Verantwoording (2)

1987-09-25
  • Jaargang 31
  • nummer 36
bij de principiële uitspraak van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Eindhoven dat de toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten op bijbelse gronden in principe verantwoord en gewenst is.

Voortgang van het heil
Wij kennen goede regels om de Schrift te gebruiken. Een daarvan is: Schrift met Schrift vergelijken. Maar dat houdt niet in: de geschiedenis van het heil negeren. Het eerste bijbelboek Genesis leert ons dat al. Steeds weer staat daar: "dit is de geschiedenis van ... ". Een woord dat aangeeft waar het mee begon en waar het op uitliep. Je zou kunnen zeggen: de ontwikkeling, de ontplooiing. Er zit vooruitgang in de ontplooiing van het heil. God sluit een verbond met Israël.
Maar dat (oude) verbond blijkt vervangen te gaan worden door een nieuw en beter (Jer. 31 :31-34). En dat vanwege de onvolkomenheid van de situatie onder het oude verbond (Hebr. 8:6-13). Het is verouderd en verjaard, Heel de oud-testamentische eredienst rond de tabernakel en de tempel is slechts "dienst bij een afbeelding en een schaduw van het hemelse" (Hebr. 8:8; vgl. Joh. 1: 17).
Immers de wet heeft slechts een schaduw der toekomstige goederen, niet de gestalte van de goederen zelf." (Hebr. 10: 1). De ark van het verbond is niet minder dan Gods troon; toch kan zij overbodig worden (Jer. 3:16-17) zo goed als heel de tempel. Het opschrift boven de decaloog, de tien woorden, lijkt onaantastbaar. Toch kan het nog beter (Jer. 16: 14-15); vgl. Joh. 8:36). Aan Israël werd opgedragen offers te brengen, maar toch lezen we: "in slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen... brandoffer en zondoffer hebt gij niet gevraagd ... ".
(Ps. 40:7-9, Hebr. 10:5-8, vlg. Micha 6:8). Jozua bracht Israël in het beloofde land en toch was de inhoud der belofte daarmee niet voldragen (Hebr. 4:8-10). Heel het O.T. draagt het karakter van voortgaande ontplooiing en staat in het perspectief van wat komen gaat.

Het Nieuwe Verbond
Tegelijk is ook het Oude Testament geen wetboek in de zin van "wet van Meden en Perzen". Dat blijkt bv. uit de verruiming van het erfrecht op verzoek van Zelafeads dochters (Num. 27:1-11; Num. 36) maar ook uit het feit dat David met zijn mannen de toonbroden at, tegen het verbod in (1 Sam. 21:1-6; Lev. 24:1-9). Jezus beroept zich er zelfs op (Mat. 12: 3-8). Hij zegt zelf: "Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen" (Mat. 5: 17). Toch houdt Hij melaatsen niet op een afstand, maar raakt hen zelfs aan (Mat. 8:3).
Zelfs de viering van het Pascha t.t.v. Hizkia vond niet plaats op de tijd en wijze zoals God bevolen had (2 Kron. 30).
Niet voor niets schrijft Paulus dat hij een dienaar is "van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt. maar de Geest maakt levend" (2 Cor. 3:6). Zoveel staat er op het spel!

De Heilige Geest voor allen
Het was niet Gods bedoeling,dat "de bediening des doods" (2 Cor. 3:7) blijvend zou zijn. Het was niet meer dan een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van het heil. Met de komst en het werk van Christus komt Gods heil tot voller ontplooiing (Gal. 3:23-29). Tot dat werk behoort ook de uitstorting van de Heilige Geest "op alle vlees", reeds aangekondigd door Joël en feit geworden op de Pinksterdag.
Daarna blijkt dat dat "alle vlees" niet alleen slaat op Israël maar ook op de heidenvolkeren. Het stadium is voorbij, dat slechts enkelen de Geest ontvingen (Num. 11:29). Beperkingen naar volk, geslacht, leeftijd en maatschappelijke positie zijn verleden tijd (Hand. 2:17-18). Zo was het Gods bedoeling.

Het voortgaand werk van de Heilige Geest
De Heilige Geest dringt de kerk naar de volle ontplooiing van het heil in Christus. Hij dwingt niet koste wat het kost. Hij werkt langs de lijnen van geleidelijkheid. Paulus weet dat de tempel zijn tijd heeft uitgediend en dat de muur tussen Joden en niet-Joden is weggebroken (Ef. 2:14). Toch past hij er wel voor op, Grieken in de tempel te brengen (Hand. 21:27-30). Hij gaat zelfs mee in de onderhouding van de wet (Hand. 21:18-26) wanneer dat nodig is. Het einddoel is in zicht.
Maar hij weet van geen wijken wanneer de kern van het evangelie in het geding is, (Gal. 2: 11-14) en. verzet zich dan openlijk tegen Petrus. Hij laat ruimte voor de "zwakke in het geloof' (Rom. 14:1-12). Maar evengoed dringt hij de gemeente in de richting van de nieuwe vrijheid (Col. 2.:16-17; Gal. 4:10).
Door God zelf ingestelde feesten krijgen een nieuwe inhoud: Paas- en Pinksterfeest. De besnijdenis van alleen jongens gaat ongemerkt (maar zie Hand. 21 :21 !) over in de doop van jongens en meisjes. Toch benijdt Paulus Timotheüs terwille van de Joden: de voortgang van het evangelie kon anders in gevaar komen (Hand. 16: 1-3). Maar Titus wordt weer niet besneden (Gal. 2:3-4). De sabbat, door velen gezien als een scheppingsordinantie, maakt plaats voor de Zondag; de Geest drukt ook hierop zijn stempel.
Ook in het N. T. worden tijdelijke voorzieningen voor de kerk getroffen, die in het toenmalige kader functioneel waren. Denk maar aan: "het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij" (Hand. 15:28-29; 21:25).
Ook hier dus in feite een beroep op wat "de wet zegt" (1 Cor. 14:34). De wet, d.w.z. de thora of het hele Oude Testament.
Wat Paulus schrijft over de positie van de vrouw, hangt in beide gevallen samen met de (hoofd)tooi der vrouw, gemeten naar de toenmalige cultuur (1 Cor. 11:2-16; 1 Tim. 2:9-15).
Evenzo bij Petrus (1 Petr. 3:3).
Terecht zijn Christenen bang om de Heilige Schrift aan de kant te schuiven (zoals de geestdrijvers en de extremisten onder de wederdopers deden - en zij niet alleen): het modernisme is van alle eeuwen! Maar wie het N.T. hanteert als een nieuw wetboek met onveranderlijke voorschriften, heeft geen oog voor het voortgaand werk van de Geest. Nog zijn er christenen die eisen dat een vrouw niet "met ongedekten hoofde" ter kerke gaat, noch haar haar laat knippen (1 Cor. 11:6). Dat is een willekeurig gebruik van het evangelie, want zij. zijn het wel eens met de afschaffing van de slavernij (ondanks Ef. 6:5 v; 1 Petr. 2:18 v). Moet men jonge weduwen ook nu nog verplichten te huwen en kinderen te krijgen (1 Tim. 5: 14)? Is een man verplicht zijn haar kort te dragen (1 Cor. 11:14)?
En moét een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen (Mt. 19:5; Gen. 2:24)? Ook hier vragen we toch naar achtergrond en bedoeling?
Enerzijds moet de kerk zich wachten voor biblicisme ("een beroep op de Schrift op de klank af") en fundamentalisme ("een hechten aan oude voorstellingen, zonder rapport d.i. zonder enig verband te leggen met de tijd, waarin deze zijn ontstaan").
Anderzijds moet zij zich hoeden voor modernisme: de Schrift naar believen aanpassen aan en vervormen naar eigen ideeën.
Die gevaren ontloopt de kerk alleen, als zij oog heeft voor de geleidelijke ontwikkeling - de hele bijbel door van het door God beoogde heil. Dat zal eerst bij de wederkomst ten volle openbaar worden, ook op het punt van de verhouding man/vrouw (Luc . 20:34-36).
Anders gezegd: de verhoudingen zoals beschreven in het N. T. zijn geen eindpunt. Wij zijn onderweg, op: weg naar de volmaaktheid. En wij staan nu in de vrijheid die Christus ons geschonken heeft (Gal. 5: 1-13).
Het leven kan opnieuw beginnen.

Zicht op de toekomst: vervulling van Gods heilsplan
voor allen
De periode van het Oude Testament (Gods verbond met Israël) is het laatste ontwikkelingsstadium voorafgaande aan de volle ontplooiing van Gods heilsplan onder het Nieuwe Testament (=verbond). Maar door dat oude heen schemerde reeds de structuur van het nieuwe. Het zaad (nageslacht) der vrouw zal de slang (satan) de kop vermorzelen (Gen.
3: 15). Gods heil blijft niet beperkt tot het zaad (nageslacht) van Abraham-Israël dus. Nee, "met u (Abraham) zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden" (Gen 12:3).
De dreiging van de vloek over de man en vrouw (Gen. 3:16-19) neemt gaandeweg af - zelfs de doodsdreiging: hier en daar vangt Israël een glimp op van het levenna dit leven, van een opstanding uit de doden.
Weliswaar zijn het veelal mannen, die door God tot een dienst worden geroepen. Maar de vrouwen worden niet categorisch en onverbiddelijk gepasseerd.
De Geest van God rust aanvankelijk op enkelen, opdat zij bekwaam zijn voor hun speciale taak.
Maar Joël mag profeteren dat Mozes' vrome wens en verzuchting verwerkelijkt gaat worden: Gods Geest zal op allen (!) uitgestort worden. Uitgestort als de zegen van de regen op een dorstig land: het leven keert weer, in volle glorie. Zo had God het van meet af aan gewild. En daarvoor is Jezus, de Christus, de Gezalfde bij uitstek, gekomen. Met Zijn kruisdood nam Hij de vloek weg en ontsloot Hij de weg naar het volle heil en het eeuwige leven. Door Zijn lijden en sterven verleende Hij volle rechtsgeldigheid aan het nieuwe verbond. Na Zijn hemelvaart en plaatsneming aan Gods rechterhand gaat Hij dan ook Gods heilsplan tot volle ontplooiing brengen.
Hij vervult Joëls profetie en stort de Geest uit op "alle vlees", zonder beperkingen naar volk, geslacht, leeftijd en maatschappelijke positie.
Ook vrouwen delen volop in het heil, zijn mede-erfgenamen van de genade des levens (1 Petr. 3:7). Jezus laat zich door vrouwen dienen tijdens Zijn aardse leven. Hij geeft vrouwen de boodschap van Zijn opstanding mee; zij verkondigen uit Jezus' naam het evangelie aan de discipelen (Luc. 24: 1-10). En in het tijdvak, beschreven in het N. T. worden vrouwen dan ook geroepen tot allerhande diensten en gesierd met vele charisma's, Geestesgaven.

Herstel van de verhoudingen vertraagd
In het O.T. doemden de contouren van het N.T. reeds op. De eerste aanvangen daarvan binnen het tijdsverloop van het N.T. staan beschreven en zijn geschied. Waarom heeft deze heilzame ontwikkeling zich niet doorgezet - met name als het gaat om de geordende diensten van de vrouw?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief