Een pleidooi voor de rechtsstaat (4)
1988-10-04
Van de "normatieve structuur der feiten" uitgaan betekent niet, dat men de zonde een legitieme plaats in het leven toekent. Die plaats heeft de zonde nimmer.- Jaargang 32
- nummer 37
Het betekent wel, dat men bij de inrichting van de samenleving wat bij voorbeeld de produktie en consumptie van goederen' en diensten betreft, van genoemde structuur der feiten dient uit te gaan. Uit te gaan dus onder meer van het feit dat mensen erop uit zijn hun eigen belangen na te streven zonder echter de mensen daartoe te verplichten.
Dit feit (dit gegeven) heeft voor de inrichting van de samenleving (en de overheidstaak) normatieve betekenis.
Luther wilde kerk en staat van de tirannie bevrijden. Hij zette zich daarom af tegen Rome, tegen het pausdom, die de kerk over de staat wilde laten heersen, maar ook tegen de Duitse vorsten, die zich absolute macht (ook over de kerk) toekenden. Hij zette zich ook tegen de radicale christenen van zijn dagen (Müntzer en Karlstad) af, omdat dezen de overheid verdoemden en het godsrijk proclameerden. Ook dat vond Luther tirannie van de kerk over de staat.
Luther heeft zijn opvattingen neergelegd in een aantal publikaties; ik noem die hier niet, het zijn nogal lange titels; u kunt de namen van deze publikaties vinden in het boekje van Aalders.
Luther was voorstander van de rechtsstaat.
Hij moest niets hebben van de vorsten van zijn dagen, die het volk onrechtvaardig behandelden. Hij zette' zich sterk af tegen de absolute macht van de vorsten, dat wil zeggen, hij was van mening, dat de vorsten tegenover hun onderdanen gebonden moesten zijn aan wetten en regels.
De absolute monarchie kent dergelijke wetten en regels niet, het volk heeft geen rechten en is overgeleverd aan de willekeur van de machthebbers. Dat nu wilde Luther in zijn dagen veranderd zien .' Daaruit blijkt, dat hij geen vorstenknecht is geweest, zoals men hem verweten heeft dan wel nog verwijt.
Luther zette zich af tegen de Roomse opvattingen over kerk en staat (in die opvatting staat de kerk boven de staat).
Ook moest hij niets hebben van de Duitse vorsten in zijn dagen, die de staat boven alles stelden en absolute macht uitoefenden over het volk. De radicale christenen van zijn dagen (Müntzer, Karlstadt) noemde hij "dolle heiligen". Volgens Aalders legdeLuther de basis voor de rechtsstaat: de staat heeft een eigen territoir, is niet ondergeschiktaan de kerk, maar is wel gebonden aan de wet Gods. Van een tegenstelling kerk en staat wil Luther niets weten; de staat ligt in het verlengde van de kerk (de kerk de eerste tafel der wet; de staat de tweede tafel der wet). Men zegt wel, dat Luther de basis gelegd heeft voor de protestantse staat: de overheid. is constitutioneel gebonden aan wetten tegenover het volk. Gemeente (de kerk) en volk hebben volgens Luther heilige rechten (die daarom.
dan ook geëerbiedigd dienen te worden).
Met deze opvatting zette hij zich onder meer af tegen de Duitse vorsten in zijn dagen, die het volk, de boeren, zeer onrechtvaardig behandelden.
De theologische grondslag van de protestantse vrijheid lag bij- Luther in de leer van het algemene priesterschap van de gelovigen, die een juridisch opgebouwde hiërarchie onmogeli maakt. Met name de uitlegvan het boek prediker bracht Luther tot zijn standpunt van de constitutionele rechtsstaat.
In 1526, maar meer nog in 1529 op de rijksdag te Spiers werd een begin gemaakt met het verlenen van vrijheid van godsdienst aan de protestanten. Evangelisch gezinde vorsten, die opkwamen voor de nieuwe leer, presenteerden op genoemde rijksdag het staatkundig document, dat Protestatio genoemd werd en dat volgens Aalders de basis legde voor de christelijke staat. De evangelische christenen traden hier voor het eerst naar voren tegenover de overheden en machten om hun rechten te doen gelden. Hier ligt volgens Aalders het begin van de constitutionele rechtsstaat.
Sinds 20 april 1529 is het dan ook gewoonte geworden om reformatorische christenen aan te duiden met "protestanten", een naam, die oorspronkelijk dus een politieke kleur had in de zin van democratisch en constitutioneel.
Protestantse naties verschillen van katholieke hierin, dat kerk en staat bewust onderscheiden worden als twee regimenten van God. Beide regimenten staan in de protestantse opvatting tot elkaar in eenzelfde verhouding als de twee tafels van de wet (der tien geboden).
De christen is van beide regimenten afhankelijk. Luther vond het fataal kerk en staat te vereenzelvigen, maar ook om deze beide te scheiden in enerzijds een neutrale staat en anderzijds een van de wereld afgekeerde kerk. De kerk kan niet buiten de staat, maar de staat kan ook niet buiten de kerk. Een tweede verschil van protestantse naties met katholieke is gelegen in de verhouding van overheid en volk.
Naar reformatorisch besef is het ongeoorloofd en ontoelaatbaar om de vorst te zien als de vertegenwoordiger van een sacrale, hiërarchische orde niet soeverein gezag en met absolute macht 'over de onderdanen. Wanneer men de West-Europese volken vergelijkt met de Zuid-Amerikaanse volken dan vallen deze beide verschillen ook op: in West-Europa constitutionele rechtsstaten, in Zuid-Amerika dictaturen met daarbij een sterk kerkelijk katholiek gezag, dat zich niet fundamenteel afzet tegen de dictatuur, tegen de hiërarchische samenleving aldaar.
Nog steeds is aan dit alles te zien hoe belangrijk de Reformatie voor de politiek, voor de staatkunde is geweest en nog is, hoe belangrijk ook voor de sociale en economische (kortom de hele culturele) ontwikkeling in de West-Europese landen en in de Verenigde Staten.
Luther heeft met zijn uitleg van het boek Prediker niet het ontwerp van een nieuwstaatsbestel uit genoemd bijbelboek willen afleiden. Maar de wijsheid van Salomo maakt volgens hem wel duidelijk in welke richting onze gedachten over staat, overheid en samenleving moeten gaan. De overheid mag niet in uitersten vervallen, maar moet de middenweg bewandelen. Excessen voeren tot tirannie of anarchie. Blijven in het gulden midden is de hoogste staatsmanswijsheid, aldus Luther. Daarin onderscheidt zich het wereldse regiment van het geestelijk regiment. In de staat gaat het anders dan in de kerk volgens Luther om de gulden middenweg vanwege de overmacht van het kwaad in de wereld. Durf het recht te matigen, .aldus Luther, omdat de wereld het hoogste recht eenvoudig niet toelaat. Soms moet een vorst volgens hem regels en wetten 'laten schieten, omdat wijsheid billijkheid is. Volgens Luther is het somtijds beter om een opstandige beweging korte tijd voor lief te nemen dan door te grote strengheid de hele staat te gronde te laten gaan. Vuist en harnas houden volgens hem de staat niet in stand, maar alleen wijsheid en verstand. Dat leert ons het boek Prediker, aldus Luther (de geschiedenis leert dat trouwens ook).
Innavolging van Salomo achtte Luther school en onderwijs van wezenlijk belang voor de instandhouding van de staat als rechtsstaat. De rechtsstaat kan volgens' hem zonder het schoolwezen niet bestaan. Luther wilde dan ook, dat de overheid zich uitgebreid met het onderwijs bezig ging houden, omdat de overheid in zijn opvatting rechtsgeleerden en wetenschapsbeoefenaars nodig heeft. Rechtschapen predikers zijn in de kerk nodig volgens Luther, maar in het wereldlijke regiment zijn betrouwbare juristen en andere wetenschapsbeoefenaars nodig, die volgens hem zeer wel profeet, priester of leraar genoemd kunnen worden.