Boekbespreking

1987-09-04
  • Jaargang 31
  • nummer 33
Dr G. Puchinger 'Christen en kunst' Delft; W. D. Meinema N. V.
539 pag.
ISBN 90 211 3047 5

George Puchinger heeft veel interviewbundels op zijn naam staan. Hij heeft ook eerder gepubliceerd over de relatie tussen geloof een kunst, met name in gesprek met Gabriël Smit, Michael van der Plas, Anton van Duinkerken en de theoloog Miskotte.
In de bundel Christen en kunst (1971) staan twaalf interviews opgetekend met achtereenvolgens de volgende personen: Ds S. J. Popma; Roeland Koning, Prof. dr F. G. L. van der Meer, Dr C.Rijnsdorp. Prof. H. S. Visscher, Charles de WouT, Riet van Egmond, Dr M.
A. M. KIompé, DickBor, Dr A. F. E. van Schendel, Dr A. den Besten en Huub Oosterhuis.
Het boeiende van de bundel is, dat deze zich uitsluitend, in ieder geval in essentie bezighoudt met de relatie geloof en kunst en dat de problematiek die daarin naar voren komt op een uiterst persoonlijk, levendige, boeiende en diepgaande wijze ter sprake komt, Puchinger is een meester in het doorvragen op een bepaald' onderdeel en schuwt diepgaande en indringende vragen zeer zeker niet. Aan alles is te merken dat hij zeer behoedzaam en volgend met zijn 'materiaal' is omgesprongen en het resultaat is dan ook dat wij twaalf mensen onder ogen krijgen van vlees en bloed, en dat kunst een onderwerp is waardoor allen ten diepste in hun leven geraakt en bezield zijn.
De keuze van de ondervraagde personen evenwel doet enige vragen rijzen.
De twaalf geïnterviewden hebben weliswaar stuk voor stuk interessante opmerkingen en een boeiende stellingname in te brengen, die menigeen tot nadenken zullen stemmen. Maar ik mis toch wel de beeldende kunstenaar als zodanig en proef uit deze keuze van Puchinger een wellicht vooringenomen voorkeur voor belezenheid. en beschouwelijkheid, distantie én cultureel elitarisme.
Dit is ook op te maken uit de lengte van de opgenomen interviews. Zo is het interview met prof. F. van der Meer bijvoorbeeld uitzonderlijk lang uitgevallen en bestaat uit 61 pagina's hetgeen neerkomt op een negende deel van de totale bundel. Het interview met C. Rijnsdorp is zelfs nog langer: 67 pagina's, en is dus een achtste deel van het totaal.
Daarna volgen Huub Oesterhuis (51 pag.), ds S. J. Popma (50 pag.) en dr A. den Besten (50 pag.). Het kortste interview is met Dick Bor (11 pag.) en met dr H. S. Visscher (19 pag.). Het gesprek met laatstgenoemde had wat mij betreft ook inhoudelijk langer mogen uitvalIen.
Hetzelfde geldt voor de gesprekken met Piet van Egmond, Roeland Koning en Charles de Wolf. Opmerkelijk is ook de leeftijdsgroep van de ondervraagden; van de geïnterviewden is 25% geboren vóór 1900, 25% geboren vóór de eerste wereldoorlog, en de overige 50% allen geboren vóór het einde van de tweede wereldoorlog.
Aantoonbaar is dus dat alle gesprekken duidelijk gedateerd zijn en met de actualiteit van 1971, de verschijningsdatum, d.w.z. de nadagen van de hippies; de provo's, de kabouters en de communebeweging niet veel van doen hebben. Oók niet met de geëngageerde kunst van toen! In een woord: het is een belegen en een wat stoffige bundel. Een bundel die achterom kijkt, maar niet om zich heen, laat staan vooruit kijkt. . . .
Maar ook als de keuze van de twaalf ondervraagden inhoudelijk getoetst wordt is het onbegrijpelijk dat iemand als prof. H. R. Rookmaaker ontbreekt, Daniël Wayenberg, Elisabeth Cooymans, Herman Reuser, Dom Helder van der Laan. En zo zijn er meer namen van vooral kunstenaars te noemen. Nog afgezien van de leeftijdsgroep waartoe zij behoren.
Het zou goed zijn wanneer Christen en kunst gevolgd zou worden door een nieuwe bundel, waarin op een meer eigentijdse wijze met de onderlinge problematiek wordt omgegaan en waarin behalve voor de literatuur ook mee ruimte wordt uitgespaard voor de beeldende kunsten en de architektuur; en zo mogelijk ook voor de toegepaste monumentale kunsten.
Wie is de (christelijke) uitgever, die deze verantwoordelijkheid op zich neemt?

M. de Klijn, Kampen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief