Een pleidooi voor de rechtsstaat (3)

1988-09-30
  • Jaargang 32
  • nummer 36
Luther's opvatting leidt tot aanvaarding van elke Overheid, zelfs de meest misdadige.
Calvijn onderscheidt zich van Luther onder meer hierin, dat hij het zogenaamde recht van opstand erkende in tegenstelling tot laatstgenoemde. Volgens Calvijn is een vorst, die de rechten van zijn onderdanen schendt, die zich systematisch niet meer aan zijn eigen wetten houdt, afzetbaar. Calvijn verbond aan dit recht een aantal voorwaarden, onder andere dat het volk alleen tegen de vorst mocht opstaan, indien de adel met de opstand meedeed. Er moet een behoorlijke kans van slagen van de opstand volgens Calvijn zijn, anders is het middel (de opstand) erger dan de kwaal (een onrechtvaardige, afzetwaardige Overheid).
Groen van Prinsterer had principiële bezwaren tegen de geest (van ongeloof) van de Franse Revolutie, maar hij vond de Revolutie op zich geheel begrijpelijk en zelfs noodzakelijk, omdat deze vele mistoestanden destijds in Frankrijk opruimde.

Luther is na 1525 (de Boerenopstand in Duitsland) positiever, geestelijker en vromer over de staat gaan denken. Alleen in de rechtsorde van de staat is het volgens hem mogelijk, dat de burgers de naaste lief hebben. De staat is volgens hem een afschaduwing van de scheppingsorde; in het bestaan van de staat is er een doorbraak van het rijk boven de zon in de donkere regionen onder de zon. Luther prijst daarom de menselijke gemeenschap en samenleving.
"Wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat" is een bijbeltekst, die hij ook toepast op een bestaan zonder staat en maatschappij (zonder een goede rechtsorde). Luther is om deze benadrukking van staat en samenleving in zijn dagen (en ook nu nog wel) verweten een vorstenknecht te zijn en de onderdanigheid van het volk tegenover haar machtshebbers in de hand te hebben gewerkt. In de jaren 1939-1945 heeft Karl Barth zich meermalen kritisch over Luther's visie op staat en samenleving uitgelaten. Hij meent, dat er een samenhang bestaat tussen Luther's politieke denkbeelden en de verlichte despotie van Frederik de Grote, het staatsopportunisme van Bismarck en de nihilistische dictatuur van Hitler.
Volgens Aalders verschaft Luther's uitleg van het boek Prediker echter geen bewijsmateriaal voor Barth's beschuldiging.
Luther ziet na de Boerenopstand de overheid niet meer als een wereldse noodzakelijkheid om de bozenin toom te houden, maar als een goddelijke roeping, die haar vulling ontvangt in de wet Gods. De kerk heeft volgens Luther haar roeping in het eerste en grote gebod. De staat en de overheid hebben hun roeping in het tweede en uit het eerste afgeleide gebod. Het is ongeoorloofd en onmogelijk het eerste en tweede gebod van elkaar te scheiden; zo is het volgens Luther ook ongeoorloofd en onmogelijk kerk en staat van elkaar te scheiden. De staat veronderstelt volgens hem de kerk en ligt in haar verlengde.
De macht van de staat is er volgens hem op gericht om de rechtsorde af te bakenen, waarbinnen de tweede tafel van de wet zich verwerkelijken kan.
Van een roeping van de kerk zich over politieke vragen en kwesties uit te spreken is bij Luther geen sprake. Luther is wel van mening, dat het Evangelie politieke en maatschappelijke consequenties heeft, maar dan in het kader van de taak en verantwoordelijkheid van staat en overheid om ruimte te scheppen in het openbare leven voor de tweede tafel van de wet (der tien geboden).
Hier ligt een duidelijk verschil tussen de visie van Luther en de theocratische visie binnen het Calvinisme, zoals die zich met name in Nederland heeft ontwikkeld.
Inde 16e en 17e eeuw hebben predikanten van deze richting in ons land aan de goede verstandhouding schade berokkend door van de overheid te eisen, dat Clavijn's levensstijl iedereen moest worden opgelegd, door staten, regenten en burgemeesters vanaf de kansel de les te lezen, etc. De naam van de Mozes- en Aäronstraat in Amsterdam herinnert nog aan deze strijd in de 16e en 17e eeuw tussen kerk en staat. De burgemeesters van Amsterdam verdedigden zich destijds tegen de inmenging van bedoelde predikanten in staatszaken met erop te wijzen, dat bij het volk Israël de leiding berustte bij Mozes (en niet bij Aäron). Toen de geestelijkheid (Aäron) echter het voor het zeggen had gebeurde in Israël wat op het reliëf te zien is In de schepenzaal van het paleis op de Dam: Aäron had de leiding genomen en het was onder diens leiding, dat het gouden kalf werd aanbeden door het volk Israël, hetgeen uitliep op plundering en doodslag. Met dat reliëf hebben de burgemeesters van Amsterdam treffend aangegeven hoe de verhouding tussen kerk en staat dient te zijn: het stadsbestuur hield de twee rijken (kerk en staat) uit elkaar. In wezen is daarmee veel gezegd over de verhouding kerk en staat, over de verhouding van de twee rijken van Luther, maar nog niet alles. Het zou voor de bevrijdingstheologen van vandaag erg leerzaam zijn genoemd reliëf in het stadhuis van Amsterdam eens aandachtig te bekijken; ze kunnen er volgens mij veel uit leren,
onder andere dit, dat schoenmakers bij de leest en theologen bij de kerk moeten blijven, zich moeten bepalen.
De Mozes-en Aäronstraat scheidt het vroegere Amsterdamse stadhuis (thans het paleis op de Dam) van de Nieuwe Kerk.
Nogmaals: bovenstaande betekent niet, dat het Evangelie (bij Luther) geen politieke en maatschappelijke consequen ties zou hebben; dat heeft het namelijk (in zijn opvatting) wel.
Het is natuurlijk-best mogelijk, dat Luther's opvatting over de staat en de samenleving de onderdanigheid van het Duitse volk tegenover machthebbers wel heeft bevorderd, waardoor een dictatuur als dat van Hitler in Duitsland kansen heeft gekregen. Luther had echter zo goed als geen goed woord over voor de daden van de vorsten in zijn tijd (deze onderdrukten de boeren en buitten ze verschrikkelijk uit); hij zou dat (uiteraard) ook niet gehad hebben voor die van Hitler. Hij veroordeelde de boerenopstand die met religieuze argumenten door Müntzer en Karlstadt werd verdedigd en aangemoedigd, omdat hij in een dergelijke opstand een vermenging van de twee rijken zag; hij zag daarin ook de (geestelijke en maatschappelijke) tirannie opkomen van de zogenaamd radicale christenen.
Naar mijn mening heeft Luther dit juist gezien. De kern van mijn bezwaren tegen aanhangers van linkse opvattingen, tegen (de opvattingen van) de bevrijdingstheologen is, dat ze geen maat weten te houden, dat ze geen oog hebben voor wat ik, in navolging van anderen de "normatieve structuur der feiten" pleeg te noemen.
Eenvoudiger gezegd: we leven in een boze wereld, die vol is van ongerechtigheid en die daar ook altijd vol van zal blijven. Volgens Luther betekent dit dat de staat de middenweg dient te bewandelen en nimmer in uitersten mag vervallen.
Men kan, naar mijn mening, de normen, die in de kerk gelden of die het meest gewenst zijn niet zo maar toepassen in de staat, omdat we daar met (voor een klein -deel dezelfde) mensen te maken hebben die op dat terrein onrechtvaardig, zelfzuchtig en egoïstisch handelen.
Die niet bereid zijn werkelijk naar God's wil te handelen', ook al beweren ze van wel en doen ze pogingen in die richting. Zelfs in de kerk handelen de mensen onrechtvaardig, zelfzuchtig en egoïstisch, maar in het maatschappelijke en politieke leven is dat nog veel meer het geval, ook daarom, omdat :;ve daar met grote aantallen ongelovigen te maken hebben. De harde werkelijkheid is nu eenmaal zo (al betreuren we die nog zo erg) en daarom dient de overheid volgens Luther het gulden midden te houden. Volgens hem is dat ook de betekenis van de tekst Prediker 7: 16 en 17: "Wees niet al te rechtvaardig ... en wees niet al te goddeloos".
Omdat de harde werkelijkheid is zoals die nu eenmaal is zullen we in het openbare leven moeten oppassen om de situatie te idealiseren of om allerlei zogenaamde bijbelse oplossingen te forceren.
Daarvoor moeten we natuurlijk ook in de kerk oppassen, maar om-de genoemde redenen meer nog in het maatschappelijke en politieke leven.
Om deze reden ben ik onder meer voorstander van de markteconomie, om dat, uitgaande van hetgeen van mensen op grond van de "normatieve structuur der feiten" (in casu onder meer het nastreven van de eigen belangen) verwacht kan worden, een dergelijke economie de optimale situatie veroorzaakt (wel niet de ideale).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief