"Met open vizier"

1987-09-11
  • Jaargang 31
  • nummer 34
"Och, mannen broeders, dat is het ware" roept Prof J. Kamphuis uit in de gesprekken die we in bovengenoemd geschrift vinden vastgelegd. Het gaat dan over de kennismaking met de broederschap in verdrukking tijdens reizen in Oost Europa.

We horen van een baptiste, die in Roemenië de professor naar een gereformeerde dominee bracht en deelnam aan een gesprek over de kinderdoop, Er werd tegen haar niet gezegd dat ze geen christin was, maar er werden zaken gedaan.
"Dat vind ik ook christelijk samenzijn" aldus J.K.
Het is dus goed toeven onder de vervolgden.
Deze ervaring is er ook in onze kerken en zo kan ik mijn opmerkingen over genoemde uitgave beginnen met te constateren dat er, zij het in Oost Europa, éénzelfde beleving van de gemeenschap onder Gods kinderen is tussen Prof. K. en ons, ook al kunnen wij ons het leven uit het geloof zonder de kinderdoop als teken en zegel van Gods beloften nauwelijks voorstellen. Maar wel dringt zich bij het lezen van dit uitvoerig interview de vraag op hoe onze broeders en zusters, die oog in oog staan met de vijandin hun verdrukking, zullen reageren wanneer zij, kennis nemen van de strijd in de vrijgemaakte kerken naar de beschrijving van J. Kamphuis.
Zelf heb ik de ervaring dat men in het buitenland ons verwonderd aanziet wanneer wij spreken over deze onverkwikkelijke zaak.
Zouden ervaringen in Oost Europa tot bezinning kunnen leiden?

Terug in Nederland
Bij het lezen van de gesprekken met Prof. Kamphuis ga je om geen onbillijk oordeel te vellen eerst op zoek naar punten van herkenning waar je naast elkaar staat. Gelukkig hoeven we daarvoor niet alleen naar Roemenië. Er zijn passages waarmee we van harte kunnen instemmen b.v. over de prediking en vertrouwelijke zaken op de kerkeraadsvergadering.
Met de professor ben ik van mening dat we bij de Chr. Geref. Kerken een te vrijblijvende houding aantreffen (zowel vóór als ná 1967); met zijn kritiek op de E.O. kan ik een heel eind meegaan, al neem ik de uitspraak dat de E.O. erger is dan de V.P.R.O. beslist niet over.
Verder verrast het mij op pag. 112 te lezen dat niet alles van de belijdenis en ook niet alles in de bijbel van hetzelfde gewicht is.
Dit geeft moed voor een eventuele samenspreking; in de zestiger jaren was een gesprek hierover niet mogelijk. Verder kan Prof. K., die wars is van "de Mystiek", erg gevoelig en onderhoudend schrijven, of beter, vertellen.
Wanneer je zoals schrijver dezes nauw betrokken bent geweest bij de meeste van de beschreven conflicten neem je dit geschrift met enige schroom ter hand.
Het is verre van aangenaam bij een kerkscheuring betrokken te zijn en al heb je die scheur niet gewild, je houdt aarzelingen en zelfverwijt. Ik dacht aan de versregel: "elkaar weerzien is moeilijker dan scheiden ..... ", maar dit eerlijke betoog heeft mij verder geholpen, De emoties van de jaren zestig zijn voorbij en als ik lees wat zich volgens J.K. heeft voltrokken en moest voltrekken, valt slechts vast te stellen dat er geen ontkomen aan was.
Eén en ander hoop ik nader aan te tonen.
Er is dus een zekere herkenningen affiniteit, maar ondanks alles wat we gemeen hebben, opent zich in dit interview een wereld waarin je jezelf hoogstens als vreemdeling, houthakker of waterputter kunt plaatsen.

De moeite met een open vizier
In het Ned. Dagblad werd ik op mijn vingers getikt vanwege het feit dat ik in een recensie in het Kerkblad voor Overijssel en Gelderland sprak over de schrijver, het moest zijn de geïnterviewde; ik hoop mijn leven te beteren.
De schrijvers hebben het de professor niet moeilijk gemaakt met hun vragen en soms is hij bladzijden achtereen alleen aan het woord. Ik mag aannemen dat de geïnterviewde de tekst onder ogen heeft gehad voordat het boek ter perse ging, zodat we hem op de inhoud kunnen aanspreken.
Voor het recht verstaan van een geschrift mag het karakter van het stuk niet uit het oog worden verloren. Een brieflaat zich b.v. anders lezen dan een studie of referaat.
Bij een interview wordt iemand gewoonlijk wat uitgehoord, soms uitgelokt en dan kan het voorkomen dat men zich in de vertrouwelijke sfeer uitspraken laat ontvallen, die beter binnenskamers hadden kunnen blijven.
Zo geeft Prof. Kamphuis in grote vrijmoedigheid zijn oordeel niet alleen over allerlei zaken maar ook over personen.
Het is dan de taak van de schrijvers om te waarschuwen wanneer er dingen gezegd worden die niet in de pers horen.
Het is mij goed dat Prof. K. zijn medestanders in de strijd prijst om hun trouw en bekwaamheid, maar wanneer zijn vermeende tegenstanders ter sprake komen verliest hij meermalen de controle en dit ontsiert het boek.
De aandachtige lezer zal dit niet ontgaan.
Eén ding moet mij hierbij van het hart.
Er zijn nogal wat broeders en zusters gewond uit de strijd gekomen in de zestiger jaren. Het is geen schande wanneer men tegen dit geweld niet helemaal opgewassen was. Het betekent niet dat zij gefrustreerd zijn; zo maakt men zich daar niet van af.
Wanneer Prof. Kamphuis voorts van mening is dat één van onze predikanten niet in de Ned. Geref. Kerken thuishoort gelieve hij te bedenken dat wij daar eigenlijk geen van allen thuis zijn.
Wij zijn twee maal uit ons kerkelijk huis gezet en hebben de verantwoording voor allen die met ons in de verstrooiing kwamen, voor het zendingswerk in Z. Afrika, voor de verzorging van emeriti enz. en zijn erg zuinig op elkaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief