Pastorale notities
1987-10-23
In ons blad van 9 oktober stond zo 'n mooi citaat uit" Wie zei dat ... " van K. van Baardewijk. Ik bedoel dat stukje over de jongen die 'opa' zei tegen een vreemde meneer en daarop zo 'n waardig antwoord kreeg.- Jaargang 31
- nummer 40
Het kwam mij zo goed van pas want ik liep er over te denken, iets te schrijven over de bejegening van oude mensen.
Ik wil vertellen hoe ik daar zo toe kwam.
In onze vakantie op Rhodos zaten wij op een terrasje wat te eten. Aan een tafeltje vlak bij ons ging een groepje van vier mensen zitten. Drie veertigers, schatte ik zo en een oude man, die vast wel tegen de tachtig liep.
Hoewel de zon allang onder was droeg hij een felgekleurde zonnepet met een enorme klep met een opdruk, daarbij een sweater, die zeer deed aan je ogen, eveneens met opdruk, waarvan ik de tekst kwijt ben en tenslotte een paar afgetrapte gymschoenen. Aan zijn humeur deed dit alles geen afbreuk. HÜ was niet meer zo goed ter been en werd door de anderen op een wat opzichtige wijze geholpen. Een beetje ontluisterend, vond ik.
Wie oud wordt kan een fase doormaken waarin alle gevoel voor decorum hem verlaat. Dr Rijsdorp schreef in zijn boek "Laatste gedachten ": "Het is menselijk dat men graag een goede indruk maakt en zich voor die indruk interesseert.
Die behoefte is bij mij sterk verminderd."
De schrijver merkte dat bij zichzelf nog op, maar ook dat besef kan men verliezen. Wat een zegen als er dan om ons heen een paar mensen zijn, die over onze waardigheid waken en ons tegen ontluistering beschermen.
Wat troostend is de eerbied die de ouder wordende mens vanuit de bijbel ontvangt. Ik denk aan dat mooie hoofdstuk 12 van het boek Prediker. Dat gaat voor een groot deel over oud worden en sterven. Het is bijna helemaal een allegorie met dichterlijke beelden. Wanneer je de beelden bijeen voegt zie je een paleis, helemaal compleet met de mensen die er bij horen: sterke mannen (de armen) wachters (de benen), jonkvrouwen die uit de vensters kijken (de ogen), maalsters (de tanden). Het paleis is in verval, maar de eerbiedwaardigheid is gebleven. Het is eerder voorwerp van
bewondering dan van bespotting en gegrinnik. Het past allemaal zo mooi bij dat woord uit Spreuken 17:6 "De eer der kinderen zijn hun ouders". Aan het tafeltje vlak bij was die avond niets daarvan te merken. Geen enkele keer zag ik er één een beetje trots naar de oude heer kijken. Dat kon ook moeilijk met die pet en die sweater en die gymschoenen. Ze hadden alleen maar lol om hem, vooral als opa met een kenmerkend gebaar met duim en wijsvinger getuigde van zijn soort dorst. Gelukkig voor hem had hij zelf niet meer door dat hij voornamelijk de risee van het gezelschap was. Ik moest ook nog denken aan Spr. 20: "Der ouden glorie is hun grijsheid". Zag je bij hem ook niets van. Dat kwam door die rot pet.