De zonde van het teruggrijpen (2)

1987-08-21
  • Jaargang 31
  • nummer 31
"In zijn dagen herbouwde de Betheliet Chiël Jericho. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene,grondvestte hij het; ten koste van Segub, zijn jongste plaatste hij poortdeuren - naar het woord des HEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun." Deze tekst, bekend uit de kern wapendiskussie, wordt wel aangevoerd in het pleidooi voor de strategie van de open grenzen. Moest Jericho, de sleutelstad, de toegangspoort tot Kanaän. na haar verwoesting niet blijven open liggen? Chiël, die het land weer dichtspijkert en zich veilig voelt achter die slagboom in plaats van achter de omtuining van Gods beschermende belofte, haalt de vloek over zich en verspeelt Zijn nageslacht, zijn toekomst. Zegt dat niet, dat de vrede in onze wereld er komt in de weg van Godsvertrouwen, van de open hand, niet van de gebalde vuist? Bij nadere overweging laat deze tekst zich echter minder makkelijk in bedoelde diskussie hanteren.

Gij geheel anders
Als in het boek Jozua de intocht in het beloofde land wordt verhaald, blijkt Jericho de stad te zijn waar alles zich rond concentreert. Kanaän, het land, verdicht zich tot die ene stad. Op Jericho richt zich met het oog dat het land verspieden moet (Joz. 2:1). Bij Jericho hoopt Kanaän zich op: Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten bevolken de stad en maken zich daar breed tegen Israël (24: 11).
Kanaän concentreert zich in de zeven volken, de zeven volken concentreren zich in Jericho. De stad is niet zomaar een hindernis: in een dubbele representatie is Jericho samenballing van alles wat kanaänitisch heet. De tegenstand die zij biedt is de tegenstand van het kanaänitisme, de doe-het-zelf-religie met het levensideaal dat haaks. staat op wat God met leven bedoelt: niet een sloven en slaven om eigen bestaanszekerheid te garanderen, maar een leven dat bevrijd is uit de slavernij. De vijandschap van Jericho is religieus bepaald; het punt in geding is of men zichzelf verlost of wordt verlost.
Dat de HERE verlost blijkt bij uitstek bij Jericho. De tegenstand mag dan kompleet zijn, gekenmerkt door het getal van de volheid (zeven volken), de bevrijding die God bewerkt niet minder: zeven priesters met zeven ramshorens trekken met de ark en het volk zeven keer rond de stad, de zevende dag zeven keer, en op de zevende dag (een sabbat? - de rustdag waarop alles tot zijn doel komt) komt de HERE tot zijn doel met zijn verlossing.
De buit valt niet het volk maar Hèm toe; Jericho moet met de ban geslagen worden. Mozes had dat al zo bepaald: de stad waarin de gruwel van de afgoderij bedreven wordt moet met de ban getroffen worden.
"Gij zult de stad met de gehele buit met vuur verbranden als een volledig brandoffer voor de HERE uw God, zij zal althoos een puinhoop blijven en niet herbouwd worden" (Deut. 13: 12-18). Zo blijve Jericho liggen zonder muur en zonder poort, als een monument van Gods verlossing, maar vooral als een zichtbare waarschuwing: pas op voor het kanaänitisme, want wie niet op de HERE maar op zichzelf vertrouwt zal evenzo vergaan. Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen. Ik ben de HERE uw God.


Wie teruggrijpt achter de belofte...
De zonde van Chiël, die Jericho herbouwt, ligt niet op het militaire vlak, maar op het fundamentele vlak van de keuze van het hart voor of tegen God.
De herbouw van Jericho kenmerkt Chiël als goddeloze, als de dwaas die zegt: er is geen God. "De goddeloze... heeft zich in verwoeste steden gevestigd, in huizen waarin men niet mocht wonen, die bestemd waren puinhopen te blijven... Hij heeft zijn hand uitgestrekt tegen Gód en de AImáchtige getrotseerd ... maar hij ontkomt niet aan de duisternis, voor zijn tijd zal het met hem gedaan zijn en· zijn palmtak zal niet groenen" (Job 15:20 vv), ook al woont hij in de Palmstad. In Achabs dagen herbouwt Chiël de stad. Dat wil zeggen, in de dagen van de koning die meer dan alle koningen voor hem de HERE krenkt; die tegen de opkomende dreiging van Damaskus niet van Jahweh (Hij die is) bescherming verwacht maar van een alliantie met Etbaäl koning van Sidon (Baäl is met hem is zijn naam); die zich voor de Baäls en Astartes van Izebel neerbuigt en hen van tempel, altaar en cultusbeeld voorziet. In die dagen, als het leven weer als twee druppels water lijkt op alles waar de zeven volken van Kanaän voor stonden, laat Achab zijn architekt Chiël daar de kroon op zetten, het symbool van het kanaänitisme: Jericho. Waarmee Chiël teruggrijpt achterde belofte "Ik ben de HERE uw God" naar de tijd dat men in Kanaän leefde met zelfgemaakte goden. In een radikale breuk met het verleden, God en diens vloek negerend. Maar God negeert het verleden niet. Achab en Chiël kunnen het af zonder de Levende?
Dan zullen zij het zonder de Levende.
Hij hult zich in een stilzwijgen dat een en al waarschuwing is. Jericho, het monument van God, wordt grafmonument: de man die op de vruchtbaarheidsgoden vertrouwde wordt onvruchtbaar, verliest zijn kinderen, verspeelt zijn toekomst. En Baäl die regen geeft... direkt na de geschiedenis van Chiël. vervolgt de schrijver: "Toen zei de Tisbiet Elia (Mijn God is Jahweh is zijn naam): zo waar de HERE de God van Israël leeft, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn".
Laat Baäl dan voor regen zorgen - en het leven verdort.

... diens palmtak zal niet groenen
Deze geschiedenis vraagt om betrokkenheid.
Ook christenen van onze eeuw heeft God bevrijd van verslavende afgoderij, van de baälsgeest, nieuw leven ingeblazen door zijn Geest. Maar soms lijkt het leven weer als twee druppels water op datgene waarvan de Here bevrijdde. Werkt daar de zonde van het teruggrijpen, achter de bevrijding, terug naar het heidendom? Dat teruggrijpen dat een omhoog grijpen, een vergrijp jegens God is, kan een samenleving komen te staan op de geestelijke dood van haar jonge generatie, wier palmtak voor de zomer van haar leven verdort.
De bijbel roept in dat verband op tot bekering. Opdat het zwijgen van God moge verkeren in het zwijgen van zijn liefde (Zefanja 3: 17).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief