Pastorale notities

1987-11-20
  • Jaargang 31
  • nummer 44
Er kwam een collega op bezoek uit een kerk met drie predikanten. De beide anderen hadden een andere "ligging".
Eerst was dat wel spannend geweest en soms zelfs wel verfrissend. Je moest weer eens nadenken.
Maar het was allemaal anders geworden. Het ging om dingen waarover hij niet meer na wilde denken, die hij niet ter discussie wilde stellen. Uit hun preken verdween de Here God als de levende God, tot wie je kunt roepen en die dan hoort. God werd iets, een gebeuren. Hij merkte het in de gemeente: de gebeden verstomden. Hij kreeg het benauwd.
Ons gesprek blijve tussen hem en mij.
Toen hij weg was bedacht ik dat ik de naam van zijn woonplaats eerder had gehoord en ik wist ook wanneer. Ik had op een camping gepreekt.
Naar de gewoonte daar had ik om "gebedsintenties" gevraagd zoals onze roomse medechristenen dat noemen.
Dat kan zeer hachelijk zijn. Wat doe je als gereformeerd dominee met de vraag van een jongetje om de voorbede voor zijn hond? En met de vraag van een roomse zuster om het gebed voor onze gestorvenen? Een pater gaf mij de goede raad: als je intenties gevraagd hebt moet je ze daarna laten zingen, dan heb je de tijd om zelf te bidden en na te denken.
Maar die ochtend kwam er niets dat mij voor problemen plaatste. Een mevrouw vroeg om het gebed voor de kinderen die dit jaar voor 't eerst op eigen houtje met vakantie waren. Daar kon ik zo inkomen! Ik zag haar benauwdheid. Een dochtertje van zeventien, dacht ik even, voor het eerst op eigen houtje weg, met een vriendje en in één tent.
Na de dienst kwam er een broeder, die vroeg of wij dat thuis ook nog konden doen: bidden voor de kinderen. Ik kon met vreugde zeggen dat wij dat nog konden, met hun namen er bij, vaak, hij niet meer. Vroeger wel, maar door de preken was dat verdwenen. Niet dat het in de preken werd ontraden of zo, maar als God was, zoals hij zondags hoorde vertellen, had bidden geen zin meer. Maar die ochtend in de kerk had hij het plotseling ontzettend gemist: de namen van je kinderen, al kon je ze alleen maar noemen voor God in het vertrouwen dat Hij dan aan hen dacht.
Ik had gevraagd waar hij woonde en dat raadt u nu al neem ik aan.
Intussen sta ik niet weer na twee kerkscheuringen beschuldigend naar anderen te wijzen.
Ja, ik doe dat ook met een ellendig gevoel, maar er is wel iets veranderd.
In 1944 kon ds Slomp (zie Trouw van 13 oktober 1987) nog aan de synode schrijven dat het om kleine dingen ging terwijl veel groter gevaren ons bedreigen. dat kan nu niet meer. God is de dingen op een verschrikkelijke manier aan het vereenvoudigen, het gaat niet meer om kleine en moeilijke dingen, maar om heel eenvoudige en allerlaatste vragen. Als de preken de gebeden ook thuis doen verstommen, dan zou ik niet weten waar ik ter wereld naar zou kunnen wijzen en zeggen: dat is belangrijker.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief