Kerk en kroeg
2011-04-01
In verschillende bladen, waaronder het Nederlands Dagblad (21 februari), heeft een artikel gestaan over de ‘kroegkerk’ van ds. Gerard Vrooland, in Sliedrecht. Eens per maand, op zondagmorgen, houdt hij daar een preek, te midden van de stamgasten van het café. Onder het zingen mag er gewoon getapt worden.- Jaargang 55
- nummer 7
In De Wekker van 4 maart schrijft Miranda Renkema over de reacties op dit initiatief. Haar is iets opgevallen: in de seculiere pers is vooral positief gereageerd: ‘Wat mooi dat een dominee het café ingaat en de gewone mensen opzoekt’, maar in de christelijke pers klonken veel negatiever geluiden: ‘De verkondiging van het evangelie moet kennelijk aangepast worden aan menselijke bedenksels’.
Die laatste reacties hebben mevrouw Renkema pijn gedaan. Om meerdere redenen:
Ten eerste. Vanaf een afstand is het makkelijk oordelen. Soms is het echter goed de achtergrond te kennen. Het idee van kerkdiensten in een kroeg is namelijk niet zomaar een wild idee van iemand die eens wat geks wilde doen of graag de pers wilde halen. Al zo’n 20 jaar geleden is deze dominee als gemeentepredikant van een oer-degelijke Nederlands Gereformeerde Kerk in het oosten van het land begonnen met ieder weekend ‘s nachts de cafés in te gaan om met mensen over het evangelie te spreken. () Steeds meer kwam de nood van de mensen op straat op hem af en uiteindelijk heeft hij in 2009 de overstap gemaakt van gemeentepredikant naar ‘straatpastor’. Kortom: de ontwikkeling naar de straat was er niet zomaar één van een aardig idee op een zomernamiddag.
(Aardig detail: 20 jaar geleden was mevrouw Renkema zelf catechisant van ds. Vrooland. Ze weet dus waar ze het over heeft.) De tweede reden om geen goedkope kritiek te uiten:
Het plan om de straat op te gaan is uit nood geboren. Uit een nood die de kerken aangaat. Gevraagd naar de reden om van gemeentepredikant straatpastor te worden zei Vrooland in een interview voor de EO-radio: ‘Toen ik die mensen in de cafés sprak merkte ik: de kerk heeft hier echt een steek laten liggen; dominees voor de kerken zijn er, maar deze mensen hebben geen dominee.
Elke kerk weet wel min of meer dat we bedoeld zijn voor de wereld, maar de stap er naar toe is moeilijk.
Veel kerken worstelen daarmee, er worden laagdrempelige diensten gehouden of men start een Alphacursus, maar de aansluiting daarna met de gemeente blijft moeilijk, het is een voortdurend zoeken naar: hoe moeten wij er voor de wereld zijn?’ En dat is inderdaad de worsteling waar veel gemeenten in staan. Een worsteling die ook verdriet geeft, want als je er werkelijk op uit bent anderen te ontmoeten, kom je er achter dat een directe omgang toch heel moeilijk is, en bovendien dat er ‘op straat’ heel veel blokkades zijn naar de kerk. Tegelijk blijkt dat het uit liefde met mensen omgaan en spreken over Christus wel veel bij mensen losmaakt en dat mensen die beslist niet naar een kerk willen, soms wel openstaan voor het horen over Hem en zelfs een gemeenschap rondom de Here Jezus willen vormen.
En wat doe je dan? () Nu kun je van alles zeggen van het opkomen van dit soort gemeenschappen, maar duidelijk is dat ze op één of andere manier inspelen op een nood waarin de kerkelijke gemeentes niet (kunnen?) voorzien, en dat ze mensen bereiken die de kerkelijke gemeentes niet (kunnen?) bereiken. En duidelijk is dat de liefde van de Here Jezus er centraal staat.
En dat is dan direct de derde en voornaamste reden om voorzichtig te zijn met een al te makkelijk oordeel over het opzoeken van mensen in de kroeg.
Want, was dat nou niet precies wat de Here Jezus Zelf deed? Mensen opzoeken waarvan de Farizeeën en Schriftgeleerden zeiden: hoe kan Hij daar nou mee omgaan? De tollenaars, de zondaars?
Hij at met hen. Dat wil zeggen: Hij ging gemeenschap met hen aan, ging naast hen staan. Hij zocht Zacheüs op in zijn boom, Hij at in het huis van Levi ‘met vele tollenaars en zondaars’, Hij wachtte de Samaritaanse vrouw op bij de waterput. En Hij kreeg hetzelfde verwijt: hoe kunt U dat nou doen? Maar zijn antwoord was even radicaal als helder: ‘Gaat heen en leert wat het betekent: barmhartigheid wil ik en geen offerande, want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars’ (Math. 9:13). En bij een andere gelegenheid dat dat verwijt klonk: ‘Wie van U, die honderd schapen heeft en er één verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt?’ (Luc. 15:4).
Zo is onze Heiland! Zouden wij niet in zijn voetspoor gaan? Eerlijk gezegd maakt deze vraag mij wel onrustig: wanneer heb ik voor het laatst gegeten met een ‘zondaar of tollenaar’? Hoe lang is het geleden dat ik iemand heb opgezocht op een andere plek dan waar het voor mij als kerkmens comfortabel en veilig is?
Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.