Calvijn in Afrika?! (5)

1987-08-21
  • Jaargang 31
  • nummer 31
Alleen de almachtige God geeft wijsheid,
want zijn geest werkt op de mensen in.
Oude mensen zijn niet per se wijzer,
hun leeftijd is geen waarborg voor een juist oordeel.

Job 32:8,9 Groot Nieuws Bijbel

De geest en de menselijkegeschiedenis
Zo goed als de natuur om ons heen slechts voortbestaat doordat God zijn Geest steeds scheppend uitzendt, zo heeft Hij ook bemoeienis met de menselijke geschiedenis, nog helemaal afgezien van het feit of mensen Christus Jezus toebehoren of niet. Voor Calvijn staat het vast dat ook goddelozen verkeren in de invloedssfeer van de Heilige Geest. Dat lijkt in regelrechte tegenspraak te zijn met 1 Cor. 12:3, waar Paulus - sprekend over datgene waaraan je de Geest kunt herkennen - een nauw verband legt tussen het geloof in de Here Jezus en het beïnvloed worden door de Geest: niemand, die door de Geest geleid wordt, kan Jezus nog vervloeken. Trouwens, ziet heel het Nieuwe Testament de gave vim de Geest niet uitsluitend gereserveerd voor de gelovigen?
Hoe kan een zo bijbels theoloog als Calvijn dan toch op heel wat plaatsen in zijn werk spreken van de Geestesgaven waarmee God nietchristenen toerust? Zie bijv. zijn kommentaar op Johannes 13:18.

Het antwoord op deze vraag ligt in het scherpe onderscheid dat Calvijn maakt tussen het scheppings- en het verlossingswerk van de drieënige God. Zie Institutie 11, 2, 15-16. Hij wil niets afdoen aan het feit dat de werkzaamheid van de Geest, waardoor mensen het eeuwige leven ingaan, volgens het NT uitsluitend betrekking heeft op de kring van Christus' gemeente. Maar, aldus Calvijn, de Geest doet méér dan deel geven aan de verlossing. Hij waakt ook over de onverloste wereld en zorgt ervoor dat die kan voortbestaan, zolang de verlossing nog niet voltooid is. In zijn specifiek verlossende aktiviteit raakt Gods Geest alleen hen aan die aan Christus Jezus toebehoren (de binnenste cirkel), maar in zijn gerichtheid op de schepping houdt Hij de natuur in stand (de buitenste cirkel) en zorgt Hij voor de konsolidatie van de menselijke samenleving (de middelste cirkel). Voor wat betreft dat laatste wijst Calvijn op de beschermende werking die uitgaat van wetenschap, kultuur en overheid; hij ziet daarin gaven van de Geest.

Wetenschap, politiek en kultuur
De in de kop van dit artikel aangehaalde tekst uit het boek Job is een opvallende bevestiging van Calvijns opvatting, dat bijbels gezien Gods, Geest verantwoordelijk is voor bepaalde kwaliteiten in het menselijk leven, die weliswaar geen verlossingskracht hebben, maar, wel voorwaarde zijn voor het in stand blijven van de samenleving. Wijsheid en onderscheidingsvermogen, pijlers onder de beschaving, gelden hier niet als de vrucht van levenservaring, maar als een gave van de Geest die Hij geeft aan wie Hij wil. Niet alleen de specifiek christelijke, maar ook de algemene wijsheid komt bij God vandaan. Vgl. Jesaja 28:23-29.
Ook bestuurlijke kwaliteiten zijn naar het inzicht van Calvijn aan de Heilige Geest toe te schrijven. Hij wijst op het optreden van de richters, die aan de vervulling met de Geest de bekwaamheid ontleenden om in de ernstig bedreigde samenleving van Israël orde op zaken te stellen. Koning Saul is voor hem een duidelijk voorbeeld van mensen, die niet delen in de specifiek verlossende werking van de Geest, maar wel door Hem worden toegerust om overheidsfunkties te bekleden, zodat de menselijke samenleving voor totale chaos wordt behoed. Tenslotte zijn volgens Calvijn ook artistieke bekwaamheden, zoals de beeldhouw- en de schilderkunst, gaven van God, Institutie I, 2, 12. Hij beroept zich op Exodus 31:3-11 en 35:30-35, waar bericht wordt dat twee kunstenaars door de Geest begiftigd worden met wijsheid, inzicht en kennis, om zo met de vereiste kreativiteit en vakmanschap de tabernakel te kunnen vervaardigen.
Op grond van deze tekst waarschuwt hij ervoor, de rijke kulturele traditie van o.a. de klassieke oudheid, hoe vervreemd die van God ook was, niet te veronachtzamen en te versmaden, Institutie 11,2, 16: wij zouden daarmee de Geest van God minachten en smaden! Institutie 11, 2; 15.

De Dopers
Die waarschuwing moet gezien worden tegen de achtergrond van de doperse levensbeschouwing, die in de tijd van Calvijn als een machtige variant op de Reformatie velen bekoorde. Volgens de Dopers is de wereld waarin wij leven door de zonde zo volkomen ontvallen aan God, dat Hij er radikaal aan voorbij gaat in de schepping van een nieuwe wereld. Gods verlossingswerk heeft in wezen geen raakpunt met de in zonde gevallen schepping. Vandaar de neiging van de Dopers om grondig met deze wereld af te rekenen; Soms deden zij dat door met woest geweld de bestaande strukturen en normen te vernietigen om in de plaats daarvan het Koninkrijk Gods met zijn volkomen nieuwe strukturen en normen te vestigen. Daarvan is de chaos vol uitspattingen die Jan van Leiden in 1535 in Münster aanrichtte
een beroemd voorbeeld. Soms deden zij dat door zich uit de wereld terug te trekken in het isolement van een stil geestelijk leven. Aan deze stroming is de naam van Menno Simons verbonden (1496-1561), van wie de (in grote afstand tot de haar omringende maatschappij levende) Amish-gemeenschap in Amerika - de EO zond op 6 augustus een documentaire over deze groep uit - een extreme erfgenaam is. In beide gevallen is er sprake van geringschatting van het wetenschappelijke, kulturele en politieke leven: dat behoort tot de oude wereld waarvan God zijn handen heeft afgetrokken. Voor de Dopersis het ware leven in de Geest akultureel, a-wetenschappelijk en apolitiek.
Het strekte voor de doperse evangelieprediker tot aanbeveling als hij niet had gestudeerd! Het is stellig niet alleen Calvijns eigen begaafdheid als man van de wetenschap geweest, die hem hierop schimpend deed reageren: "Men is niet alreeds een geestelijk man wanneer men geen verstand van wetenschap heeft".
(Kommentaar op Psalm 71: 15) Hij heeft in deze Doperse visie echt een aantasting gezien van de bijbelse boodschap, volgens welke de verlossing niet langs de in zonde gevallen schepping heengaat, als zou God het werk zijner handen laten varen en, volstrekt opnieuw beginnen. Juist omdat Calvijn heèft vastgehouden aan Gods blijvende bemoeienis met zijn schepping kon hij de bestaande wereld, inklusief de klassiek/humanistische beschaving; positiever waarderen dan de Dopers, namelijk als een ordening van de samenleving waarin God ons genadig behoedt voor chaos en ondergang. Dat is heel wat anders dan dat hij er verlóssing van verwachtte. Tegenover het Rooms-Katholicisme, dat uitging van een vloeiende overgang van deze bestaande wereld naar de nieuwe, benadrukte hij dat onze natuurlijke vermogens, hoezeer ook door de Geest geschonken, in geen enkel opzicht kunnen dienen als voorbereiding op het Koninkrijk van God. Het is zo samen te vatten: in de beschaving van zijn dagen zag hij een genadige werking van de Geest, die het leven voor totale ontaarding behoedde en zo ruim baan maakte voor het verlossingswerk van de Here Jezus.

Aktualiteit
Deze kontroverse tussen Calvijn en de Dopers is niet alleen van historisch belang.
Nog altijd oefent de gedachte dat God de oude, bestaande wereld geheel passeert als Hij een nieuwe schepping tot stand brengt, aantrekkingskracht uit, zodat zij in kerk en theologie is terug te vinden. Net als in de 16e eeuw kan dat zowel een revolutionaire breuk met het bestaande opleveren als een zich terugtrekken uit de wereld.
Van het eerste is de sympathie die in sommige kerkelijke kringen in Nederland bestaat voor totaalweigeraars, een goed voorbeeld. Mensen, die vanuit gewetensbezwaren niet alleen weigeren , om in militaire dienst te gaan, maar ook om de vervangende dienstplicht te vervullen doen dat om de bestaande struktuur zo radikaal als maar mogelijk is onder kritiek te stellen. Zij wensen op geen enkele manier van het door hen verfoeide systeem deel uit te maken en hopen een bijdrage te leveren aan opheffing ervan. Dat dit als revolutionair bedoelde optreden in diverse kerkgemeenschappen bijval vindt, wijst op dopers denken.
De studenten in Bangui hadden geen enkele affiniteit met een dergelijke opstelling; de kombinatie van christendom en revolutionaire omwoeling van de maatschappij was hun volkomen vreemd. Maar met een zekere wereldmijding, die tweede manier van dopers christen-zijn, waren zij des te meer vertrouwd. Het is niet toevallig dat een aantal van hen afkomstig was uit mennonietische kerkgemeenschappen! Verschillenden verklaarden dat in hun kerkelijk leven de gedachte wijdverbreid was, dat wetenschap, kunst, kultuur en overheidsgezag niets met God van doen hebben maar onder het beslag van de duivel liggen. Daardoor waren zij eraan gewend in de marge van de maatschappij te leven: wat had een christen in de politiek te zoeken? Sommigen ondervonden zelfs vanwege hun theologische studie tegenwerking van de kant van bepaalde kerkelijke autoriteiten: wat moet al die geleerdheid in de gemeente? De Geest moet het doen!!
Het zal duidelijk zijn dat de theologie van Calvijn hen ook in dit opzicht als uitermate ter zake doend voorkwam.
Daarover volgende week nog iets.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief