Verantwoording
1987-09-18
bij de principiële uitspraak van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Eindhoven dat de toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten op bijbelse gronden in principe verantwoord en gewenst is.- Jaargang 31
- nummer 35
Gods Woord is norm en grondslag
Het Woord van God is voor ons allen normatief en vormt -de enige goede grond voor wat wij doen of laten.
Daarvan gaan allen uit en op die basis voeren we onze discussie.
Wat zegt de Schrift over het onderhavige geval?
Daarover lopen de meningen uiteen, zoals alle eeuwen door ook in veel andere gevallen. De protestante visie op en belijdenis inzake de kerk is totaal anders dan de rooms-katholieke.
Die laatste is aanwijsbaar geënt op het Romeinse Imperium en sterk oud-testamentisch getint, met priester, altaar, offer en hiërarchie. Allerwegen is (en wordt soms nog) de slavernij verdedigd met een beroep op de bijbel. Het nationalisme werd bij de de kolonisatie afgewezen met bijbelse argumenten. Toetreden tot de NAVO (c.q. de EEG) werd veroordeeld als het prijsgeven van een stuk (door God gegeven) eigen souvereiniteit.
Vervanging van de monarchie door een staatsvorm met een president heet (te) onbijbels. De onderworpenheid van de arme aan de rijke werd gewettigd met een beroep op Spr. 22:2. Ettelijke andere zaken zijn met een beroep op de bijbel verdedigd of verworpen, zoals de reformatie zelf.
Gods Heilsplan
Het komt er dus heel precies op aan, hoe de Heilige Schrift gelezen en in geding gebracht wordt. Daarbij scheppen de gebezigde talen (Hebreeuws, Aramees, Grieks) problemen, zo goed als het feit dat de bijbel is ontstaan in een veelheid van culturen - van Genesis tot en met Openbaring.
Met een beroep op de aartsvaders en o.m. Deut. 21: 15-17 (de wet op het eerstgeboorterecht) zou men polygamie kunnen verdedigen.
Op zendingsterreinen schept dit problemen tot op de huidige dag. Ondanks de zeer lange periode waarin de bijbel als afgerond geheel tot stand kwam, geloven we toch in de eenheid van de openbaring; zij is immers door God ingegeven (2 Tim. 3:16) en niet "voortgekomen uit de wil van een mens" (2 Petr. 1:21). Haar auteur is de Heilige Geest. In de Schrift spreekt God zelf tot ons. In de Schrift ontvouwt God zijn heilsplan en de verwerkelijking daarvan in de heilshistorie, de ontwikkeling daarvan loopt van het paradijs tot aan het nieuwe Jeruzalem, van het prille en kleine begin in de hof (tuin) van Eden tot de volmaakte ontplooiing in een stadsstaat. Centraal in de historie stelt (herstelt) God de mens (manlijk en vrouwelijk) als zijn beeld/representant (vertegenwoordiger op aarde).
Gods schepping van de mens
Het begin, het hoofd, de koploper, de eerste, de origine der mensheid is Adam. Via de naamgeving der dieren brengt God hem tot het inzicht dat alleen hij geen "zijnsgelijke" hulpe tegenover, geen "vlees van zijn vlees" naast, aan zijn zijde (Gen. 3:12) heeft. Als dat inzicht is ontstaan, schept God Adams noodzakelijke, onmisbare "wederhelft". Zo schiep God de mens als zijn beeld - manlijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Eerst zo kon de menselijke historie een aanvang nemen en eerst zo kon God zinvol zijn zegen geven: weest vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de hele aarde en onderwerpt haar, heerst over haar (Gen. 1:27-28). Het doet denken aan wat Paulus schrijft: "en toch, in den Here is evenmin de vrouw zonder de man (iets), als de man zonder de vrouw" (1 Cor. 11:11, N. Vert. voegde ten onrechte het woord 'iets' in).
Zondeval, breuk in de verhoudingen
Nergens wordt al bij de gave aanvang der mensheid gesproken over meer en minder over ongelijkheid in rang en positie, over ongelijkwaardigheid.
Noch bij het "weest vruchtbaar", noch bij het "onderwerpt (de aarde)", noch bij het "heerst over haar (de aarde)", wordt een (discriminerend) onderscheid of een grenzenstellende beperking aangebracht. Nergens blijkt hieruit, dat de vrouw geen leidinggevende positie mag innemen, of dat haar regeermacht wordt ontzegd, of dat de vrouw t.o.v. de man slechts een volgende, nederige houding dient aan te hemen. Eerst als gevolg van de zondeval is er sprake van ongelijke verhoudingen; de man gaat "heersen", zo voorzegt God (Gen. 3:16). Aan dit machtsmisbruik wordt gaandeweg paal en perk gesteld. in de heilshistorie (Ef. 5:25). De vloek der zonde wordt geleidelijk teruggedrongen daar waar het Woord van de Here zich laat horen en gehoor vindt. Daarnaast zijn plaatselijk en tijdelijk soms uitstralingseffecten waar te nemen in de omgeving, zoals in Europa het geval was. De genezing van de menselijke verhoudingen komt op gang en begint in de gemeente. Het herstel van de mens, geschapen als Gods beeld, manlijk en vrouwelijk, krijgt vorm vanuit de kleinste samenlevingsvorm: het gezin. In de verhouding vrouwman, kind-ouders (vader), slaaf-heer, (steeds wordt de overheerste partij het eerst genoemd) komt gaandeweg een heilzame sanering. De angel van het "heersen met alle geweld" wordt uitgetrokken en het elkander-ondergeschikt-zijn kan van daaruit gestalte gaan krijgen (Ef. 5:21-6:9). De wildgroei van patriarchaat en matriarchaat, van polygamie van de man èn van de vrouw moet en gaat wijken voor wat in den beginne was en wat weer wezen zal. Daarom mag ook de vrouw niet "gezag hebben over", zich aanmatigend opstellen tegenover de man. Het hier gebruikte Griekse woord komt maar eenmaal voor in het N.T.
Geleidelijk herstel (herschepping) van de verhoudingen
Intussen wordt de terugkeer van de gezonde verhoudingen (voortvloeiend uit de gezonde leer) niet met alle geweid opgelegd. Het "niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest" mag ook hier gelden. (Zach. 4:6) De Geest werkt "van binnen uit", vanuit het hart der mensen, door "wedergeboorte" uit het Woord, zodat het (over )heersen het veld ruimt voor de liefde. De verwezenlijking van het heil is (mede daardoor) getemporiseerd; het komt niet ineens helemaal, het komt "vertraagd" vanwege de scheefgegroeide cultuurpatronen, het gaat niet revolutionair in zijn werk. God gaat niet revolutionair, gewelddadig en overhaast te werk, al moet de overgang van de oude naar de nieuwe bedeling als "schokmoment" door de Joden ervaren zijn; een stroomversnelling, bij wijze van spreken; In het tijdvak van het Oude Testament is de positie en de waardering van de vrouw in Israël beter geregeld (zij is beter beschermd) dan in de omringende landen.
Maar de vrouw is dan nog uitgesloten van b.v. de priesterdienst (mede vanwege de excessen, zoals tempelprostitutie?). Dat is echter niet de eindfase. De beperkingen die "de wet van Mozes" oplegde m.b.t. de eredienst (cultus) worden opgeheven: in Christus is noch man noch vrouw (voorbeeld: ook meisjes ontvangen in de nieuwe bedeling het verbondsteken - de doop; Gal. 3:28). Door God zelf aangebrachte beperkingen (Gen. 17:10 v.) worden opgeheven; zo goed als de scheidsmuur tussen Israël en andere volken wordt afgebroken (Ef. 2:14).
Functie van "de wet" en de Heilige Geest
De uitwerking van Gods heilsplan is gefaseerd. Eerst komt "de wet" als tuchtmeester tot aan Christus (Gal. 3:24). Dan is het tijdperk van de Geest aangebroken. De aanvangen daarvan zien we in het N.T. Dat laatste is geen nieuw wetboek (en mag zo ook niet gehanteerd worden). Evenmin is het eindstation: het tijdvak van de Geest is dan nog maar net begonnen.
Weliswaar hebben alle heilsfeiten (op de wederkomst na) plaatsgehad, maar het NT gaat niet verder (kan ook niet verder gaan) dan de aanvang, het prille begin van Christus' gemeente in welke de belofte van God naar Joël 2:28-32 zich bezig is te realiseren (Hand. 2:17-21). Vanaf dat moment tot aan de wederkomst is de gemeente (geleid door de Geest) Gods "medearbeider", Gods instrument om het toegezegde heil ten volle te verwerkelijken - nu weer gehoorzaam, horend naar Gods woorden.
Zo had God het van de aanvang af gewild - zo herstelt Hij het weer gaandeweg.
Het gebod om volmaakt te zijn (Matt. 5:48) blijft, ook al blijven wij vaak onder de maat (Rom. 7:22, 23) en ook al ligt het niet in ons vermogen de hele wereld te herscheppen naar paradijsnormen.
Realisatie van het heilsplan
De uitwerking van Zijn heilsplan heeft Hij zelf, bij wijze van spreken, tijdgebonden, situatiebetrokken, cultuurgebonden, plaatsgebonden gemaakt.
Vandaar dat er geen absolute uniformiteit over de hele wereld is, in tegenstelling tot de R.K. wereldkerk.
Daar heeft de kerk tot op de huidige dag mee te maken; zij moet zich aanpassen aan tijd en situatie, om het heil zoveel en zover mogelijk te realiseren, het heil dat door Christus, in volle omvang is verworven. Dat wordt in feite al zichtbaar in alle evangelisatie en zendingswerk. En het spreekt ook mee in de eigen situatie: wat kan de gemeente, het kerkverband en de relatie met de zusterkerk dragen?
(wordt vervolgd)