‘Als gevogelte van verscheiden becken’
2007-12-07
In de zeventiende eeuw was het, als je de berichten geloven mag, vaak een slagveld in de gemeentezang. De opvattingen liep vaak ver uiteen, zowel bij de noten (half, heel en in welk tempo) als de teksten. Niet zelden werden verschillende psalmberijmingen om het hardst en dwars door elkaar heen gezongen. ‘Als gevogelte van verscheiden becken’, zo klonk het volgens Constantijn Huijgens, en dat was geen compliment.- Jaargang 51
- nummer 24
In een doorsnee Nederlands Gereformeerde kerk van 2007 denk je bij ‘gevogelte van verscheiden becken’ eerder aan de gereformeerd-evangelische verscheidenheid in de gemeentezang. Want vogels van allerlei pluimage heb je in onze kerken met - misschien nog wel meer dan toen - verschillen in geloofsbeleving. Hoe ga je om met zulke verschillen in de liedkeus en de belevingswereld, die daar achter zit? Dat is dan de vraag. Blijf je steken op het niveau waarbij de één de rem zoekt en de ander het gaspedaal, al naar gelang de kant die het met de gemeentezang uitgaat? Of is er met zulke verschillen ook iets opbouwends te doen en zo ja, hoe? Daarover gaat het in dit en een volgend artikel (in het eerste nummer van 2008).
Veranderd klimaat
Ik haak in deze bijdrage aan bij het boekje Kogels in de kerk, dat vorig jaar verscheen (de eigenlijke bespreking vindt u elders in deze Opbouw). Het is geschreven door Dirk Zwart, een neerlandicus en musicus, die dus zowel in het talige als in het muzikale van wanten weet. Bovendien is hij als midden veertiger oud genoeg om de liedboekcultuur te kennen en jong genoeg om te weten dat veel van zijn leeftijdgenoten liever Opwekking dan Liedboek zingen. Er is in de laatste tien jaar van de kwart eeuw, waarin Dirk Zwart als kerkmusicus actief was, dan ook veel veranderd - en dat niet alleen op zijn eigen vrijgemaakte erf.
Veranderingen, waarvan het brieffragment getuigt, waarmee het boekje van Zwart opent. Het is geschreven door een vrijgemaakte geloofsgenoot, die wel wat anders wil dan het traditionele lied, dat hij als weinig warm en te formeel ervaart. Het raakt zijn hart te weinig en met het orgel heeft hij ook niet veel.
Overbruggen?
Een hoofdstuk lang (en misschien wel door het hele boek heen) zie je Dirk Zwart reageren op deze thematiek.
Soms - zo lijkt het - op zoek naar raakvlakken tussen het traditionele en het evangelische lied. Bijvoorbeeld als Zwart bij de Evangelische Liedbundel opmerkt dat er ‘uiteraard een middengebied is’ en dat ‘de grenzen vloeiend zijn’. Je leest over kruisbestuiving van muzikale stijlen en dat (zelfs) popmuziek voor een hedendaags kerkmusicus een inspiratiebron kan zijn ‘vanwege z’n ritmische levendigheid, z’n directheid en z’n lichamelijkheid’.
En je proeft zijn eigen affiniteit met de warme anglicaanse hymntraditie, die te genieten valt in het BBC-programma ‘Songs of Praise’. Ziet Zwart op die grensvlakken mogelijkheden om de tegenstellingen tussen evangelisch en traditioneel te overbruggen, denk je dan. Zeker als je ergens leest dat de Rotterdamse cantor een poging deed om een ‘Psalm voor nu’ van Ria Borkent op muziek te zetten voor praiseband. Maar toen het stuk geschreven was bleek dat ze bij ‘Psalmen voor nu’ als een kip op de eieren zitten - eerst moest de PvNversie goed ingeburgerd raken! Een gemiste kans, zo vindt Zwart en dat ben ik helemaal met hem eens.
Tegenstellingen
De goede wil om aan de slag te gaan met de veranderde kerkelijke en kerkmuzikale setting ontbreekt dus niet in Kogels in de kerk. Toch zie je Zwart vaker met het niet-klassieke repertoire ìn de slag gaan, en of dat veel zal opleveren, betwijfel ik. Te vaak werkt de vrijgemaakte musicus met onderscheidingen, die me te grof zijn. Zoals die van het traditionele lied dat je iets aanreikt (woorden, betekenissen, gevoelens) en evangelische liederen die je iets opdringen. Zeg je dan richting de meeste Opwekkingsliederen niet veel te veel en over psalmen en gezangen toch echt te weinig? Want een psalm als de 116e doet met ‘God heb ik lief’ toch wel wat meer dan alleen iets aanreiken en is ‘Jezus ik wil heel dichtbij U komen’ (Opwekking 502) nou zo’n opdringerig lied? Zo zijn er meer karikaturale tegenstellingen, zoals die van ‘high culture’ en ‘low culture’ of ‘kunstmuziek’ en ‘populaire muziek’ of ook de vergelijking met gezond eten en fastfood. Zit Willem Vogel dan automatisch bij de eerste categorie en Graham Kendrick bij de tweede? Is het zo eenvoudig? En heeft het überhaupt veel zin om al te lang stil te staan bij de uitersten van een steriel-vrijblijvend traditioneel gezang en een klef-onvrij opwekkingslied, die beide ongetwijfeld te vinden zullen zijn?
Jezus is Heer
Vanuit die (tegen)stellingen komt Zwart uiteindelijk ook niet veel verder dan de verdedigingslinie van de gevestigde kerkmuziek. Met defensief getinte zinnen als: ‘Ik geloof niet dat er in mijn gemeente (in Rotterdam, fg) grote weerzin is tegen het orgelspel en tegen de traditionele kerkmuziek’ en ‘Alsof er aan de traditionele kerkdienst en aan het traditionele kerklied ook niet van alles te beleven valt’. Dat zal wel waar zijn, maar met zulke zinnen bouw je geen bruggetjes richting de evangelischen in je gemeente. Ik zou nog wel een stapje verder willen gaan met de vraag of Zwart in zijn reactie niet te veel blijft steken in het talige en muzikale, waardoor hij het hart van de briefschrijver en al die anderen niet zal bereiken. Ik dacht aan de kernbelijdenis ‘Jezus is Heer’, die je de ander zo maar zou kunnen horen zingen, ook al is het op een andere ‘wijze’. Geeft het gemeenschappelijke van zo’n bijbelse kern niet de geloofsruimte om in de evangelische spiritualiteit dimensies te ontdekken, die onze klassiek gereformeerde diensten zouden kunnen verrijken? In plaats van één winnaar en één verliezer zou je dan wel eens samen kunnen winnen.
Ook in die zin, dat we als gereformeerden echt wel wat te bieden hebben, waarmee het evangelische liedrepertoire zijn winst zou kunnen doen. Maar daarvan zal ik Dirk Zwart niet hoeven overtuigen.
Kool en geit
Goed mogelijk dat Zwart vanuit deze ruimere benadering ook wat opener zou worden voor diensten, waarin een goed doordachte (!) mix van liederen wordt gezongen. Om zo de kracht van de verschillende genres uit te buiten. Want geen twee diensten zijn gelijk en binnen een dienst heeft ieder moment ook weer zijn eigenheid.
Iemand als Kees van Setten werkt daar aan in de kringen van het Evangelisch Werkverband en de Charismatische Werkgemeenschap Nederland. Zwart typeert het als: ‘Een beetje van dit en een beetje van dat, traditie èn vernieuwing, kool èn geit, voor elk wat wils, zodat iedereen er zich in kan herkennen.’ Maar dat is een karikatuur van wat Van Setten voor ogen heeft. Zie bijvoorbeeld het alleraardigste nummer over kerkmuziek van Bulletin voor Charismatische Theologie 57, 2006 (www.cwn-cwj.nl). Verder zou zo’n goed doordachte mix-dienst wel eens iets verwants kunnen hebben met de opzet van hetook door Zwart gewaardeerde - programma ‘Songs of Praise’? Kortom ik zie op allerlei punten de nodige ruimte, die Dirk Zwart in zijn boekje onbenut heeft gelaten.
Alternatieven
Een alternatief voor zulke mix-diensten is een doelgroepgerichte benadering, zoals dat in de NGK Houten praktijk is geworden. Gesteund door een snel groeiende en jonge gemeente heb je daar ‘s zondags een rijk palet aan diensten, die elkaar deels overlappen, zodat het zelfs qua tijd niet mogelijk is om ze allemaal bij te wonen. En er is natuurlijk nóg een alternatief: gewoon je poot stijf houden en blijven bij de status quo van ‘goede kerkmuziek’, begeleid door ‘organisten met een goede smaak’. Hoe goed dat laatste ook bedoeld zal zijn, het klinkt me wat pedant in de oren. En het is me vooral te weinig open, gelet op wat er anno 2007 gaande is in de kerkelijke wereldvan oecumenisch tot evangelisch.
Drs. Freddy Gerkema is predikant van de Nederlands Gereformeerde kerk van Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.