Terloops

1987-08-21
  • Jaargang 31
  • nummer 31

Allen tegen één

De geschiedenis van Sodom en Gomorra is wel bekend er komen twee engelen bij Lot en deze vraagt hen bij hem te overnachten. Lot maakt er een feestje van en dan komen opeens de jongens en mannen van de plaats bij hem aan de deur en vragen Lot de twee vreemden aan hen uit te leveren. Het gaat me nu niet over de bedoeling van hun verzoek. Die is wel duidelijk.
Opvallend is het echter dat de bijbel vertelt dat alle mannelijke inwoners van Sodom aan de deur staan en het blijkbaar helemaal met elkaar eens zijn. Eensgezind spannen ze samen, als het gaat om de gasten van Lot in hun macht te krijgen. Onderling zullen ze best eens ruzie hebben gehad, maar op dit moment zijn alle verschillen vergeten.
In geheel andere situaties uit de bijbel zien we vaak hetzelfde gebeuren. Ik denk aan Mattheüs 22:15 e.v. De farizeeën willen Jezus er in laten lopen. Ze gaan er echter niet zelf op af, maar zoeken contact met de Herodianen. Dat doen ze echter via hun leerlingen. De Herodianen waren bevriend met de romeinse overheid en alleen daarom al moesten de farizeeën van die Herodianen niets hebben. Nu het er echter om gaat Jezus in een val te lokken, vergeten ze hun gevoelens. Het doel heiligt de middelen.
En zo komt men dan bij Jezus met de vraag, of het geoorloofd is de keizer belasting te betalen. Ze denken, dat Jezus met deze vraag geen kant op kan, Als hij 'ja' zegt, dan kan Hij bij het volk geen goed meer doen. Zegt hij echter 'neen', dan staan de Herodianen er bij om het aan de romeinen door te geven. Zo zoeken de farizeeën naar eendracht en ze denken Jezus in hun macht te hebben.
Jezus is echter niet in de war. Hij vraagt om een munt, waarmee belasting moet worden betaald. Een romeinse munt dus, waarvan de farizeeën openlijk leerden, dat die niet geldig was. Jezus vraagt de leerlingen echter Hem zo'n munt te tonen. Ze moeten dat wel doen, want de Herodianen staan er bij. En zo komt de kunstmatige eendracht hen duur te staan. Ze halen een romeinse munt tevoorschijn en de volgende vraag van Jezus maakt het hen nog moeilijker. Wiens afbeelding staat er op de munt? Natuurlijk die van de keizer.
Dat is een pijnlijk moment voor de leerlingen van de farizeeën. Ze hebben een kuil gegraven voor Jezus, maar vallen er zelf in. Ze moeten wel antwoorden, dat op de munt de beeltenis van de keizer staat. De reactie van Jezus is duidelijk. Geef die munt dan terug aan de keizer, in jullie zak hoort die niet thuis. Maar onverwacht gaat Jezus verder: geef God eveneens wat van Hem is. In deze paar woorden laat Jezus aan de leerlingen van de farizeeën zien, dat ze bezig zijn God te bestelen. Ze zijn bezig de mens, die God naar Zijn beeld maakte, naar zichzelf toe te trekken en van God af te trekken.
Zelfs zijn ze op weg de Mensenzoon, hét ware beeld van God, voor zich op te eisen en Hem weg te werken.
Eendrachtig spannen ze samen: farizeeën, wetgeleerden, herodianen en romeinen om zich van Jezus te ontdoen. Als het er om gaat Hem te vangen, vallen allerlei verschillen voor hen weg.
Geef aan God wat van Hem is!
Ze luisteren niet. Jezus gaat straks dé weg op van de volledige ontmenselijking. Hij wordt aan handen en voeten gebonden om gekruisigd te worden.
God raakt Zijn Zoon kwijt en de Zoon raakt Zijn Vader kwijt.
Maar - en dat hebben de farizeeën niet dóórzien - langs die weg kan de mens weer op Zijn God gaan lijken.
Want de ontmenselijkte Heer staat op, en leeft verder.
En zó wordt het: één voor allen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief