Kijk op de tijd (2)
1987-10-30
Je kunt met goede bedoelingen toch op een verkeerde manier tegen je eigen tijd aankijken, zo zagen we vorige keer. Maar wat dan wel? Zo'n opsomming als ik gaf kan tot de conclusie leiden: zie je wel, er valt toch geen zinnig woord van te zeggen, in wat voor tijd wij leven. Toch is dat verre van de bedoeling.- Jaargang 31
- nummer 41
Ik geloof, dat we wel degelijk onze tijd kunnen onderkennen, zonder daarmee op Gods klok te willen kijken. Dat komt, doordat tijden kunnen terugkeren. Zodat er bijvoorbeeld eindtijden kunnen zijn, en tijden van wederopbouw. Zonder dat wij het binnen onze menselijke mogelijkheden hebben om in Gods agenda te kijken en te zien wat er onmiddellijk hierna moet gaan gebeuren. Bij verschillende gelegenheden is dit door ds H. de Jong uitgewerkt, en aan hem ontleen ik hierbij dan ook veel.
Heel leerzaam is, dat wij dit terugkeren van tijden ook binnen de Schrift kunnen waarnemen. Ik denk bijvoorbeeld aan de tijd na de ballingschap. In Jesaja 51 wordt de rest van het volk Israël, die zich niet geassimileerd heeft met de babylonische wereld, en die bereid is om naar Kanaän terug te keren, als volgt bemoedigd: "Aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik zegende hem en vermenigvuldigde hem" (Jesaja 51 :2). Na 70 jaren ballingschap was het zo ver gekomen dat degenen uit Israël die de roep om terug te keren wilden opvolgen zich pure eenlingen voelden. In feite is voor hen dan de tijd van Abraham teruggekeerd.
Werd hij niet als eenling geroepen?
Maar op de roep van God scheurde hij zich los uit zijn land en zijn maagschap, trok naar Kanaän... en God zegende hem.
Zo zal het wéér zijn!, zegt de HERE bemoedigend.
terugkeer uit Babel vergeleken wordt met de uittocht uit Egypte. "Zijt Gij het niet, die de zee hebt drooggelegd, de wateren van de grote diepte; die de diepte der zee hebt gemaakt tot een weg, een doortocht voor de verlosten?"
(Jesaja 51: 10).
U ziet hier gebeuren, dat Gods volk heel concreet zicht kreeg op de aard van de tijd, waarin men leefde. En aanwijzingen voor wat God daarin van hen verwachtte. Namelijk door in eigen tijd trekken te herkennen van vorige tijden.
Natuurlijk zal het dan nooit hetzelfde zijn, maar het onderwijs is er.
Bescheiden èn beslist
Welnu, precies zo kunnen wij onze tijd onderzoeken, en zien of de Schrift ons hulp aanreikt voor het verstaan vanjuist onze tijd.
Het zal er dan niet om gaan, te bepalen of het op Gods klok kwart voor twaalf of vijf voor twaalf is. Pogingen om dat te doen zijn de oorzaak van grote verdeeldheid onder christenen. Wat logisch is, omdat wij dat niet kunnen weten.
Wat we wel doen, is zoeken welke trekken van onze tijd we in de Bijbel beschreven zien, en wat Gods wil voor die situatie is. Bij dàt werk kunnen we veel meer naar elkaar luisteren, van elkaar leren en samen Gods Woord als een licht op ons pad erkennen. Vandaar mijn typering: bescheiden èn beslist.
Bescheiden, waar het gaat om de vraag hoever we precies in de geschiedenis zitten. Maar beslist in de overtuiging dat God dezelfde is, gisteren en heden, en dat Hij ons wijzen zal, hoe wij in déze tijd zullen leven.
Trekken van onze tijd
Ik probeer dit nu concreet te maken.
Door in een aantal opzichten te typeren, in wat voor tijd wij, bijbels gezien, leven. En wat daaruit Gods onderwijs voor ons is.
Wat de positie van christenen in onze westerse wereld betreft kunnen we veel herkennen in de tijd na de ballingschap.
Een tijd, waarin de grote bouwwerken van de kerk gesloopt zijn. Waarin de vanzelfsprekendheid om te geloven aan diggelen ligt, omdat die vanzelfsprekendheid verzondigd is. Ik wijs opnieuw op het verschil tussen Jesaja en Maleachi.
Jesaja waarschuwde tegen overdadige vroomheid die slechts uiterlijk is. Toen dreigde het gevaar van 'gewoonte en bijgelovigheid'. Daarom zei hij: Kom maar niet te veel offeren; doe er liever naar.
Maleachi daarentegen waarschuwde tegen minimale vroomheid, veroorzaakt door het feit dat men de politiek belangrijker vond dan de eredienst.
Vandaar het beschamende vermaan: jullie offeren een mànk offerdier. Zouje zoiets ooit de landvoogd aan durven bieden?
Welnu, dat laatste is meer actueel in onze tijd. Men hecht meer waarde aan de 'maatschappelijke relevantie' van de boodschap, dan aan de eer van God.
Een verpolitiekte kerk en verslapping in de erediensten, die combinatie herken je gewoon in de woorden van Maleachi.
En ook als wij erin zouden slagen de 'politieke prediking' buiten de deur te houden, blijven aansporingen uit de naballingschapstijd voor ons heel actueel.
Denkt u maar aan Haggaï, die de mensen moest aansporen om zich voor de dienst van God in te zetten en niet alleen voor hun carrière (bijv. Haggaï 1: 3-6). Welnu, in onze tijd heeft de nieuwe zakelijkheid met zijn no nonsense ervoor gezorgd, dat we minder vieze haren en meer nette pakken in de kerk zien. Maar komt dat door respect voor de HERE? Ik hoop maar, dat werk en flitsende carrière nog tijd over laten voor de dienst aan God en de naaste.
Voor wat de verhouding tussen christenen en de wereld betreft, herken ik steeds meer in de tijd die Petrus in zijn brieven beschrijft. Een moeilijke tijd voor christenen. Nog niet zozeer vanwege vervolging door de overheid (dat is er op gevolgd). Maar wel een tijd van smaad op de' "goede wandel in Christus"
(1 Petrus 3:16). De mensen om de gemeente heen ergeren zich eraan, dat christenen zo nodig ànders moeten wezen, en "het bevreemdt hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u" (1 Petrus 4:4). Alleen al het feit, dat omstanders zien, dat christenen er voor zichzelf een andere moraal op nahouden dan de wereld, wekt aggressie: "Zijn wij soms niet goed?"
Opmerkelijk is in die situatie, dat Petrus niet zozeer oproept tot grote preken tegen de wereld. In een bepaalde situatie (van vrouwen met een ongelovige man) zegt hij zelfs, dat hun wàndel het dan maar moet doen, als woorden niet meer helpen.
Ook is het geen tijd om te klagen over achterstelling van christenen, maar om het goede te blijven doen. Zie heel de passage I Petrus 2: 11-3: 17. Het is zaak van geloof, om juist van de christelijke levenswandel werkelijke zegen te verwachten. Voor jezelf, en voor het getuigenis naar buiten, zie met name I Petrus 3: 13-17.
l Tenslotte voor wat de hele situatie in de wereld betreft. Daarvoor moeten we maar goed de brieven aan de Thessalonicenzen lezen, vooral de tweede brief.
Het is een tijd, waarin je inderdaad spoedig je bezinning zou verliezen, vanwege een prediking, alsof de dag des HEREN reeds aanbrak (2 Thess. 2: 1v.). Dat moeten we zeker niet doen.
We moeten niet het bijltje er vast bij neergooien omdat het toch haast zover is. Maar we moeten er wel oog voor hebben, dat bezig is te gebeuren wat de apostel beschrijft: - dat de afval komt; we beleven bepaald de tijd ná de opkomst van het christelijk geloof, de tijd waarin velen zich juist afwenden van God en zijn gebod.
- dat de mens der wetteloosheid bezig is zich te openbaren. Dat is, dat de wetteloosheid (die er natuurlijk altijd geweest is) uit de verborgenheid treedt en openbaar wordt. Met name te zien aan het feit, dat aantasting van het leven, door abortus en euthanasie, nu bij wet, publiek, toegestaan wordt.
- dat de mens der wetteloosheid zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, en zichzelf in de tempel (op Gods troon) zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
Dit wordt zichtbaar, waar het echt een dogma is, dat er geen hogere norm kàn zijn, dan wat ieder mens zelf goed vindt. Dat iedere mens zijn eigen norm moet zijn.
De concrete leefregel die Paulus in dàt verband aan de Thessalonicenzen geeft, is: gewoon doorgaan met je werk te doen, daarbij volharden in het geloof vasthouden aan de overlevering van de apostelen (2 Thess. 3). Dat kan ook bedoeld zijn met de "weerhouding" (2: 7), waar Paulus over spreekt. Jezus sprak de discipelen al aan als 'het zout der aarde. dat is een weerhoudende kracht, die het bederf nog tegengaat.
Dat kan en mag ieder op zijn eigen plaats zijn: een zoutend zout, tot de komst van Christus. Misschien is ons dit te weinig, te mager. Maar als God het nog nodig vindt, dat deze wereld voort bestaat, dan mag het ons niet te min zijn om aan de instandhouding daarvan mee te werken, als een zoutend zout.
Welk doel?
Terecht kunnen we vragen: wat hèb je er nu aan, om iets van onze tijd terug te herkennen in verschillende Bijbelse tijden?
Ik zou zeggen, dat de bedoeling niet is, dat wij defaitistisch worden, en zeggen: zie je wel, het loopt allemaal op z'n eind. Ik heb wel horen citeren: "Wanneer de grondslagen vernield zijn, wat zal dan de rechtvaardige doen?" Dat is een citaat uit Psalm 11: 3. Maar laten we dat citaat niet uit z'n verband rukken. Het wordt ons niet gegeven om nà te spreken. Het is namelijk een citaat van wat de spotters de rechtvaardige toeroepen. Wij zullen juist niet moeten vluchten naar het gebergte, of met een boekje in een hoekje gaan zitten.
Als we met de Bijbel in de hand onze tijd herkennen als een tijd van afval, dan zullen we daar juist uit leren, dat God toen en ook nu nog een taak voor zijn volk heeft. We zullen des te meer alert zijn op wat God voor déze tijd aan onderwijs geeft. En bidden zoals Habakuk het deed:
HERE, ik heb de tijding aangaande U vernomen,
ik ben, HERE met vreze voor uw werk vervuld;
roep het in het leven in de loop der jaren;
maak het openbaar in de loop der jaren;
gedenk in de toorn aan ontfermen!
(Hab. 3: 2)