Terugkomst
1987-08-28
Wie van land verandert vraagt zich vele malen af wat hij loslaat; en vervolgens vele malen wat hij er voor terugkrijgt.- Jaargang 31
- nummer 32
Zo deden wij ook. Nu hebben we over het afscheid al het nodige geschreven; vandaag nog iets over het terugkomen in Nederland, als het mag?
Eerst een heuse geschiedenis. Een aantal jaren voor ons vertrek emigreerde een vermogende dame naar Zwitserland, duidelijk om fiscale redenen.
Haar burgemeester sprak er tegen ons schande van, dat een Nederlander om financiële redenen zijn vaderland kon verlaten, om zich in den vreemde te nestelen.
Wij konden zowel de burgemeester als de welgestelde emigrante verstaan en probeerden wat meer begrip voor haar te kweken. Het was onbegonnen werk, het sloeg bij de burgervader niet aan. Toen rekende ik de goede man voor, wat deze dame globaal aan belasting bespaarde door een paar honderd kilometer te verkassen. Het bedrag wil ik vergeten zijn, maar laat dat eens vijf ton per jaar zijn: daar kunnen toch leuke dingen mee gedaan worden?
Het antwoord was om nooit te vergeten.
Hij zei: zou u uw Nederlanderschap willen verkopen voor een half miljoen gulden? Ik stelde de wedervraag: vindt u dat Nederlanderschap een boete van een half miljoen gulden per jaar werkelijk waard?
U begrijpt, van dat laatste had hij niet terug. De dame had waarschijnlijk het gelijk aan haar kant, want, sedertdien zijn talloze welgestelde Nederlanders haar gevolgd. Onlangs nog schreef een vriend uit Montreux: onze kerk is welgesteld, bestaat meest uit kapitaalvluchtelingen.
Deze dingen zijn publiek bekend; bij de nieuwe fiscale ontwikkeling, waarbij banken de vergoede kapitaalrenten moeten, aanmelden, is genoegzaam onder de aandacht van de regering gebracht: dat het kapitaal eenvoudig wegvlucht uit dit belastingklimaat.
We dwalen bewust af. Want het ging niet om belasting (die is in het Verenigd Koninkrijk ongeveer gelijk aan Nederland) maar om de waardering van het Nederlanderschap. Tot voor kort was de wet zo, dat wij na 10 buitenlandse jaren ons burgerschap automatisch zouden hebben verloren.
En zoals Leonard Huizinga in, den vreemde enig beheerst heimwee voelde naar de heide, de meren, de polders en de weiden van Nederland, zo onderhielden wij in de afgelopen jaren ijverig de banden met het vaderland, door enkele excursies per jaar. Dat ging altijd gecombineerd niet familiebezoek, enkele vergaderingen, wat winkelen en een museum. En... een kerkdienst in de eigen gemeente!
Onze thuisreis viel in juni, het mooiste jaargetijde hier en ginder. Onze hondjes Happy en Lucky maakten de reis uiteraard mee, want wensten niet achtergelaten te worden. Zo kwamen we in Europoort, werden van het kastje naar de muur gestuurd en terug, om de honden ingeklaard te krijgen, ontvingen eindelijk het nodige fiat; toen de werf al afgesloten was, klommen over een hek en reden Nederland binnen zonder politie of douane of iemand te hebben gezien. En dat met een Britse auto; twee honden, vier vuurwapenen en een bescheiden hoeveelheid drank aan boord.
Eerste winstpunt.
Het land toonde zich in al zijn pracht, bloeiend en schoon. De, mensen deden echt menselijk en tegen het versnelde autoverkeer konden we ook nog ruimschoots op. Zodat de aankomst in het oude vertrouwde hotel een soort thuiskomst betekende. Pas daarna kwam de baaierd van verhuiswagens, uitpakdrukte, nieuwe opstellingen (die weliswaar vooraf op schaal waren berekend maar toch nog genoeg hoofdpijn leverden) en de vele werklui, die ons op een plezierige wijze het leven moeilijk maakten.
Maar die nachtmerrie is voorbij. We zijn min of meer "gesetteld" (een anglicisme, als u het ons vraagt), kinderen en familie kwamen ons opzoeken, vrienden kwamen binnenlopen, er druppelden enige dozijnen bloemstukken binnen! Je huis wordt je 'home' door familie en vrienden. En het oude dorp kende ons nog; men sprak ons aan op straat en in winkels, toonde zich ingenomen met onze terugkeer naar het oude stekkie, en dat alles geeft toch wel de indruk dat we welkom waren. De hangende pootjes waren er niet bij. Er bood zich een tuinman aan, ook huishoudelijke hulp bleek beschikbaar.
En dan is er de kerk, waarvan we al die jaren trouwe leden zijn gebleven. Meer dan de helft nieuwe gezichten, de oude gezichten wel wat ouder geworden helaas.
En diverse gezichten ontbraken.
Die kerk. Er is wel wat aan veranderd in die turbulente jaren. De morgendiensten worden goed bezocht en dat is een weldaad voor mensen, die van voor de oorlog dateren. Veel meer dan voorheen wordt nu uit de Schrift gelezen: profeten, evangeliën, brieven. Ook wordt de jeugd veel meer in aanmerking genomen: jongeren lezen uit de Schrift, collecteren of helpen kleintjes oppassen.
Kortom, meer mensen zijn verantwoordelijk voor onze gemeenschappelijke taak en dat is heerlijk. Er wordt ook veel meer gezongen dan voorheen; soms overwegend uit het Liedboek, maar niet ten koste van de psalmzang, aangezien we van de losse vaersjens zijn overgegaan naar reeksen verzen. Toch komen we hier nog niet toe aan de (gemiddeld) 24 coupletten van Dalmally.
En dan de preken in een vacante gemeente.
Er is in tien jaar een generatie van jonge predikanten gevormd, die opvallend goed werk levert - als u ons wilt geloven. Of dat het werk van het Seminarie of van de Begeleiding of Apeldoorn mag zijn, blijve in het midden.
Minder dan voorheen wordt aan theologie gelaboreerd, veel meer wordt de gemeente gericht op de maatschappelijke gegevens, problemen en noden van vandaag.
De praktijk van het christendom zoals Jacobus, de broeder des Heeren, ons op het hart bond - komt in het licht te staan, vraagt onze medewerking, ons aandeel. Zelfs de oudere predikanten hebben hun draai gevonden, die hen siert.
De kerkzang is niet algemeen verbeterd.
Het is duidelijk dat de aloude harmoniumcultuur vervangen is door de algemene pop-cultuur: luid, onwelluidend, snel, onnadenkend vaak, met inslikken van woorden of zinsresten, en niet genoeg religieus doordacht. Nu was de harmoniumcultuur niet zaligmakend; maar de popcultuur is vernietigend.
Een predikant zal zich inspannen om Gods Woord zo zuiver en barmhartig als hij kan door te geven - maar wanneer het antwoord der gelovigen zo oppervlakkig is als wij hoorden moet hij toch wel van een koude kermis thuiskomen.
Niemand zegge: die schrijver is aan het verouderen, verstaat zijn tijd niet, of zo.
Zelf hebben we 40 jaar geleden ons best gedaan, om de onnatuurlijk-lijzige kerkzang te verbeteren, onder meer door die zang een natuurlijk tempo en ritme te geven. Eens zei een verontwaardigd ouderling: dat gejaag in de kerk vinden alleen mijn kleine kinderen leuk, want die willen graag zo zingen. Mijn antwoord was toen: en de Heere onze God luistert graag naar die kleine kinderen, zegt psalm 8.
Maar zomin als eerbiedigheid afhankelijk is van een traag tempo, zo min is een levende kerkzang afhankelijk van het gejakker van de televisiegroepen.
Calvijn leerde ons dat de kerkzang "poids et majesté" moet bezitten, vanwege de belangrijke lading. Poids et majesté kunnen vertaald worden met: gewicht en waardigheid. Dat is iets anders dan dorre traagheid en dat is iets anders dan onnadenkend jakkeren.
Elke lettergreep heeft zijn waarde, mag uitgesproken worden. Elke melodie is een kunststuk, mag zuiver gezongen worden. Elke zin is een poging de Heere na te spreken of toe te spreken; is het waard weldoordacht gezongen te worden.
Goed zingen is dubbel bidden. De kerkzang valt onder de dienst der gebeden.
Wil de Geest Gods onze kerkzang heiligen, dan zullen.we er toch zelf een beginsel van heiligheid in moeten leggen. Dachten wij.
En dan is er een koffiemorgen, na afloop van de eerste dienst van de maand.
Heerlijk, wanneer ver uiteen wonende kerkleden elkaar ongedwongen kunnen ontmoeten. (We hebben die koffie in Dalmally weten te importeren en men is er blij mee.) Het doet ons denken aan de tijd, dat we zulk gezamenlijk koffiedrinken voorstelden in een gemeentevergadering.
Het voorstel liep uit op een discussie: of de koffie uit een koffiezetapparaat, dan wel. uit meegebrachte kannen, dan wel van poederkoffie moest worden geschonken. Een diskussie, die zelfs koffie aan de kook kon brengen! We hebben toen ons voorstel maar teruggenomen met de motivering: het ging ons helemaal niet om koffie, maar om de onderlinge ontmoetingen...
En zie daar: deze vrome wens is intussen in vervulling gegaan.
Op één punt was er niets veranderd: de collectedienst. Nog altijd wordt er voor de plaatselijke kerk gecollecteerd, wat naar ons hart een publiek schandaal betekent. En ook - om even technisch te blijven in geestelijke zaken - worden de collectezakjes nog altijd van achter uit· de kerk naar voren doorgegeven. Bij elke nieuwe rij ontstaat vertraging, verwarring, omdat niemand weet wat er achter hem gebeurt.
Bij onze herinnering hebben we éénmaal in ons leven de collecten moeten regelen. Toen begonnen we voor in de kerk, de kerkzakjes aan te geven. Ieder kon zien hoever de collecte gevorderd was, iedere hoekpost zag het zakje aankomen, ieder had tijdig zijn geld gereed en alles liep aanzienlijk vlotter dan toch al. Dat was dus eenmaal. De kinderen van de diaken hadden grote pret en zeiden: hij weet niet eens hoe het hoort. En ze hadden misschien gelijk. Zalig de onnozelen.
Als u dit leest zijn we vermoedelijk al weer voor enkele weken in Schotland.
Daar zingt men: we are no awa' to bide awa'.