijn volk volhardt in het afdwalen van Mij - en al roepen ze tot Hem omhoog, Hij zal hen niet meer overeind helpen"
(vs 7). De Onveranderlijke Israëls liegt niet, God is geen mens dat Hij berouw zou hebben ... en dan die plotselinge omslag: Mijn hart keert zich om in Mij, Ik zal mijn toom niet ten uitvoer brengen. Aangrijpend is dat, dat Gods liefde toen sterker bleek dan zijn toom.

Gods smart
Koning Jerobeam 11 had Efraïm, noordelijk Israël, tot enorme bloei gebracht.
Met dat het economische peil steeg, was het zedelijk niveau gedaald.
Trouw, liefde en kennis Gods waren weg; daarvoor in de plaats: vloeken, liegen, moorden, stelen, echtbreken; de priesters: een troep bandieten; Efraïm: een hoer.
God moest terugdenken aan het goede mooie begin. Toen Israël een kind was had Hij het liefgehad. Uit Egypte had Hij zijn zoon geroepen, hem leren lopen, op de arm gedragen, vertroeteld.
Maar hij wilde Hem niet kennen ...
Wat soms bij een ouder in uiterste smart kan opkomen, kwam toen in Gods hart op in zijn verdriet: Was Efraïm er maar nooit geweest! Ik keer die hele heilsgeschiedenis om. Uit Egypte heb Ik m}!n zoon geroepen?
Naar Egypte zal hij teruggaan. Ik zelf zal hem een tweedeEgypte bezorgen: Assur, de ballingschap. Zijn steden zullen worden omgekeerd als Sodom en Gomorra, Adama en Seboïm (een verbondsafspraak, Deut. 29 : 23), vs 1-6.

Gods hart
Toen Israël slechts de omkering van zijn geschiedenis en de omkering van zijn steden wachtte, was het enige dat zich omkeerde het hart van God. Hosea gebruikt het woord dat ook voor de omkering van Sodom en Gomorra gebruikt wordt. Toen ging Gods hart ondersteboven! Zijn brandende toom sloeg om in brandende liefde. Het hebreeuws heeft hier de meervoudsvorm erbarmingen. Dat is onvertaalbaar maar maakt wel duidelijk: Gods erbarming lichtte niet maar even op als een opwelling in een zwak moment. Zijn erbarming bruiste als een gloeiende lavastroom in Hem op.

Gods heiligheid
Niet omdat de HERE verzachtende .omstandigheden zag. Hosea zegt: Omdat Hij God is en geen mens, heilig in ons midden. Niet: hoewel maar omdat Hij God is. Niet hoewel maar omdat Hij heilig is.
Wellicht denken wij bij Gods heilig heid aan zijn verschijnen op de Sinaï, ongenaakbaar in een laaiend vuur.
Wie de berg aanraakte zou zeker sterven.
Of aan Jesaja toen hij tot profeet geroepen werd. Hij zag de Here op diens troon, omgeven dooi serafs die "Heilig, heilig; heilig" riepen. En Jesaja vreesde zijn ondergang. Hosea mocht ervaren dat de eigenlijke inhoud van Gods heiligheid zijn liefde is, zijn trouw aan het eerste woord van zijn verbond. Inderdaad, God is geen mens dat Hij liegen zou.
Ongenaakbaar in zijn liefde. In zijn erbarmen de gans Andere.
Toen Israël faalde, riep Hij opnieuw zijn Zoon uit Egypte en deze Ene droeg Gods toom. In Hem sprak Hij zijn woord van liefde tot een hele wereld.
Dat woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin.

Heilig, heilig, heilig!
Heer, God almachtig
hemel, zee en aarde verhoogt
uw heerlijkheid. .
Heilig, heilig, heilig!
Liefdevol en machtig,
één en al vuur en liefde
en majesteit. (Gez. 457)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief