Een pleidooi voor de rechtsstaat (5)
1988-10-14
Om deze artikelenserie niet te uitgebreid te maken, laat ik de verschillen tussen Calvijn en Luther op politiek terrein rusten. Ook de menigsverschillen rond het boek van Abraham Kuyper "Het Calvinisme, oorsprong en waarborg onzer constitutionele vrijheden" (Amsterdam, 1874). Meer dan Calvijn is het volgens Aalders Luther geweest, die de grondslag gelegd heeft voor de constitutionele vrijheden. Calvijn heeft in tegenstelling tot Luther de geestelijke vrijheid niet aanvaard. Latere Calvinisten echter weer wel.- Jaargang 32
- nummer 38
Volgens Luther is Willem van Oranje, onze vader des vaderlands, die van huis . uit Luthers was, tot de gereformeerde religie overgegaan, omdat de' Calvinisten het recht van opstand tegen tirannieke vorsten erkenden. De overgang tot het Calvinisme betekende voor Willem van Oranje de aanvaarding van het recht van gewapend verzet tegen Philips van Spanje in de 16e eeuw. Het is van hem dus meer een politieke dan een godsdienstige beslissing geweest volgens Aalders.
Van Luther heeft volgens Aalders Willem van Oranje geleerd, dat niet de vorst heerst over het recht, maar dat het recht heerst over de vorst.
Luther's wijze van benadering van de Schrift wordt door aanhangers van de zogenaamde historische kritiek een ontoelaatbare en onbegaanbare weg genoemd.
Deze aanhangers stellen, dat het boek Prediker alleen maar zeggen wil, dat het aardse leven zinloos en uitzichtloos is. Het lot van de mensen is gelijk aan het lot der dieren. Van gerechtigheid is in deze wereld geen sprake. Wanneer het lot van de mensen gelijk is aan dat der dieren, houdt dat in, .
dat het eeuwige leven de mensen ontzegd is. Hetgeen een mens overblijft om te doen is de dag te plukken en te genieten wat er te genieten valt. Dit kan natuurlijk nimmer de betekenis, de uitleg van het boek Prediker zijn. Een dergelijke opvatting is in strijd met wat in de andere bijbelboeken, in heel de Schrift wordt geopenbaard. De zogenaamde historische kritiek is doof en blind voor de openbaring Gods, die ook in het boek Prediker te vinden is; ze wordt daardoor tot op vandaag gekenmerkt; hetgeen haar dan ook steriel heeft gemaakt en nog maakt.
Luther had met Erasmus al te maken met de opvattingen van de zogenaamde historische kritiek, waar hij weinig waardering voor op kon brengen. De zogenaamde historische kritiek is een chaosmacht, omdat ze zich vooral richt tegen de gerechtigheid (waar Luther nu juist voor vocht), met name tegen de gerechtigheid als grondslag van staat en samenleving. De kritiek draagt het beginsel van de wetteloosheid in zich en voert tot anarchie en tirannie. De toekomst ligt niet in de vrije zelfbepaling van de mens, maar in Gods hand; dat zegt de Schrift. En God blijft Zijn Schepping trouw; de zon is daarvan het duidelijkste bewijs; vandaar, dat Luther de zon het oersacrament van Gods heerlijke scheppingsorde noemt.
Zo zal volgens hem ook het wereldlijk regiment van God standhouden: God geeft Zijn Schepping niet prijs aan de chaosmachten; dat is volgens Luther de troost van het boek Prediker.
Verlaat daarom de slagorde (de wereld) niet, maar houd stand; laat u niet moedeloos maken door zwaarmoedigheid of ongeduld en laat u niet meeslepen door toom, was Luther's devies. Vandaar de wapenspreuk van Willem van Oranje: "Je maintiendrai; Ik zal handhaven" .
Luther heeft ons gewezen op de Bijbel als rechtsbron, die van belang is voor staat en samenleving. In navolging van het Romeinse recht had in bij voorbeeld Frankrijk de koning absolute macht. De koning is keizer in zijn eigen rijk, aldus deze van oorsprong Romeinse, heidense gedachte. Luther nu verzette zich tegen dit Romeinse recht. Hij was, aldus Aalders, als een herboren Jozua, die in de 16e eeuw met de Heilige Schrift om de muren van het middeleeuwse keizerlijke, Romeinse staatsbestel heentrok, op de bazuin blies en Jericho innam om er de rechtsstaat te vestigen. Alleen de rechtsstaat is volgens hem een afdoend geneesmiddel tegen de angst van het Westen en een veilige burcht tegen tirannie en anarchie. Luther's rechtsbron was de Bijbel. Alleen in de rechtsstaat zijn de burgers veilig tegen de overheden en machten boven hen. De rechtsstaat vereist onder meer een goed opgezette rechtswetenschap, die de rechten en plichten van overheid en burgers bestudeert en vastlegt. Daarom is wetgeving van zo'n groot belang. Het wereldlijk regiment heeft dat nodig; dat heeft Luther volgens mij zeer goed gezien.
Met ethiek komt men in deze wereld niet ver;de wereld laat dat niet toe, zo zou men Luther's opvatting ook kunnen weergeven. Niet dat ethiek geen christelijke eis is, maar deze wereld IS te boos om het zonder goede wetgeving te kunnen stellen. Anders buiten de overheden het volk uit en/of buiten de burgers elkaar uit. Zo liggen deze dingen "nu eenmaal" in staat en samenleving.
Luther is van mening, dat het boek Prediker ons deze richting van denken opstuurt.
Het komt mij voor, dat deze mening juist is. Luther heeft met zijn opvatting over het recht een sterke impuls gegeven aan de ontwikkeling van het staatsrecht in Europa. Van een onmiddellijke toepassing van bijbelse rechtsregels wilde Luther niets weten. Het Israëlitische recht (de Mozaïsche wetgeving) is tijdgebonden; het is niet direkt toepasbaar in latere eeuwen en onder andere omstandigheden. Dit is ook mijn mening. Luther noemt de regel, Mattheüs 7: 12 de gouden regel wat de liefde, de ethiek betreft: "Wat gij wilt, dat u de mensen doen, doe gij dat hun ook". Alle wetten zijn een uitwerking van deze regel, deze ethiek. Indie geest moeten alle wetten worden uitgelegd.
Luther vond de duitsers te dweperig en te radicaal om de fijnheid van geest te cultiveren, die een eerste vereiste is voor de bestudering van het recht. Als het van Duitsland had afgehangen zou er van een vernieuwing van het recht vanuit de Bijbel als rechtsbron en van het ontstaan van een rechtsstaat geen 'sprake geweest zijn. Dat er niettemin toch van zulk een ontwikkeling gesproken kan worden is volgens Aalders te danken aan Engeland, Nederland en Frankrijk.
Vooral de Franse Hugenoten dienen in dit verband vermeld te worden.
Waarin onderscheidt zich de Bijbel van het natuurrecht en van het Romeinse recht?
De wet van Mozes gaat terug op het scheppingsbegin, aldus Aalders. Reeds in het paradijs legde de Here God de mens het gebod op (Genesis 2: 16).
Een tweede bijzonder aspect van de wet van Mozes is de persoonlijke formulering.
Daarin treedt Gods majesteit naar voren. In Israël is de wet niet uitgevaardigd door een koning, maar rechtstreeks door God zelf. De wet des Heren lag niet in een paleis, maar in de heilige tenten in de ark des verbonds. Een derde aspeet van de wet van Mozes is, dat zij het karakter heeft van een verbond tussen God en volk, waarin Israël's volstrekte afhankelijkheid en leenplichtigheid werden vastgesteld. Dit verbond strekte zich niet alleen uit over de verhouding van de mens en God, maar regelde ook de betrekkingen van de mensen onderling, niet slechts van de volksgenoten, maar ook met vreemdelingen, waarbij voorrang gegeven werd aan ellendigen en berooiden en zelfs met vijanden.
Deze aspecten hebben de Hugenoten naar voren gehaald bij de bestudering van de Bijbel als rechtsbron voor staat en samenleving op basis waarvan de rechtsstaat opgebouwd dient te zijn.
De meest dringende opgave, waar zij voor stonden was de bijbelse herijking van het begrip "soevereiniteit". Volgens de Hugenoten is de koning niet soeverein, maar alleen de Here God.
Het absolute koningschap is een heidense aangelegenheid. Maar ook het volk bezit geen soevereiniteit. De Hugenoten zetten zich ook af tegen het soevereiniteitsbeginsel van de Franse revolutie. De democratie is in deze revolutie net zo afgodisch als het absolute koningschap en daarom een gevaar voor de rechtsstaat. De algemene wil van het volk dient men op grond van het beginsel van de volkssoevereiniteit te volgen. Het sociaal-ethische saamhorigheidsgevoel is laatste en beslissende gezagsinstantie, waar ieder voor te bukken heeft. Naar we in de Franse revolutie hebben gezien ontaardt dat ook in tirannie en anarchie (net zoals bij het absolute koningschap dus). Soevereiniteit in de zin van absolute macht dient buiten het staatsrecht te worden gehouden; een dergelijk standpunt ligt in de lijn van Luther's opvattingen.
Een kroongetuige hiervan is in onze dagen Solzjenitsyn. Hij schreef: "O,jullie linkse, progressieve studenten in Amerika, Frankrijk, Duitsland,je beseft niet in wat voor situtatie mijn boeken geschreven zijn. Je trekt het je ook niet aan, maar bent bereid tot concessies en waardering van het communistisch systeem.
Mijn boeken zul je pas begrijpen als je toegebruld wordt: Je bent gearresteerd, en je zonder beschuldiging of 'proces naar de Goelag-Archipel weggevoerd wordt. Wegneming van de angst voor de staat (en haar regelzucht) gaat gepaard met een grote verruiming van de mogelijkheden van de burger om zich te ontplooien en zijn/haar roeping te verwezenlijken.
De leer van de twee rijken van Luther is nog steeds actueel. De kritische distantie ten aanzien van overheid en samenleving kenmerken thans de gehele Christenheid. De Dopersen hebben schoolgemaakt met hun aversie tegen de politiek en tegen christelijke activiteiten op het gebied van staat en samenleving.
De ontwikkelingen in onze moderne tijd zijn daar volgens mij debet aan. De overheid wordt de laatste jaren meer, en meer als een bedreiging gezien vanwege haar grote regelzucht en daarvan heeft men zelfs tot in het CDA genoeg van, omdat de nadelen van de genoemde regelzucht maar al te duidelijk aan het licht zijn gekomen. De wal heeft het CDA-schip op dit punt gekeerd.
Aalders heeft een uitstekend boekje geschreven, maar het is wel duidelijk, dat hij geen Kuyperiaan is, geen leerling van Abraham Kuyper. Men kan uit zijn boekje een zekere wereldmijding halen, hoewel hij zeker die kant niet op wil. Ik kan er heel goed inkomen, dat Aalders zich afzet tegen de ontstellende oppervlakkigheid van het merendeel van de Christenheid vandaag en tegen de hedendaagse bevrijdingstheologen, die al te vlot overal in de wereld, waar mensen door overheden of machten onderdrukt dan wel onrechtvaardig behandeld worden, opstanden of revoluties helpen bevorderen dan wel deze als oplossing suggereren of aanprijzen.
Een leer van twee rijken komt al voor bij Augustinus. Deze vereenzelvigde de kerk .met het Koninkrijk Gods en zag in de Romeinse staat, die de kerk vervolgde het rijk der duisternis. Later veranderde dat en was de staat bij hem de lagere gemeenschap en de kerk de hogere gemeenschap. De staat was volgens hem dienstbaar aan de kerk. De strijd tussen kerk en staat is in feite in alle eeuwen gevoerd tot op-vandaag toe, echter wel steeds op een andere wijze.
Sinds de middeleeuwen heeft de kerk meer en meer terrein verloren en deze ontwikkeling gaat nog steeds door.
Hoe staan wij als christenen in deze wereld?
In feite is dat de vraag, waar-het hier (in de politiek) onder meer allemaal om gaat. Wat betekent Christus' koningsheerschappij over kerk en wereld.
Is Christus' koningsheerschappij verdeeld over kerk en wereld? Is er zoiets als het rijk van de natuur en het rijk van de genade? Rome werkt met dit schema, zoals u weet. Abraham Kuyper sprak van algemene en bijzondere genade, ook een soort natuur en genade-schema. Maar Kuyper kende ook de lijn van: "Er is geen duimbreed (in dit leven) waarvan Christus niet zegt: het is Mijn".
Vele principiële verschillen in de politiek zitten op de tweedeling natuur/ genade vast. .Men zou het hele vraagstuk ook zo kunnen stellen: hoe verhoudt zich "natuurlijke" argumentatie tegenover bijbelse argumentatie of wanneer moeten we een beroep doen op de bijbelse openbaring en wanneer op de "natuur". Want we halen lang niet al onze kennis inzake wat we hebben te doen op welk terrein dan ook in het leven uit de Bijbel. De Bijbel is daar ook niet voor. Haalt de chirurg, die u van uw blindedarm afhelpt, omdat dat noodzakelijk is, zijn vakkennis om deze operatie tot een goed einde te brengen uit de Bijbel? Nee immers. Uit "de natuur", uit Gods scheppingsorde dus.
Hoe werkt het economisch proces? Wordt dat in de Bijbel ingegeven? Ook hier: nee. De economische wetenschap heeft de wetmatigheden in dit stuk "natuur" geformuleerd en in kaart gebracht.
Aalders is geen Kuyperiaan en dus ook geen bewonderaar van Dooyeweerd.
Kuyper en Dooyeweerd hebben bouwstenen .aangedragen om de gehele schepping te christianiseren; geen tegenstelling dus van natuur en genade, maar heel het leven dient onder het beslag van Gods Woord gebracht te worden.
Dooyeweerd staat een historische ontsluiting voor van de scheppingsmogelijkheden, maar in de visie van Aalders is dat wellicht een te weinig oog hebben voor het kwaad in de wereld.
Nu kan het best zijn, dat Aalders daarin gelijk heeft.
In elk geval moeten we ons van dit christianiseren geen al te grote voorstelling maken. Wat is daar in de praktijk tot dusverre van terecht gekomen?