Kind en geloof

1988-10-04
  • Jaargang 32
  • nummer 37
Vorige week kwam aan"de orde dat er een verband bestaat tussen de ontwikkeling die het kind op allerlei gebieden meemaakt en de wijze waarop het het geloof beleeft.
Over de peuter - en kleuterleeftijd werd opgemerkt dat kinderen in deze fase angstig kunnen zijn (Rümke en Fowler).
Deze week wordt nader ingegaan op angsten die bij het jonge kind kunnen ontstaan. Deze angsten kunnen onder sommige omstandigheden het geloofsleven blijvend belasten.

De magische wereld van het jonge kind
Jonge kinderen leven in een magische wereld: in hun denken kan eigenlijk alles.
De keerzijde hiervan is dat er ook heel vreemde dingen kunnen gebeuren.
Het is geen enkel probleem dat Sinterklaas met paard en al over het dak rijdt en Roodkapje en de boze wolf zijn zo echt als het maar kan. Maar wat overdag een spannend verhaal is, wordt alleen in het donker heel beangstigend.
Doordat peuters en kleuters (verstandelijk) nog niet in staat zijn om verschillende dimensies met elkaar te vergelijken kunnen ze opeens-bang zijn dat ze door de stofzuiger worden opgezogen of tijdens het maken van een foto in het fototoestel verdwijnen. Bovendien hebben jonge kinderen een rijke fantasie, maar een gedachte die uit de kinderlijke fantasie voortkomt kan een minuut later als werkelijkheid worden ervaren. Ook vatten kinderen' onze' taal vaak (te) letterlijk op: als moeder zegt dat de mieren 'alles' opeten kunnen ze ook het speelgoed of zelfs jou opeten ..... Ook trekken kinderen soms een onjuist rechtstreeks verband tussen gebeurtenissen. Zo kan een koppige peuter denken dat hij als straf voor zijn gedrag in het ziekenhuis moest worden opgenomen .....
Ter relativering moet worden opgemerkt dat peuters en kleuters vaak heel blij en onbevangen kunnen zijn, maar dat ze op sommige momenten beheerst worden doorangst. Angsten zijn overigens 'normaal': ze horen bij de ontwikkeling v.an kinderen. Ieder kind kent zijn eigen angsten, die geen opvoeder kan vermijden. Ze hebben ook een positieve, beschermende funktie: wie niet bang is loopt veel risico's.

Misverstanden .....
Na deze algemene opmerkingen over kinderangsten wordt nu het verband met de geloofsopvoeding aan de orde gesteld. Bijbelse begrippen (zoals God, de duivel en de hel) zijn soms "een verschrikkelijke realiteit" (Rümke) voor de kleuter. Kennelijk kunnen angsten die bij ieder kind een rol spelen een 'religieuze lading' krijgen. Bij wijze van voorbeeld twee citaten: God kan alles. God is vaak een boeman, be-angstigt het kind zeer. Als de' hond van de buurman jou pijn kan doen, kan God dat zeker ..... Deze angsten kunnen het gevolg zijn van misverstanden in het denken van het kind" (1, blz.
106). De overeenkomst met eerdergenoemde voorbeelden is duidelijk: het kind vat een uitspraak letterlijk op ("God kan alles"), maar trekt ook direkt een (beangstigende) konklusie naar zijn eigen situatie.
"Een 4-jarige kleuter vroeg zijn moeder honderd-uit over hóé God de muilen van de leeuwen toegestopt had. Zelf stelde hij het zich zo voor, dat de tanden van de leeuwen vastgebonden zouden zijn, of op slot zouden zitten. In bed zei hij tegen God: "God, ik ben net zo dapper als Daniël. Zet maar een paar leeuwen in deze kamer en ik zal laten zien dat ik niet bang ben." Maar toen hij dat gezegd had, werd hij pas goed bang.
God zou immers kunnen doen wat hij had gevraagd ..... ".
Bij dit voorbeeld valt vooral op dat de bijbelvertelling in de fantasie van de kleuter een eigen leven is gaan leiden.
In dit verband waarschuwt Fowler opvoeders om rekening te houden met deze fase van ongebreidelde fantasie bij kinderen en hen geen onnodige angsten te bezorgen. "Wat dragen wij aan over God , duivel, hel, hemel, beloning en..
straf? Is het wel goed om alles wat WIJ (denken te) weten over deze realiteiten door te vertellen aan kinderen in deze leeftijd? Allerlei angstvisioenen en vernietigings-
beelden kunnen bezit nemen van de hoofden en harten van onze kinderen." (2, blz. 25).

Hef beeld van God
Welke plaats heeft God in het leven van kinderen? Volgens Dr Bruce Narramore kan al bij jonge kinderen een (blijvend) onbijbels beeld van God ontstaan. Hij citeert in dit verband een boek met een treffende titel: " Your God is too small". God is wel de straffende God, maar geen vergevende God. Narramore wijdt een heel,hoofdstuk aan de wijze waarop het kind God leert te zien.
Een harmonieus gezin vormt in zijn denken een belangrijke basis voor het - ontwikkelen van een bijbels beeld van God.
Naast het beeld van de (alleen) straffende God vraagt Narramore ook aandacht voor het eveneens onbijbelse beeld van de 'overbeschermende' God, naar wie zwakke kinderen vluchten om de werkelijkheid van het leven te mijden.
Hij illustreert zijn visie met een aantal duidelijke voorbeelden (3, blz. 95 e.v.).

De straffende God
Indit artikel gaat het over het beeld van de straffende God. Doordat kinderen vaak rechtstreekse voorstellingen maken bij vertellingen, kan iedere vertelling (of het nu uit de bijbel is of uit een ander boek) aanleiding zijn tot misverstanden.
Ondanks de goede bedoelingen van de verteller wordt het kindomdat het een verhaal anders interpreteert dan verwacht werd, of omdat het in zijn fantasie een eigen leven ging leiden - angstig. Deze angst is echter niet blijvend, andere (positieve) ervaringen en een verdere ontwikkeling dringen de angst naar de achtergrond.

God straft met de hel
Anders ligt het wanneer God als 'drukmiddel' bij de opvoeding wordt gebruikt.
Dan kan de hel ,;een dreigende stok achter de deur in de geloofsopvoeding van veel kinderen" worden. "Pas op, God vergeet niets, Hij ziet alles, en schrijft alles op in Zijn grote boek!" (4, blz. 36). Wanneer de opvoeder niet in staat is om het kind tot de orde te roepen, wordt God er als beangstigende derde bij gehaald.
"Soms echter stuurt de opvoeder recht op het wekken van dergelijke angsten af. Zo vertelde mijn oude Ierse vriend dat toen hij nog een peuter was, zijn vinger in de kaarsvlam werd gehouden ...
'om hem een les te leren'. "Zo zal het nu eeuwig zijn in de hel en dan over je hele lijfl'' Zulke geschiedenissen kunnen religieuze trauma's van de eerste orde worden (1, blz. 107).
"Als het kind een boodschap aan' moet horen dat er een duivel is die ons mensen belaagt, zo zeker als God er is en 'alles ziet' en als er dan nog bij wordt verteld dat deze machten kunnen beslissen over je eeuwige heil, dan is dat geen kinderspel meer. En wat te denken van de opvatting dat een boos kind door 'de duivel bezeten was en dat die duivel eruit geslagen moest worden?
Wat een verleiding voor volwassener om God te gebruiken net als Sinterklaas, een soort boeman en dat alles om het kind maar zoet te houden. " God was voor ons een eeuwig loerende politieagent, die ook toekijkt hoe het stoute kind van de suikerpot snoept. " Daarmee werd God direkt in verband gebracht met straf (5, blz. 76 e.v.).
Deze twee citaten (en uit de literatuur zouden er honderden aan toegevoegd kunnen worden) tonen ons niet het beeld van een liefhebbende God, maar van een strenge, straffende God. "Die angst is een vijand van de religieuze ontwikkeling" (1, blz. 107).

Gevolgen voor geloofsoverdracht
Sommige mensen menen dat jonge kinderen niet 'belast' mogen worden met bijbelse verhalen. Daarmee wordt een volstrekt onjuiste konklusie getrokken.
Het christelijk geloof hoeft niet 'belastend' te zijn; het kan juist ook voor kin deren' bevrijdend zijn. Volgende week wordt ingegaan op de vraag welke algemene konklusies uit deze gegevens getrokken
kunnen worden in verband met de overdracht van het geloof.

Literatuur
(1) Prof. Dr. M, J, Langeveld: Kind en religie, (Bijleveld, Utrecht, 1966)
(2) Drs L. van Driel en drs I. A. Kole: Bij-tijds leren geloven (Kok, Kampen, 1987)
(3) Dr. Bruce Narramore, Opvoeden een opgave (Medema, Vaassen, 1983; Telos-Reeks)
(4) Ds H, G. Fonteyn: Laatste (on)mogelijkheid? (Kok, Kampen, 1988)
(5) Dr J. L. Klink, Geloven met kinderen (Ambo, Baarn, 1976).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief