Geloven we het wel? (2)
1987-09-25
Samenvatting van de lezing over kerk verlating op de predikantenconferentie in Ermelo op 14 mei 1987.- Jaargang 31
- nummer 36
Vaak gaan ouders en andere opvoeders ervan uit dat de puberteit het cruciale moment is binnen de geloofsopvoeding: dan gaat het kind in God geloven, of het laat het geloof los.
Er valt echter op deze gedachte nogal wat af te dingen. In onze tijd is kerkverlating allang niet meer gekoppeld aan een bepaalde leeftijdsfase. Aan de ene kant verlaten soms leden van veertig, vijftig, zestig jaar geruisloos de kerk. Aan de andere kant kunnen de wortels van de kerkverlating soms al op veeljongere leeftijd worden teruggevonden.
In dit gedeelte richt zich de aandacht op jonge kinderen:
Fundamenteel vertrouwen
De basis van de geloofsoverdracht wordt al heel vroeg gelegd: eigenlijk al voordat het kind - zoals het doopformulier zegt - 'tot zijn verstand gekomen is'.
We kunnen dan nog niet zeggen dat we het kind 'naar ons vermogen onderwijzen', want dat begrip gaat uit van het overdragen van een leer; daar zijn babi es uiteraard nog niet ontvankelijk voor. Wat we wèl kunnen zeggen is dat het kind in deze periode zijn vertrouwen in de omgeving ontwikkeld. Als het kind ervaart dat zijn ouders van hem houden, dat het bij hen welkom is, erváárt wat veiligheid en geborgenheid betekenen, dan vormt dat het positieve fundament voor de verdere emotionele ontwikkeling.
De in de Verenigde Staten wonende joodse psychiater Erik Erikson heeft dit fundamentele vertrouwen ('basic trust') aan de basis gelegd van zijn theorie over de ontwikkeling van de persoonlijkheid (1).
Wanneer we dit fundamentele vertrouwen als basis nemen voor de geloofsopvoeding, bestaat dan niet het gevaar dat we het geloof reduceren tot een psychologisch begrip? Binnen de psychologische theorievorming is dat inderdaad herhaaldelijk gebeurd. Toch benaderen geloven en vertrouwen elkaar heel dicht, ze zijn in feite onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bruce Narramore, een christen-psychotherapeut uit de Verenigde Staten merkt op dat het voor kinderen die in hun vroege jeugd positieve ervaringen hebben moeten missen, moeilijk kan zijn om een positief beeld van God op te bouwen. Dat beeld bestaat nogal eens meer uit feitenkennis dan uit de ervaring dat God van hen houdt (2).
Verder merkt Narramore het volgende op: "Door het instellen van het gezin heeft God ons een zichtbaar voorbeeld gegeven van de relatie waarin Hij met ons staat. Door het gezin leren wij op een tastbare en rechtstreekse manier iets over Hemzelf. Kinderen hebben ervaring nodig met ouders van vlees en bloed om hen te helpen de geestelijke waarheid te begrijpen dat God onze hemelse Vader is" (blz. 28).
Wederzijds vertrouwen
Het gaat echter in de opvoeding niet alleen om vertrouwen, maar ook om wederzijds vertrouwen. Ouders moeten vertrouwen hèbben, kinderen moeten vertrouwen krijgen, ontwikkelen.
Wanneer we recente statistieken onder ogen krijgen over 'kerkverlating' is het gevaar groot dat we krampachtig gaan reageren; de toekomst is immers - afgaande op die cijfers - somber gekleurd.
Zoals je met een peuter op de stoep loopt, er heel dichtbij, want ieder moment kan hij de straat op lopen.
Maar angst is een slechte raadgever binnen de opvoeding. Daar waar angst de basis voor regels vormt, is er nauwelijks ruimte voor kreativiteit, voor spontaniteit.
Eén van de basisregels voor de opvoeding is: laat angst niet de drijfveer zijn binnen die opvoeding, maar vertrouwen; vertrouwen in de groeikracht van het kind, maar vooral vertrouwen in God; het kind is bij de doop aan Hem opgedragen. God vult Zèlf onze gebrekkige opvoedingsmiddelen aan. Dat ontneemt opvoeders niet hun verantwoordelijkheid, maar geeft wel ruimte voor een ontspannen, groeibevorderende houding.
Kritieke perioden
De ontwikkeling van kinderen kent 'kritieke perioden': perioden waarin het kind bijzonder gevoelig is om iets aan te leren. Bekend zijn o.a. de zindelijkheidstraining en het leren spreken.
De jonge kinderleeftijd is ook zo'n kritieke periode voor de opvoeding in het geloof. Op die leeftijd is het kind bijzonder ontvankelijk voor de betekenis van het vertrouwen, de veiligheid, het geleid worden, kortom: voor de basis van het geloof. Dat kinderlijke geloof kan later - als het kind een volwassene geworden is - nóg van grote betekenis zijn. Niet slechts als een nostalgische herinnering (dat komt ook voor), maar als een ge zonde basis voor het volwassen geloofsleven.
Kinderlijk geloofsleven
Er wordt nogal eens smalend gedaan over het kinderlijke geloofsleven. Het wordt gemakkelijk vereenzelvigd met een primitief geloof, of een geloof in Sinterklaas of in sprookjes.
Vanuit die gedachte bezien hebben volwassenen dan de neiging om kinderen hun kinderlijk geloof zo snel mogelijk weer af te leren.
Vanuit principiëel oogpunt is er door de reformatorische kerken terecht bezwaar gemaakt tegen vertellingen (o.a.
binnen het onderwijs) waarbij de feitelijke betekenis van de bijbelse geschiedenissen sterk gerelativeerd werd. Men kan echter ook vanuit een pedagogische gezichtshoek veel vragen stellen bij deze wijze van verkondiging; het is helemaal niet zo 'kind-vriendelijk' als wel eens wordt gesuggereerd. "Een kind kan authentiek geloven op gezag van zijn ouders, en zo als deel van hen ook een geloofsgeborgenheid kennen, die echt is omdat ze bij het stadium van zijn ontwikkeling past. De rauwe problemen van het leven en ook van zijn geloofzijn vaak nog voor hem verborgen en ze mogen in elk geval voor het kind worden toegedekt" (Dr S. J. Ridderbos; 3, blz. 49 en 50).
Wanneer de bijbelse geschiedenissen al heel vroeg worden 'ingekleurd' door allerlei maatschappelijke problemen wordt zelfs de bijbelvertelling al ontdaan van de voor ieder kind noodzakelijke basisveiligheid. De vroegkinderlijke vertellingen uit de bijbel vormen dan geen veilige basis meer, waar op teruggevallen kan worden. Het emotionele houvast aan die bijbelvertellingen wordt het kind daarmee ontnomen, en het is niet denkbeeldig dat daardoor later de kans op kerkverlating wordt vergroot.
Angst of hoop?
Het is niet alleen de moderne Schriftkritiek die het kind de veilige geloofsbasis kan ontnemen. Ook binnen de 'reformatorische kerken' bestaat dit gevaar.
In een tijd waarin we zelf het idee kunnen hebben 'dat alles maar achteruit gaat' is de kans niet denkbeeldig dat we kinderen daarmee teveel gaan belasten.
"Vroeger was alles beter, alles gaat toch achteruit". Als dergelijke opmerkingen min of meer karakteristiek worden binnen de sfeer van het gezin of de kerk wordt kinderen de hoop, het perspektief op hun eigen toekomst in deze wereld ontnomen. Ook werden en worden er kinderen opgevoed in een sfeer waarbij de angst voor straf een grotere invloed heeft op het gedrag van het kind, dan veiligheid en geborgenheid. In de sfeer van: "Denk erom, God ziet alles!" wordt God dan een boeman die het óók ziet wanneer er uit de suikerpot gesnoept wordt. God mag nooit een hulpmiddel worden bij de pedagogische onmacht van ouders! Wanneer de angst voor straf het denken van kinderen gaat beheersen kan het het later zelfs als een bevrijding gaan ervaren wanneer het geloof wordt losgelaten ... (vgl. Langeveld, 4, hoofdstuk 7).
Literatuur:
(1) Erik H. Erikson: Identiteit, jeugd en crisis (Aula Pocket (972)
(2) Bruce Narramore: Opvoeden - een opgave (Medema, Vaassen; Telos Reeks, (983)
(3) Dr. S. J. Ridderbos: Het lege midden (Ten Have, Baarn, (977)
(4) Prof. Dr M. J. Langeveld: Kind en religie (Bijleveld, Utrecht, (966)