Een huisbezoek-verslag (2)

1987-11-13
  • Jaargang 31
  • nummer 43
De kerkdeuren op slot!
Hoe zou u reageren als u a.s. zondag de kerkdeuren op slot vond? En u zag een plakkaat aangeplakt met de woorden: "God heeft liever niet meer dat u komt!"
Zou u niet denken dat het één of andere smakeloze grap is? Maar weet u dan wel zo zeker dat God is ingenomen met uw zingen en bidden, uw kollekteren en avondmaal vieren? Zouden uw kerkdiensten Hem echt nooit kunnen vermoeien?
In de dagen van Maleachi had God zo schoon genoeg van de tempeldienst dat Hij uitroept: "Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot..." (vs 10). God beleeft er geen enkel plezier meer aan. Want het is louter en alleen voor de vorm.

Vormendienst
Oppervlakkig gezien gaat alles in Jeruzalem zoals het moet. De mensen komen trouw naar de tempel. En niet met lege handen. Het ene offerdier na het andere wordt aangevoerd, ritueel geslacht en op het altaar verbrand.
Maar let eens op de dieren! Of op de gaven voor de spijsoffers! Hier komt er één met een blind schaap. Daar brengt een ander een stier, die kreupelt. Een derde heeft wat beschimmelde broden bij zich (vs 6, 8, 13).
En accepteren de priesters dat? Ach ja, de tijden zijn nu eenmaal slecht en Israël heeft het niet zo breed. Dan is het toch te begrijpen dat ze de beste dieren voor de handel bewaren? En God zal toch vast niet verlangen, dat men voor Hem het goeie brood uit de mond spaart? De priesters vinden het allang goed. Je mag al blij zijn, dat de mensen in die slechte ekonomische omstandigheden nog naar de tempel kómen!

Hoe werkelijk is God?
Maar als je nou eens met zo'n kreupele stier naar de landvoogd moest. (vs 8?) Hij zou hen zien aankomen!
Maar dat haalde ook geen Jood in z'n hoofd. Moet je net denken in de wereld van het oosten. De landvoogd dat is niet zomaar de eerste, de beste.
Voor zo iemand zoek je met zorg een geschenk uit. En dat bied je aan met de nodige plichtplegingen en met veel vertoon van wellevendheid en welsprekendheid.
Per slot van rekening kon zo iemand je maken of breken.
Hier raakt Maleachi de kern van de zaak. De landvoogd is voor de Joden een realiteit, waar ze mee rekenen, God niet! Het is beschamend als de eerbied voor een mens en het ontzag voor onze meerderen ons als voorbeeld moet worden gesteld voor wat wij God schuldig zijn.
Herkent u dit gedrag? Hoeveel dingen laten we niet achterwege als we weten, dat mensen ons kunnen zien of horen: de buren, onze kennissen, de mensen van de kerk, misschien zelfs onze eigen man of vrouw. We zouden ons voor hèn schamen als we bepaalde zaken zouden doen of zouden nalaten. Maar God dan? Is de aardse werkelijkheid van een mens voor ons niet vaak konkreter dan de werkelijkheid van God?
Met God wordt gesjoemeld. Lees vs 14: men kon God b.v. een stier beloven maar bij nader inzien gaf men toch maar een ziekelijk kalfje. Het is net, als met die goudzoeker. die bezig was een .stuk grond af te graven. Om zich van Gods hulp te verzekeren wijdt hij een bepaald gedeelte aan hem toe. Laat hij nou nèt in dàt stuk grond het meeste goud vinden! Dan weet de goudzoeker niet hoe gauw hij zijn belofte moet veranderen. Het armste stuk kan God beter krijgen wat overschiet. God krijgt als een hond de kruimeltjes die van de tafel vallen.

Het wezen van het offer
Maar zo is het wezen van het offer volslagen miskend. De basis van heel de offerdienst vinden we in Lev. 17: 11: “Ik heb u het bloed op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen". Hoewel er eigenlijk geen omgang mogelijk is tussen de zondige mens en de heilige God treft God daarvoor een regeling. God neemt er genoegen mee. dat een offerdier sterft i.p.v. de zondige mens.
Maar nu de mens zelf zo vreselijk in gebreke bleef. moest toch op z'n minst het aangeboden offerdier gaaf en zonder enig gebrek zijn! InLev. 9: 24 lezen we hoe ook het vuur op het brandofferaltaar nog van God afkomstig was. Ja. zelfs dat onberispelijke Offerdier moest eerst nog door het vuur heen. het reinigingsvuur, om ook van de laatste smet bevrijd te worden.
Maar ook dat vuur kwam van God.
En de priesters moesten er voor zorgen.
dat dit door God aangestoken vuur nooit meer uitging (Lev. 6:8-13).
Zo maakte God in symbolentaal aan Israël duidelijk, dat ook de heiliging van hun leven uitging van Hem. Niet alleen de verzoening op basis van de bloedstorting. ook de heiliging van Israëls hart en leven ging van Hem uit.
Hier zien we al de voorafschaduwing van Goede Vrijdag en Pinksteren. Op Goede Vrijdag werd immers het offer gebracht dat de verzoening wèrkelijk tot stand bracht. En met Pinksteren daalde het heiligingsvuur van de Geest op de gemeente neer om daadwerkelijk hart en leven' te louteren.
Maar de Israëlitische offeraar mocht bij het zien opstijgen van de rook van zijn offer weten dat God hem helemaal wilde accepteren. Ook al had hij zijn Heer slechts een vuil en geschonden leven aan te bieden.
Maar dat laatste was dan een reden te meer om in elk geval een gave te offeren die onberispelijk was.
Dat de Joden in de dagen van Maleachi blinde kreupele en beschimmelde offergaven durven aanbieden bewijst dat ze totaal niet meer beseffen met Wie ze van doen hebben. Ze hebben geen enkele notie van Gods heiligheid.

Neem mijn leven... !
Hoeveel van ditgedrag herkent u bij u , zelf! Krijgt God van u de eer. die Hem toekomt? Hoe ziet het offer van uw leven er uit" We kunnen er zo prachtig over zingen: Neem mijn leven. laat het Heer.
toegewijd zijn aan uw eer.
Maak mijn uren en mijn tijd tot uw dienst en lof bereid.
En leest u zelf Lied 473 maar verder.
Onbeperkt stellen we ons in dit lied ter beschikking van God.
Maar waarin komt dit uit? Wat doen we met onze tijd, met onze handen envoeten, onze ogen en oren en onze stem? Met ons geld en ons bezit? Wat is onze godsdienst méér dan kerkgang, bidden voor en na het eten, onze kinderen laten dopen, ons huwelijk kerkelijk laten bevestigen e.d.?
We vinden vaak al gauw, dat het heel, wat lijkt. Nou ja, volmaakt is het allemaal niet. Maar dat is ook een onhaalbare kaart. Dus mag God met minder tevreden zijn. En als we dan zingen: Neem mijn leven ... enz. dan moet God maar genoegen nemen met onze goede wil.
Maar zo'n houding verafschuwt God.
Als we het heel gewoon vinden, dat God het gebrekkige offer van ons leven accepteert, dan hoeft het voor Hem niet meer Godsdienst waarin God niet als God geëerd wordt is erger dan helemaal geen godsdienst!
Dan kunnen we evengoed uit de kerk en aan het avondmaal wegblijven.
God vraagt in zijn dienst alles of niets!
Nee, God weigert ons de toegang niet als wij tekort schieten. Maar wel als wij zelf aan dat tekort niet zwaar tillen.
Er is een joodse wijsheid, die leert, dat het overtreden' van een wet zo erg niet is of er is wel vergeving voor ieder, die berouw toont. Maar een wet eigenlijk niet meer als wet erkennen - dàt is de zonde bij uitstek.
Dáár is geen vergeving voor. Dan is God beroofd van zijn eer.
Voor een tekort schietend volk heeft uiteindelijk de Zoon van God hèt offer van zijn leven gebracht. Hij heeft God de eer gegeven die Hem toekomt.
De ijver voor Gods huis heeft Hèm geheel en al verteerd. Het enig redelijke antwoord hierop is, dat wij ons volledig wegschenken aan Hem.
die ons zó liefheeft, als een levend heilig en God welgevallig offer (Rom. 12: 12). Hoe? Door de Geest van Pinksteren!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief