Met een krans op z’n grote blije hoofd

2011-03-18
  • Jaargang 55
  • nummer 6
De slag om Arnhem, zondag 17 september 1944. Om nooit te vergeten. Britse parachutisten landen midden tussen de Duitse troepen en houden een paar dagen stand in Oosterbeek. Mijn vader Bert Blokhuis is veertien jaar als hij een soldaat de melodie van ‘Abide with me’ hoort fluiten. Als tweedeklasser moet hij met zijn ouders mee, vluchten van de Schelmseweg.

Als Bert terug komt, is hij meteen vierdeklasser, in het gebouw van het Stedelijk Gymnasium. Duitsers respectievelijk Canadezen bezetten in de oorlogsjaren het Christelijk Lyceum aan de Utrechtsestraat. Bert is niet praktisch, hij heeft kleine handen.
Maar hij heeft een groot hoofd, doet examen in zes talen, en scoort voor de vakken algemene en vaderlandse geschiedenis een 9 en 10 op zijn eindlijst.
Hij heeft daar hard voor geleerd, maar is bovendien gezegend met een fenomenaal geheugen.

Studentenleven
In huize Blokhuis overleven twee Joodse onderduikers de oorlog.
Nieuwsgierig naar de diepere motieven van Jodenhaat besluit Bert theologie te gaan studeren in Kampen.
Onderwijs geven zit hem van vaders kant sowieso in het bloed. Het is 1948, het jaar waarin de staat Israël wordt gesticht. De sfeer aan Broederweg is dan nog broederlijk. Het studentenleven is Bert op het lijf geschreven. Hij is een gangmaker.
Als Bert binnenkomt is de kamer vol. Het is moeilijk om een foto van hem te vinden, waarop hij met zijn mond dicht staat. Hij heeft ogen die niets willen missen. Samen met zijn vriend Harry Ohmann, de latere hoogleraar Oude Testament, richt hij het dispuut Voetius op. Ook vervult hij verschillende functies in de senaat van Fides Quadrat Intelllectum: van lictor via vaandrig tot abactis (secretaris). In de periode waarin Bert als abactis functioneert (1952), sterven kort na elkaar de professoren K. Schilder en B. Holwerda – een enorme klap voor de studenten en voor de vrijgemaakte kerken. Andere prominente hoogleraren zijn H.J. Jager en C. Veenhof. Van de laatste leert Bert preken.

Olijfscheuten
Het gros van de tentamens wordt behaald na de collegejaren en in 1956 kan Bert bevestigd worden in het ambt. Samen met Pia Eland uit Kampen betrekt hij de immense pastorie in het Brabantse Zevenbergen. Vanaf zijn bevestiging kun je Bert uittekenen met een boek en een pijp. Gedurende 55 jaren zal hij met hetzelfde liniaaltje streepjes zetten in vrijwel al zijn boeken. Pia zal al die jaren een onmisbare prachtvrouw voor hem zijn, die zijn onhandigheid compenseert, zijn onhebbelijkheden verdraagt en hem roemt om zijn gaven.
De trouwtekst (Psalm 128) blijkt profetisch gekozen: ‘Je vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok, je zonen als olijfscheuten rondom je dis. De Heer zegene je uit Sion, opdat je het goede van Jeruzalem mag zien.
Vrede zij over Israel’.

Nooit, nooit
Na zes Brabantse jaren verhuist het gezin naar Zuidhorn, waar pa met overtuiging een dynamische gemeente gaat dienen. Omdat er grote onrust komt in de buurgemeente van Groningen, moet hij hier helaas na vier jaren van toenemende (over)spanning vertrekken. Zijn studie Akkadisch bij professor Lettinga moet hij dan ook staken. De scheur trekt niet alleen door de kerken, maar ook door zijn ziel. Later komt er enige balsem, bijvoorbeeld als hij afscheid moet nemen van z’n stervende vriend Ohmann, die zegt: ‘We hadden het nooit, nooit, nooit zover mogen laten komen.’

Nevenactiviteiten
Naast zijn oudere bondgenoot Jan Goris kan hij zes jaar lang ongestoord werken in de grote dorpskerk van Wezep. Daar worden ook de laatste twee van maarliefst acht kinderen geboren.
Er komt een rijbewijs en er volgen trips en vakanties en pa maakt zijn kinderen enthousiast voor Duitsland, kerken en… stoomtreinen. Hij geniet en vertelt honderduit.

In 1973 doet de gemeente van Schiedam een beroep op hem, nadat ds. C. Vonk daar veertig jaar gewerkt heeft.
Schiedam haalt het beste uit mijn vader. Er volgen prachtige jaren voor zijn gezin en hij ontplooit in deze periode ook stevige nevenactiviteiten op het gebied van onderwijs en politiek; hij is betrokken bij de oprichting van de RPF, de EH en het Nederlands Gereformeerd Seminarie, waar hij meer dan dertig jaar kerkgeschiedenis doceert.

Man van minderheden
Pa koppelt zijn kennis van zaken aan een ongeremd enthousiasme. Ook als je het niet met hem eens bent, krijg je maar moeilijk ruzie met hem. Wel is het zijn beleving, dat hij meestal in de hoek zit waar de klappen vallen. Bij de minderheid die de ware kerk moet verlaten. Bij de minderheid die meer in dan óver de Bijbel wil lezen en daarom begint aan die eigen predikantenopleiding.
Bij een minderheid die nog toekomst voor Israel ziet en zelfs chiliastisch denkt.
Vanaf zijn Schiedamse jaren bezoekt pa veelvuldig het heilige land en gelooft hij met Paulus in de onberouwelijkheid van Gods beloften, waarvan hij in veel preken en toespraken getuigenis aflegt. Verbondsmatig preken is voor pa vanzelfsprekend ook en eerst - in seriepreken (Jesaja, Ezechiël) - ingaan op Gods beloften aan Israël.

Na de tropenjaren in Schiedam hoopt hij het iets rustiger aan te kunnen doen in het Veluwse Wapenveld, hoewel hij daar nog altijd veel en grote groepen catechisanten les geeft. In 1993 is zijn veerkracht op en gaat hij tot zijn spijt kort voor zijn 65e met emeritaat. Nog vele jaren onderwijst hij de jeugd van de kerk, de studenten van het Seminarie, en geïnteresseerden uit de wijde omtrek in zijn eigen leerhuis.

Hartstochtelijk
In 2006 wordt pa geridderd. Er zijn dan al ingrijpende lichamelijke problemen.
Hij krijgt nog een behoorlijke toegift, maar in maart 2011 voelt hij zijn einde naderen en roept hij zijn kinderen bij zich.
Hij noemt 2 Timoteüs 4 als z’n tekst: ‘Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht.
Ik heb het geloof behouden. Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad.’ Deze onderscheiding is zo prachtig en genadig. Pa heeft gestreden, met alles wat hij had, vaak ook tegen alles wat hij had. Hij was vriendelijk, mild en meestal heel blijmoedig, maar we hebben ook zijn felheid en scherpte gezien, zijn luidruchtige en opzichtige zondigen soms. Zijn hartstochtelijke geloof onderbrak hij een enkele keer met de opmerking: ‘Het kleine beetje geloof dat je nog hebt, zou je erbij verliezen.’ Maar hij had de verschijning van zijn Heer lief en hij heeft velen daar enthousiast voor gemaakt. Hij streed de strijd niet altijd goed, maar ’t was de goede strijd. En daarom zal zijn Heer, geloven wij, tegen hem zeggen: ‘Welgedaan Bert, trouwe dienaar van Mij. Ik verklaar jou rechtvaardig.’ En dan die krans op z’n grote blije hoofd.

Ds. Fred Blokhuis is zoon van Bert en Pia Blokhuis en predikant van de NGK Nieuwegein.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief