Samenwerking tussen de diverse amtsdragers in de kerk
1988-09-16
Meneer de voorzitter, zusters en broeders De vraag welke mij ter inleiding in uw midden is voorgelegd, is ongetwijfeld ingegeven door het feit dat diakenen, ouderlingen en voorganger in onze gemeenten nogal eens náást elkaar werken, misschien zelfs langs elkaar heen. .- Jaargang 32
- nummer 34
Daarom is het wellicht toch goed, als eerste opmerking te stellen dat onze ambtsdragers alle behoren tot de gezamenlijke oudsten, volgens het NT.
Ik bedoel dit. Inonze kring zijn we veelal gewend, de ouderling of oudste gelijk te stellen met de opziener. Onder deze categorie brengen wij doorgaans alleen voorganger en opzieners onder. Ons oude bevestigingsformulier doet het zo.
De presbyters der gemeente zijn haar oudsten, wat wij noemen: ouderlingen en voorgangers; de diakenen horen daar feitelijk niet bij.
Mijn eerste stelling is nu, dat m.i. het NT zo niet spreekt. Ik wil Udat graag aantonen. In Hand. 14 : 23 staat dat de reizende apostelen in elke gemeente oudsten aanwezen. Paulus' medewerkers Timotheus en Titus kregen van hem opdracht om de gemeenten goed te organiseren. Dat bestond o.m. in het aanstellen van- oudsten, Titus 1: 5.
Merkwaardig is nu, dat waar er zoveel overeenkomst is tussen wat Paulus in 1 Tim. en Titus hierover schrijft, Paulus in zijn uitdrukkelijke instructie aan Titus spreekt van: oudsten, vss 5-6, onder wie hij kennelijk de opzieners, vss 7-9, aan nog nadere e.isen en gaven laat voldoen.
De diaken wordt hier niet apart vermeld.
Bekijken we nu het plaatje van 1 Tim., dan is ook daar wel sprake van een college van oudsten, presbyterium, 1 Tim. 4 : 14, terwijl die oudsten in 5 : 17 opnieuw verschijnen: de oudsten die op een goede manier vooraanstaan, komt dubbel eerbewijs toe.
Differentiëren doet Paulus de ambten echter éérder in deze brief, als hij spreekt van vereisten en gaven voor de opziener, 3: lvv, en van de diaken: 3 : 8vv. Onbevangen vergelijking tussen de gegevens in Titus 1 en I Tim. 3 leert ons m.i. dat 'de oudsten' door Paulus gezien worden als 'de gezamenlijke ambtsdragers'. De enige keer dat het wóórd 'presbyterium' gebruikt wordt in het NT, is dat in 1 Tim. 4: 14, - er is dus wel degelijk sprake van een 'college". Onder die ambtsdragers geeft Paulus dan naar gaven en taken onderscheiden, de ambten aan van diakenen, opzieners en oudsten-met-een-taak-in-prediking-en-onderwijs, Naar mijn mening blijkt de algemene betekenis van het woord 'oudste' ook in de rest van het NT. Petrus spreekt in 1 Petr. 5: 1 'de oudsten' aan als medeoudste.
Het zou krampachtig zijn de daar gestelde vermaning alléén voor opzieners/voorgangers geldig te doen zijn. Ik meen ook dat als Paulus de oudsten van Efeze bij zich roept op het strand van Milete, Hand. 20: 17vv, we aan 'de gezamenlijke ambtsdragers' moeten denken, dus inclusief diakenen.
Er zit in Paulus' toespraak tot deze oudsten inderdaad vermaan om te waken tegen dwaalleer, vss 29vv. Maar er zit in deze toespraak evenzeer leer t.a.v. het omgaan met geld en goed, vss 33vv ...
Men kan zeggen: ja, maar Paulus spreekt hier toch maar van de kudde waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft. Toch vraag ik me af of we dat woord zo moetenpressen dat er alleen de ambtsdrager die wij als 'opziener' kennen, bedoeld wordt. Houdt ook het diaken-ambt niet het 'opzichthebben', 'letten op', leiding geven aan de dienst-in-een-bepaald-opzicht in de gemeente in?
Men denke er ook aan, dat de discipelen uit Antiochië volgens Hand. 11 : 30ondersteuning aan de brs. die in Judea wonen, zenden. En wel: aan de oudsten!
Hoewel het daar toch wel bij uitstek om een diakonaal werk zal zijn gegaan!
Dit onderdeel samenvattend, wil ik er op grond van NT -gegevens voor pleiten 'de oudsten', resp. 'het college van oudsten' te zien als 'de gezamenlijke ambtsdragers' zonder onderscheid.
Van welk 'college' dan m.i. deel hebben uitgemaakt: de 'opzieners', de diakenen en de voorgangers. Samen worden zij eveneens 'de vooraanstaanden' Rom.12 : 8 genoemd. Ik pleit er niet voor onze ingeburgerde termen 'ouderlingen', diakenen en voorgangers te wijzigen.
Als we maar wèl bedenken dat het begrip 'oudste' breder is dan wat wij ouderlingen noemen.
Ik wil nog opmerken dat dit begrip 'oudsten' zo ook aansluit bij de oudsten van het OT. Toegegeven, omdat Israël ook een natie was, had de taak van die oudsten ook een 'politieke' dimensie, die we bij de oudsten van de gemeenten in het NT niet vinden. Maar ook zij dienden in allerlei opzichten de kudde van God te weiden!
Dat 'weiden van de kudde van God' betekent nu, dat de ambtsdragers met elkaar voor het heil van de gemeente moeten zorgen. We zijn wel-zijnswerkers.
En dat niet in de moderne zin, maar in de zin die het woord werkelijk aangeeft: .we hebben samen te zorgen dat het goed gaat met de gemeente van de Here, met zijn kinderen in haar.
Misschien mag ik daar een tweede opmerking aan vast knopen. Welzijnswerk wordt vaak beoordeeld nààr de maatstaf of degene, .aan wie dit werk besteed wordt, zich er wel bij vóelt!
Niemand zal mij horen zeggen dat dit niet belangrijk is, maar het is de nórm niet! We moeten dienst doen in wat goed is voor degene die wij dienen. Dat is zoals iedereen weet, niet altijd hetzèlfde als dat waar iemand zich goed bij voelt! Ik stel dit met nadruk, omdat we in onze verzorginsmaatschappij beleven, dat er een mentaliteit groeit bij de mensen om recht te hebben op allerlei verzorging van de instanties. Ik ben van mening dat dat 'recht hebben op' er vaak toe leidt, dat hulpverleningsinstanties en -personen onnodig in het geweer worden geroepen en dat aan hen onmogelijke en onheuse eisen worden gesteld.
Onwillekeurig kan zoiets ook de kop op steken als iemand in de geméénte een beroep doet op hulpverlening. Geen mens beweert natuurlijk dat de gemeenteleden geen rècht hebben op die hulp!
Dat hebben ze zéker, en het is nog een door de Hére verleend recht ook! Toch moeten we ervoor waken dat in de gemeenten situaties ontstaan, waarin de gemeente een 'verzorgingskerk 'kan worden genoemd. Situaties dus waarin de gemeenteleden - zonder dat misschien zo te bedoelen - zonder grens of maat een beroep doen op de dienst van hun ambtsdragers, en dat vanuit de gedachte: ik heb er toch rècht op! Het gevaar bestaat in deze tijd dat mensen, ook in de kerk, te snel en te vaak en te makkelijk de dienst van hulpverleners inroepen.
Zonder dat ze hebben nagegaan wat met eigen krachten, eventueel met hulp van familie of bekenden, kan worden gedaan.
Het verzorgen van de gemeente betekent ook dat de ambtsdragers omzien naar mensen die verzorgen kunnen.
M.i. is dat in het overleg tussen ouderlingen en diakenen en predikant één van de belangrijkste punten van overleg: het inventariseren van gaven en krachten die in de gemeente aan onderscheiden brs. en zrs. gegeven zijn. De 'voorstander' is niet altijd zèlf degene die de hulp direct biedt. Hij kan ook degene zijn die de hulpverlening organiseert en leidt en coördineert, die door anderen geboden wordt.
Dr Moggré heeft er in zijn inleiding van vorigjaar op gewezen dat het zo goed is als althans één van de brs. diakenen goede relaties onderhoudt met hulpverleningsinstanties in de eerste lijn. Die moet hij kennen en ze moeten hem daar kennen. Ik zou ook voor een expert willen pleiten m.b.t. instanties die gaan over onderwijs en opleiding en scholing, over arbeid en arbeidsbemiddeling en over fiscale en uitkeringszaken. Het lijkt mij voor de hand liggend dat diakenen deze experts zijn. In ieder geval is het wel erg goed als hun ouderlingen en predikant van zo'n taakstelling op de hoogte zijn, daarvan regelmatig ook eens iets horen. Ook dat is een zaak die in het overleg van de gezamenlijke ambtsdragers een plaats moet hebben, mij dunkt in de rapportage.
Iemand vroeg mij hoe ik denk over gezamenlijk huisbezoek van ouderling en diaken. M.L zijn daar voors en tegens voor aan te voeren. Het is natuurlijk juist: ook een diaken moet zijn wijk en de mensen van zijn wijk kènnen. En het staat ook wel vast dat onder ons diaken en ouderling wel gezamenlijk mensen met een bepaalde nood bezoeken. Daar lijkt me ook geen bezwaar tegen, waarom?
Ik denk dat we het optreden van de verschillende ambtsdragers met ook nog hun persoonlijk verschillende gaven toch vooral flexibel moeten houden!
Maar verplicht gezamenlijk huisbezoek?
Ik weet niet of dat niet iets gewrongens krijgt, zowel voor de bezoekers als voor de bezochten. M.i. is het veel profeitelijker als de ouderlingeen) bezoek brengen aan een alleenstaande of een familie, en daarnáást de diaken hen bezoekt zodat hij hèn Kent en omgekeeru. Beide bezoeken kunnen aanleiding geven de àndere ambtsdrager 'in te seinen' - altijd met medeweten van betrokkenetn). M.i. heeft dat het voordeel dat verschillende ambtsdragers op verschillende momenten contact hebben met dezelfde persoon of familie.
En dat ze daarna in goed overleg hun bevindingen in het c.ontact met de bez.ochte(n) naast elkaar kunnen leggen.
- Men dient er, zowel als ouderling als diaken als voorganger overigens op bedacht te zijn, dat zaken waarvan men vertrouwelijk kennis draagt alleen met instemming van betr.okkene(n) aan de mede-ambtsdrager kunnen worden meegedeeld' Persoonlijk heb ik er meermalen voordeel van gehad dat een ouderling of diaken bij een alleenstaande of familie op een ander tijdstip een bezoek had gebracht dan ikzelf. Dat leverde dan een verschillende indruk .op, als gevolg van de verschillende 'invalshoek'.
Het lijkt mij dus dat ouderling, diaken en predikant die elkaar bij de hulp aan een broeder of zuster resp. familie 'de bal toespelen' een goede dienst bewijzen, zowel aan degenen die zij dienen als aan hun mede-ambtsdrager.
Het spreekt wel vanzelf, dat zulk samenwerken in de dienst niet lukt, als ouderling of diaken (of ook predikant) bij zijn mensen een 'verre onbekende' is.
In verband hiermee nog iets anders. Er is in deze kring al eerder op gewezen, dat het van groot belang is, preventiefte handelen in onze dienst. Voorkomen is beter dan genezen. De praktijk leert echter dat veel mensen de hulpverleners, ook die van de gemeente van Christus, pas erg láát te hulp roepen bij echt ernstige problemen. Daarom verdient het aanbeveling dat ouderlingen, diakenen en predikanten goed samenwerken voor wat ik zou willen noemen: de signalering van dreigende problemen.
Ik bedoel daarmee: het op tijd zien aankomen van een probleem, ook al heeft de broeder of zuster-in-kwestie misschien nog helemaal geen hulp gevraagd.
Men kan de stelling verdedigen: biedt geen hulp aan wie daar niet om vraagt, aangeboden diensten worden zelden gewaardeerd.
In het algemeen vind ik dat ook.
Echter in de delicate zaken waarin de kerkelijke ambtsdragers als vertrouwensmensen moet kunnen dienen, kunnen we mogelijk met onze brs. en zrs. een verbondenheid opbouwen waarbij het ons mogelijk is, een dreigend probleem waarover de betrokkene nog niet gesproken heeft, vragenderwijs bij hem aan te kaarten. Dat geeft het voordeel dat we een oplossing kunnen zoeken voordat het probleem 'uit de hand gelopen' is.
Maar daarvoor is een nauwe band met onze mensen nodig, en dat gaat bepaald verder dan een bezoekje per jaar! Het kan toch anders?! (wordt vervolgd)