Met open vizier (2)
1987-09-18
Beschrijving of vertekening van de geschiedenis?- Jaargang 31
- nummer 35
In het boek dat onder de titel "Met open vizier" is verschenen beogen de schrijvers niet alleen een biografie te geven van Prof. J. Kamphuis, maar gelijk een populaire geschiedbeschrijving van het kerkelijk leven dat uitvloeiselen uitbouw was van de Vrijmaking.
Er heeft zich in de vrijgemaakte kerken een merkwaardige ontwikkeling voltrokken in de loop der jaren, die heel wat mannen van "de eerste generatie" niet hebben kunnen meemaken. Het begon in de jaren 1944/45 met de strijd om het recht van de kerken om met een beroep op art. 31 van de D.K.O. zich niet te conformeren aan besluiten van een synode.
Het ging om de vrijheid van de kerken om bovenschriftuurlijke bindingen af te wijzen.
Na veertig jaren treffen we in de kerken die destijds een te nauwe binding oplegden een vrijheid t.a.v. schrift en belijdenis die de vraag oproept in hoeverre nog van gereformeerde kerken kan worden gesproken.
De vrijgemaakte kerken daarentegen hebben een straf bewind waarin men niet alleen gebonden is aan schrift en belijdenis maar ook aan alle mogelijke uitspraken van synoden. Heeft iemand bezwaren dan moet hij in appèl gaan of zijn mond houden.
Het kan verkeren
In deze ontwikkeling in de vrijgemaakte kerken heeft Prof. J. Kamphuis een belangrijk aandeel gehad, zodat het een goede greep was van de heren Bergwerff en De Vries deze professor aan het woord te laten.
Nu ben ik - gelukkig - niet bij alle zaken die in de interviews aan de orde komen betrokken geweest; maar toch voldoende om een paar critische noten te plaatsen.
Zo valt op pg. 92 te lezen dat de kerkeraad van Beverwijk indertijd in doleantie ging nadat de kerk van Haarlem, de classis en de P.S. van N.-Holland niet bewilligden in de schorsing van depredikant te B. Men krijgt zo de indruk dat het geduld van de broeders in B. wel erg lang op de proef is gesteld. ( Men ging echter in doleantie tegen het besluit van de classis. Haarlem, die goddeloze classis, zoals één van de broeders het tegenover mij uitdrukte op de eerste vergadering van de kerkeraad na de doleantie.
Verder vergist de professor zich wanneer hij verhaalt dat hij tot de gelovigen in Wormer en Koog-Zaandijk zei: geen stap verder met die kerkeraden. Het was niet de kerk van Wormer die ui sprak zich niet langer ter synode vertegenwoordigd te achten na: het wegzenden van een wettig afgevaardigde, maar de kerk van Wormerveer.
Over wat wel of niet in de Open Brief stond wil ik nu niet twisten, maar het valt me erg tegen dat Prof. K. zo'n éénzijdige tekening geeft van de strijd in de kerken.
Over de synode van Rotterdam-Delfshaven, die uiteen viel bij de behandeling van de zaak Groningen-Zuid, lees ik dat de professor het begin niet heeft meegemaakt, maar nauwelijks hersteld na een opname in het ziekenhuis ter vergadering kwam "en daar zagje de crisis naderbij komen rondom verschillende zaken". Ieder, die de synode van het begin aan heeft meegemaakt weet dat de verhoudingen in de persoonlijke omgang en in het gezamenlijk werk lange tijd bijzonder goed waren. Onder de milde leiding van wijlen ds J. Vink werd hard gewerkt om de vrede in de kerken te bewaren. Wat een inspanning heeft ds G. Janssen zich niet getroost met zijn commissie om verzoening in de kerk van Katwijk te bewerkstelligen.
Het is voorgekomen bij een ingrijpend besluit dat de praeses ds J. Vink een afgevaardigde die blijk gegeven had het erg moeilijk met de beslissing te hebben, apart nam en pastoraal toesprak en hem verzekerde dat hij het vertrouwen hield.
Ook herinner ik mij dat ds Vink bij mij kwam over een voorval dat hij niet begreep en vroeg kan jij, medewerker van Contact, mij dit uitleggen.
Ook in de commissie die de zaak Groningen-Zuid moest voorbereiden waren de verhoudingen uitstekend.
Ik vraag me nog steeds af hoe de broederlijke verhoudingen zó verstoord konden raken tijdens de debatten in deze zaak, die dagen-lang voortduurden, waarbij de beslissing viel met de kleinst-mogelijke meerderheid.
Uit het relaas van Prof. K. krijg je de indruk dat na de beslissing de tegenstemmers zo maar vertrokken omdat ze hun zin niet hadden gekregen. Wij worden "weglopers" genoemd, die lijfelijk(hoe kan het anders) verdwenen en slechts een telefoonnummer afgaven (de consistorie van Schiedam) waar in geheime samenkomsten ook hoogleraren aanwezig waren: Prof. K: weet uit 'geheime' vergaderingen meer dan ik b.v. over hoogleraren, terwijl ik tot de twaalf behoorde.
Nu zal ik niet beweren dat in de hoogspanning van die dagen onzerzijds geen, fouten zijn gemaakt, maar ik zal nooit vergeten dat we ter synode niet meer gelijk met de anderen mochten eten; dat ons het verblijf onder het "synodaal" dak door de praeses werd ontzegd en we op een gegeven moment op straat stonden te overleggen ten aanschouwen van inmiddels uitgerukte journalisten.
Nadat we besloten hadden terug te gaan en onze plaatsen ter synode hadden ingenomen zijn we -lijfelijk - de vergadering uitgeleid door de preases.
Als rapporteur van de minderheid van de commissie heb ik uitvoerige aantekeningen moeten maken en als ik het nu nog eens doorlees sta ik weer versteld van het verbaal geweld dat over de tegenstemmers is uitgestort en de ontreddering die er was. Zo konden we niet verder, er was een tijd van afkoeling en overleg nodig, maar de door Prof. K. zo geprezen praeses, die voor de stemming de vergadering onder druk had gezet, bekrachtigde aanstonds het met 14-13 genomen besluit met schriftlezing en gebed.
Er zou veel meer te zeggen zijn, maar als aanvulling op wat J.K. ons verhaalt is dit voorlopig voldoende.
U hebt gemerkt: we zijn niet meer in Roemenië ...